Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-08
ECLI:NL:RBROT:2024:6634
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,195 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
weigering tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 8 juli 2024
Bij vonnis van deze rechtbank van 6 augustus 2020 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenares]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
schuldenares,
bewindvoerder: R.I. de Jong.
Procesverloop
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris op 16 april 2024 verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 16 mei 2024 met dit verzoek ingestemd.
De bewindvoerder heeft op 19 juni 2024 een laatste stand van zaken aan de rechtbank overgelegd.
Ter zitting van 1 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
schuldenares;
de heer M. Klarenbeek, waarnemend bewindvoerder;
mevrouw S. Gerde, beschermingsbewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op heden.
2De standpunten
Voor de standpunten van de rechter-commissaris, de bewindvoerder, de beschermingsbewindvoerder en schuldenares verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de tekortkomingen in de nakoming van de informatieplicht zijn hersteld. De ontbrekende stukken uit de voordracht tot tussentijdse beëindiging zijn bij de bewindvoerder aangeleverd. De bewindvoerder heeft ter zitting bevestigd dat de stukken zijn aangeleverd. Alleen een toelichting over het op naam hebben van de auto van schuldenares miste de bewindvoerder nog. Ter zitting heeft schuldenares verklaard dat zij al heel lang een auto op haar naam heeft staan. Schuldenares heeft de auto onder andere nodig om haar zoontje naar speciaal onderwijs te brengen. De voormalig bewindvoerder was hiervan op de hoogte. De bewindvoerder is ter zitting hieromtrent voldoende geïnformeerd. De rechtbank gaat ervan uit dat de bewindvoerder (alsnog) een verzoek zal doen aan de rechter-commissaris tot behoud van de auto.
Ten aanzien van de nieuwe schulden die blijken uit de voordracht tot tussentijdse beëindiging stelt de rechtbank vast dat deze zijn betaald. Er waren nieuwe schulden ontstaan bij de Belastingdienst van in totaal een bedrag van € 1.522,-. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de nieuwe schulden allemaal zijn betaald. De bewindvoerder heeft dit ter zitting bevestigd.
De rechtbank stelt tenslotte vast dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de inspanningsverplichting. Er ontbreken sollicitatiebewijzen vanaf januari 2023 tot en met heden, voor de weken dat er niet fulltime is gewerkt. Er waren ook geen medische stukken bekend bij de bewindvoerder waaruit een bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid blijkt. Op 31 mei 2024 heeft schuldenares echter een behandelplan aan de bewindvoerder overgelegd, waaruit de arbeidsongeschiktheid (mede) blijkt. Ter zitting heeft schuldenares dit behandelplan toegelicht, alsmede haar persoonlijke situatie. De bewindvoerder heeft daarop het standpunt ingenomen dat de arbeidsongeschiktheid van schuldenares voldoende is onderbouwd. De rechtbank neemt dit standpunt over en is van oordeel dat de tekortkomingen in de nakoming van de inspanningsverplichting niet te verwijten zijn aan schuldenares.
De rechtbank stelt vast dat de tekortkomingen in de nakoming van de informatieverplichting zijn hersteld. Ook stelt de rechtbank vast dat de nieuwe schulden zijn betaald. Wat de tekortkomingen in de nakoming van de inspanningsplicht betreft is de rechtbank van oordeel dat het niet naar behoren nakomen van de inspanningsplicht niet aan schuldenares kan worden toegerekend. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Dictum
De rechtbank:
- weigert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen;
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.