Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-28
ECLI:NL:RBROT:2024:6313
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,447 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10250521 CV EXPL 22-38960
datum uitspraak: 28 juni 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. G.C.G. Metz te Den Haag,
tegen
[gedaagde] ,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht.
De partijen worden hierna: ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 23 juni 2023 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken,
de akte nader uitlaten van [eiseres] ;
het proces-verbaal van het door de kantonrechter op 16 februari 2024 gehouden getuigenverhoor aan de kant van [eiseres] ;
de akte uitlaten in verband met contra-enquête van [gedaagde] ;
het proces-verbaal van het door de kantonrechter op 22 mei 2024 gehouden getuigenverhoor aan de kant van [gedaagde] .
1.2.
Partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan het nemen van een akte/conclusie na getuigenverhoren. De kantonrechter heeft daarom direct vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
Het tussenvonnis van 23 juni 2023
2.1.
De kantonrechter blijft bij haar overwegingen en beslissingen in het tussenvonnis van 23 juni 2023 en neemt die overwegingen en beslissingen hier over.
2.2.
In het tussenvonnis zijn twee bewijsopdrachten aan [eiseres] gegeven. Zij is toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat:
partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de op de lijst, die als bijlage 5 bij de dagvaarding in het geding is gebracht, vermelde werkzaamheden voor haar rekening zou uitvoeren; en
partijen verder hebben afgesproken dat [gedaagde] pas na oplevering van de verbouwde ruimtes het volledige genot van het door [gedaagde] gehuurde deel van het bedrijfspand zou hebben.
Is [eiseres] geslaagd in bewijslevering van vraag 1? Ja
2.3.
Op grond van de getuigenverhoren is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] in haar bewijsopdracht is geslaagd. Uit de getuigenverhoren is bijvoorbeeld naar voren gekomen dat er meerdere besprekingen over de uit te voeren werkzaamheden zijn geweest. Zo heeft [persoon A] (bouwkundig adviseur) in zijn getuigenverhoor desgevraagd toegelicht dat hij de uit te voeren werkzaamheden voor [gedaagde] inzichtelijk heeft gemaakt en deze ook letterlijk heeft uitgeschreven. Volgens hem zou [gedaagde] de opgesomde werkzaamheden uitvoeren, waarschijnlijk onder leiding van [persoon B] . Bij het maken van de afspraken hierover waren [persoon B] en [persoon C] aanwezig. De lijst van werkzaamheden, zoals die toen is opgesteld, is volgens [persoon A] de lijst uit bijlage 5 bij de dagvaarding. De getuigenverklaring van [persoon A] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [persoon D] (operational manager). Uit haar verklaring blijkt dat de werkzaamheden die door [gedaagde] moesten worden uitgevoerd onder andere bestaan uit het maken van kamers, het schilder- en tegelklaar afwerken van de kamers inclusief de plafonds en het maken van de installatie voor de babyspa. Ook dit zijn werkzaamheden die beschreven staan op de lijst uit bijlage 5 bij de dagvaarding. Voor het realiseren van deze werkzaamheden is volgens haar in overleg met de wederpartij een planning gemaakt. Dat [persoon C] aanwezig was bij het maken van bovengenoemde afspraken blijkt uit de getuigenverklaring van [persoon B] . Hij verklaart, naast [persoon A] , dat bij het maken van de afspraken hij, [persoon C] , mevrouw [persoon E] en [persoon A] aanwezig waren.
2.4.
De verklaringen van de getuigen aan de zijde van [eiseres] vinden steun in de overgelegde whatsappgesprekken tussen [persoon A] en [persoon B] , waarin [persoon A] onder andere op 23 maart 2022 en 7 april 2022 zijn ongenoegen uit over (het niveau van) de werkzaamheden die volgens [persoon A] ondanks de duidelijke afspraken onder de maat zouden zijn en waarin [persoon A] ook meermaals benoemt dat hij een lijst met werkzaamheden heeft gestuurd die moesten worden uitgevoerd. Deze gesprekken zijn weer gevoerd na een online (zoom/facetime)gesprek begin maart 2022 respectievelijk een gang door het gebouw van [persoon E] en [persoon B] waarin is besproken dat de verbouwing niet vordert volgens afspraak. Waar de verklaringen van [persoon E] en [persoon A] specifiek en concreet zijn over welke afspraken met wie en wanneer zijn gemaakt blijven de verklaringen van [persoon C] , [persoon B] en [persoon F] , de zoon van [persoon C] - op het bevestigen dat die (online)gesprekken hebben plaatsgevonden na - vaag en onduidelijk met betrekking tot wat in de gesprekken nu precies is toegezegd en afgesproken.
