Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-20
ECLI:NL:RBROT:2024:6516
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,784 tokens
Dictum
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Capelle aan den IJssel.
Opgelegde straf
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2012, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest.
Vordering van 24 januari 2024
De veroordeelde is eerder in aanmerking gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 8 maart 2024. Op 24 januari 2024 heeft het openbaar ministerie toen echter een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van 120 dagen.
Op 15 februari 2024 heeft de rechtbank deze vordering toegewezen en bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling werd uitgesteld met een termijn van 120 dagen, of zoveel dagen minder dan dat de veroordeelde eerder geplaatst kan worden in een passende klinische zorginstelling.
Op 8 maart 2024 is de veroordeelde feitelijk in vrijheid gesteld.
De proeftijd is op laatstgenoemde datum ingegaan en bedraagt 2190 dagen.
Als bijzondere voorwaarden zijn onder meer gesteld: een meldplicht bij de reclassering, alcohol- en drugsverbod, opname in een zorginstelling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod, locatieverbod en andere voorwaarden het gedrag betreffende.
Vordering schorsing voorwaardelijke invrijheidstelling van 31 mei 2024
De officier van justitie heeft op 31 mei 2024 gevorderd dat de rechter-commissaris de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal bevelen.
De rechter-commissaris heeft op 31 mei 2024 de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen, wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling van 31 mei 2024
Op 31 mei 2024 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van 365 dagen, wegens het onvoldoende meewerken aan een klinische behandelverplichting.
Bij de vordering is overgelegd het rapport van 30 mei 2024 van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering).
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 20 juni 2024.
De officier van justitie mr. K.W. van Damme en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.C. Spigt, zijn gehoord.
Voorts is de deskundige [naam], als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het is in de kliniek De Woenselse Poort misgegaan en het rapport van de reclassering is helder. Er moeten stappen gezet worden om de veroordeelde op de goede plek te krijgen. Binnen de periode van 365 dagen kan er nieuw onderzoek plaatsvinden en nieuwe voorwaarden worden opgesteld.
De veroordeelde en de raadsman hebben verzocht de vordering primair af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden niet heeft overtreden. De veroordeelde heeft zijn best gedaan en meegewerkt aan alle voorwaarden. In de twaalf jaren dat de veroordeelde gedetineerd zit, is niets gebeurd wat er op zou wijzen dat het personeel of de medegedetineerden gevaar zouden lopen. De veroordeelde heeft zes jaar geleden een hersenbloeding gehad, ook na die periode heeft zich geen incident voorgedaan. Er had op zijn minst een waarschuwingsgesprek of een stopgesprek moeten plaatsvinden alvorens de behandeling te stoppen. Men had ook de voorwaarden kunnen wijzigen. De MRI-scan die op 10 juni jl. zou plaats moeten vinden, is om onbekende redenen ook niet doorgegaan. Men dient voortvarend te werk te gaan. Verwezen wordt naar een uitspraak van 19 september 2022 van de rechtbank Limburg met ECLI-nr. ECLI:NL:RBLIM:2022:7086.
Subsidiair is verzocht de gevorderde periode van 365 dagen in te korten en op maximaal 30 dagen te stellen.
De deskundige [naam] heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij in aanvulling op het rapport verklaard dat in de periode voorafgaand aan de opname in de kliniek er niets is gedaan ten aanzien van een diagnose. Tijdens het verblijf van de veroordeelde in de kliniek bleek uit observaties dat hij kampte met forse cognitieve problemen. Men voelde zich door de uitlatingen van de veroordeelde niet meer veilig op de afdeling. Als gevolg daarvan is besloten om de behandeling – zonder een waarschuwingsgesprek – te beëindigen. Op 10 juni jl. zou er een MRI-scan plaatsvinden om een diagnose te stellen. Echter bleek dit een intake te zijn, die achteraf niet is doorgegaan.
Beoordeling
Uit de ter zitting gegeven toelichting van de deskundige is gebleken dat er na de incidenten geen waarschuwingsgesprek heeft plaatsgevonden met de veroordeelde. De rechtbank is van oordeel dat dit gesprek op zijn minst in beginsel had moeten plaatsvinden, alvorens de klinische behandeling te beëindigen. Gebleken is dat de veroordeelde vanwege ongewenst gedrag niet meer welkom is bij de kliniek waardoor niet meer aan de bijzondere voorwaarde kan worden voldaan.
De rechtbank is – gelet op het rapport van de reclassering en het verhandelde ter zitting – van oordeel dat het belang van het vaststellen van een diagnose thans nog steeds aan de orde is. Om die reden komt zij tot de conclusie dat binnen een periode van maximaal 120 dagen onderzoek moet worden gedaan naar de veroordeelde en dat de MRI-scan die geen doorgang heeft gevonden, alsnog binnen die periode dient plaats te vinden. Met de uitslag van de MRI kan een diagnose worden gesteld en van daaruit dient gekeken te worden naar een passend vervolgtraject voor de veroordeelde, zodat hij verantwoord kan terugkeren in de maatschappij.
Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de
vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten 120 dagen, moet worden ondergaan.
Dictum
wijst toe de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 120 dagen, moet worden ondergaan.
Deze beslissing is genomen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. S. van Driel en S. Woudman-Bijl, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juni 2024.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.