Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-07-18
ECLI:NL:RBROT:2024:6612
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/5514 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2024 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters), en De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. L. Harteveld). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 30 juni 2023 (het bestreden besluit) waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit van 17 februari 2023 ongegrond heeft verklaard. Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het besluit 2. Op 25 juli 2022 heeft een toezichthouder van de NVWA een inspectie uitgevoerd bij eiseres. De bevindingen van de toezichthouder zijn vastgelegd in een rapport van bevindingen van 16 januari 2023 (het rapport). Op basis daarvan heeft verweerder de boete opgelegd en deze bij het bestreden besluit gehandhaafd. 2.1. In het rapport heeft de toezichthouder, voor zover hier van belang, het volgende beschreven: “Bevinding(en): Datum en tijdstip van de bevinding: 25 juli 2022 omstreeks 13:15 uur. In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam], functie: medewerkster kwaliteitsdienst. Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in hammenuitbeenhal 1. Ik zag daar dat categorie 3 materiaal dierlijke bijproducten werden verzameld in blauwe kratten. Op deze blauwe kratten stond ook aangegeven dat het categorie 3 materiaal is. Op de grond gevallen varkensvlees wordt bijvoorbeeld in deze kratten verzameld. Ik zag dat in verschillende van deze reeds gevulde blauwe kratten [verschillende] stukken varkensvlees zaten met bezoedeling met korrelig vuil en verschillende soorten plastic (zie foto's). De bezoedeling en het plastic is productvreemd materiaal welke niet in categorie 3 dierlijke bijproducten terecht mag komen. Op mijn verzoek is hierop al het categorie 3 materiaal dierlijke bijproducten van deze dag afgewaardeerd naar categorie 2 dierlijke bijproducten. Ik zag dat tijdens het verzamelen niet alle nodige maatregelen werden getroffen om te zorgen dat de dierlijke bijproducten op de plaats van oorsprong gescheiden en identificeerbaar zijn en blijven. […] Ik bracht [naam], medewerkster kwaliteitsdienst, van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan. Zij wenste geen verklaring af te geven. Het rapport is tevens aangezegd per e-mail, zie bijlage aanzegging rapport per e-mail 25-7-2022.[…]” 2.2. Op grond van het rapport heeft verweerder vastgesteld dat eiseres, als exploitant, niet alle nodige maatregelen heeft getroffen om ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong gescheiden en identificeerbaar blijven en er daarmee niet op toe heeft gezien dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake identificatie van bijlage VIII, van Verordening (EU) 142/2011. Hiermee heeft eiseres zich volgens verweerder niet gehouden aan de voorschriften van artikel 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en artikel 17, eerste lid, in samenhang met Bijlage VIII, Hoofdstuk II, onder punt 1, a, van Verordening (EU) nr. 142/2011. Dit is een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling dierlijke producten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid en evenredigheid van de aan eiser opgelegde bestuurlijke boete. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3.1. De voor de beoordeling van het Nu onweersproken is dat eiseres op 9 mei 2022 eerder een waarschuwing heeft gekregen voor een zelfde overtreding, heeft verweerder eiseres op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren en in overeenstemming met haar Specifieke interventiebeleid dierlijke bijproducten daarvoor in beginsel een boete op kunnen leggen. 5. Eiseres voert aan dat zij in haar verdedigingsbeginsel is geschaad. Daartoe betoogt zij dat de toezichthouder bij de inspectie slechts summier heeft aangegeven waar het om ging. Ook de aanzegging van 25 juli 2022 is onbepaalbaar en omvat niet meer dan de mededeling dat het een overtreding ten aanzien van dierlijke bijproducten betreft. Hierdoor heeft zij niet adequaat kunnen verwijzen naar haar protocol. Het rapport waarin de verweten gedraging voor het eerst bepaalbaar werd omschreven, bereikte haar pas zes maanden na de inspectie. 5.1. Uit het rapport blijkt dat de toezichthouder zich bij de controle op 25 juli 2022 heeft gelegitimeerd aan [naam], medewerkster kwaliteitsdienst, haar van de bevindingen op de hoogte heeft gesteld en haar mondeling een rapport van bevindingen heeft aangezegd. Nadat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [naam] te kennen gegeven dat zij geen verklaring wenste af te geven. Ook is bij e-mailbericht van 25 juli 2022 aan de kwaliteitsdienst van eiseres medegedeeld dat die dag een overtreding is geconstateerd ten aanzien van de dierlijke bijproducten. Daarnaast heeft verweerder ter zitting verklaard dat de bevindingen ook met eiseres zijn gecommuniceerd via zogenoemde spinninglijsten. Gelet hierop had het naar het naar het oordeel van de rechtbank bij eiseres voldoende duidelijk kunnen zijn wat de bevindingen van de toezichthouder waren en op welke overtreding het e-mailbericht van 25 juli 2022 zag. Daarnaast had eiseres met het rapport voldoende feitenmateriaal om de bevindingen van de toezichthouder te kunnen tegenspreken. Eiseres heeft in bezwaar en beroep alsnog kunnen verwijzen naar haar protocol en haar beroepsgronden op dit punt zijn ten volle aan de orde gekomen bij de besluitvorming. De rechtbank ziet dan ook in wat eiseres heeft aangevoerd over het tijdsverloop tussen de inspectie en het rapport geen grond voor het oordeel dat eiseres geschaad is in haar verdedigingsmogelijkheden en dat verweerder om die reden had moeten afzien van het opleggen van een boete of de hoogte daarvan had moeten matigen. 5.2. Over de hoogte van de boete overweegt de rechtbank dat de wetgever reeds een afweging heeft gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met onderhavige verordeningen gediende doel, te weten het waarborgen van de volks- en diergezondheid, staat voorop. De rechtbank vindt de gebruikelijke boete van € 2.500,- voor dit soort overtredingen in het algemeen evenredig. 5.3. Eiseres heeft nog aangevoerd dat de blauwe kratten niet voor extern gebruik bestemd zijn en dat de kratten nog worden gecontroleerd voordat de producten in de eindverpakking voor de afnemers worden gedeponeerd. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien de boete te matigen. Daartoe heeft verweerder van belang kunnen achten dat door het gemengd verzamelen sprake kan zijn van kruiscontaminatie en dat het risico bestaat dat categorie 2-materiaal wordt gebruikt als categorie 3-materiaal, terwijl dierlijke bijproducten met een hoog risico (categorie 2) alleen voor doeleinden buiten de voederketen mogen worden gebruikt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat gelet hierop geen sprake is van een gering risico als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren op grond waarvan de boete gehalveerd had moeten worden. De door eiseres voorgestelde handelwijze levert, gelet ook op wat onder 4.3 is overwogen, dan ook geen bijzondere omstandigheid op die maakt dat de hoogte van de boete in dit geval niet proportioneel is. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleidin