Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-26
ECLI:NL:RBROT:2024:6257
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,733 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 26 juni 2024
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 13 mei 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 juni 2024.
Ter zitting van 19 juni 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer M. van Engelenburg, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlener);
[naam], verweerder;
de heer mr. A.C. van ’t Hek, werkzaam bij AMI Advocaten, namens verweerder (hierna: advocaat).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is aangemeld bij de Kredietbank Rotterdam voor schuldhulpverlening. Verzoeker werkt fulltime en heeft een vaste baan in loondienst. Het inkomen van verzoeker bedraagt (ongeveer) € 3.000,- netto per maand. De kale huur bedraagt € 905,20 per maand. Op 1 en 2 mei 2024 zijn er meerdere bedragen door verzoeker overgemaakt naar verweerder, waardoor de complete vordering van verweerder is voldaan. In totaal is er een bedrag van € 13.736,77 overgemaakt, waaronder de huur van mei 2024. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener verklaart dat er op korte termijn een schuldregeling (minnelijk dan wel wettelijk) tot stand kan komen, omdat er inmiddels nog maar één schuldeiser is met een vordering van (ongeveer) € 38.000,-. Door de hoogte van de vordering is de schuldenlast van verzoeker (nog steeds) problematisch.
3Het verweer
Verweerder is teleurgesteld in verzoeker. Er was sprake van een huurachterstand van één jaar. Verzoeker heeft voldoende inkomen om de huurtermijnen te voldoen. Verweerder vindt het dan ook onredelijk om verzoeker een adempauze te bieden. Verweerder heeft alleen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunt ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 14 mei 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 9 april 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft een inkomen van (ongeveer) € 3.000,- netto per maand. Verzoeker heeft de complete vordering van verweerder voldaan. In totaal heeft verzoeker een bedrag van € 13.736,77 betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.
De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. Nu het schuldhulpverleningstraject (minnelijk dan wel wettelijk) spoedig kan worden opgestart en afgerond door schuldhulpverlener, zal de rechtbank het verzoek toewijzen voor de duur van drie maanden.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerder in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 april 2024 op verzoek van verweerder uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf 13 mei 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.