2.5.
Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] met [gedaagde] heeft afgesproken dat [gedaagde] de in bijlage 5 bij de dagvaarding opgesomde werkzaamheden in het bedrijfspand zou gaan uitvoeren. De kantonrechter gaat uit van de juistheid van de gegeven getuigenverklaringen aan de kant van [eiseres] , omdat uit de getuigenverklaringen van de contra-enquête geen concreet ander beeld naar voren komt dan hierboven is geschetst. Uit de contra-enquête komt vooral naar voren dat er wel afspraken zijn gemaakt, maar dat [gedaagde] zich niet goed meer kan herinneren welke afspraken zijn gemaakt.
2.6.
De vraag die vervolgens voor ligt is of [gedaagde] op tijd wist dat de werkzaamheden volgens [eiseres] niet op de juiste manier zijn uitgevoerd. [gedaagde] stelt namelijk niet eerder dan tijdens deze procedure gehoord te hebben dat de werkzaamheden niet correct zijn uitgevoerd. Dat [persoon C] eerder gewezen is op het niet correct uitvoeren van de werkzaamheden blijkt echter onder andere uit de verklaring van [persoon A] . Gaandeweg de werkzaamheden zag hij dat het niet klopte wat er gebeurde en heeft hij telefonisch contact opgenomen met [persoon B] en ook een aantal keer zijn beklag naar [persoon C] gemaild. Ook uit de getuigenverklaring van [persoon D] blijkt dat de werkzaamheden in het begin weliswaar goed gingen (er was een man ingehuurd die keurig op tijd kwam en zijn afspraken nakwam), maar dat vanaf het moment dat deze man naar een andere klus ging, ontstond er rumoer en heeft [persoon D] op een gegeven moment [persoon C] en [persoon B] aangesproken. Dat is een pittig gesprek in de tuin geweest. [persoon C] bevestigt dat er een gesprek in de tuin heeft plaatsgevonden. Of dit een pittig gesprek is geweest, kan hij zich niet meer herinneren. Dat [eiseres] niet tevreden was en dat [gedaagde] dat pas tijdens deze procedure heeft gehoord, is gelet op al het voorgaande ongeloofwaardig.
2.7.
Gelet op het bovenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden niet correct heeft uitgevoerd én dat [gedaagde] wist dat [eiseres] vond dat de werkzaamheden niet correct werden uitgevoerd. Ook hier gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de gegeven getuigenverklaringen aan de kant van [eiseres] in combinatie met de overgelegde stukken en komt uit de contra-enquête geen concreet ander beeld naar voren.
2.8.
Omdat [eiseres] in dit deel van de bewijsopdracht is geslaagd is de gevorderde vervangende schadevergoeding bestaande uit enerzijds de kosten voor de verbouwingswerkzaamheden die zijn onderbouwd met een offerte en anderzijds de extra kosten voor de bouwkundig adviseur [persoon A] toewijsbaar. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van € 49.948,00 te betalen.
Schadevergoeding voor [eiseres] toewijsbaar
2.9.
[eiseres] stelt ook dat zij door de ontstane vertraging in de werkzaamheden schade heeft opgelopen. Het bedrag dat [eiseres] stelt in dit verband aan schade te hebben geleden (€ 13.331,05), is onderbouwd en niet betwist, zodat ook dit bedrag wordt toegewezen.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie en in reconventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 64.686,84, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van:
€ 63.279,05 vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van volledige betaling;
€ 1.407,79 vanaf 28 juni 2024 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de kant van [eiseres] tot vandaag worden vastgesteld op € 4.344,91;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
44485