Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-17
ECLI:NL:RBROT:2024:6111
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,578 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5072
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser,
(vertegenwoordigt door Stichting Core in de persoon van [eiser]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
(gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman)
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen het schrijven van het college van 6 juli 2023.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2024. Partijen hebben zich hier laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser heeft bij brieven van 24 februari 2023, ingekomen op 28 februari 2023, een, naar eigen zeggen, 18-tal aanvragen ingediend voor een Sociaal Medische Indicatie kinderopvang (hierna: SMI) ten behoeve van zijn minderjarige zoon.
2.2.
Bij brieven van 3, 9 en 23 maart 2023 heeft het college eiser laten weten aanvullende gegevens nodig te hebben om de aanvraag om SMI in behandeling te kunnen nemen. Eiser is gelegenheid geboden om de ontbrekende gegevens te verstrekken.
2.3.
Met het besluit van 6 april 2023 heeft het college de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld.
2.4.
Op 26 april 2023 heeft eiser het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van beslissingen op zijn aanvragen van 28 februari 2023.
2.5.
Het college heeft met het besluit van 4 mei 2023 gereageerd op de ingebrekestelling van eiser en daarbij aangegeven dat geen dwangsom is verschuldigd omdat al op 6 april 2023 op de aanvraag van eiser is beslist.
2.6.
Op 12 juni 2023 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 juni 2023 heeft het college de ontvangst van eisers bezwaar bevestigd en bij brief van 30 juni 2023 is eiser uitgenodigd voor een hoorzitting op 10 juli 2023.
2.7.
Op 6 juli 2023 is door de manager team publieksreacties, onder verwijzing naar het bezwaarschrift van 12 juni 2023, ingegaan op de ingebrekestelling waarin opnieuw is aangegeven dat deze wordt afgewezen. Het beroep van eiser richt zich tegen deze brief.
Beoordeling
3. Naar het oordeel van de rechtbank kan de brief van 6 juli 2023 niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank legt dat hieronder uit.
3.1.
De brief van 6 juli 2023 is anders dat eiser stelt niet gericht op rechtsgevolg. In de brief wordt ingegaan op eisers ingebrekestelling van 26 april 2023 en aangegeven dat deze ingebrekestelling wordt afgewezen. Dat neemt niet weg dat verweerder zich al met het besluit van 4 mei 2023 op het standpunt had gesteld dat er geen dwangsom is verbeurd. De brief van 6 juli 2023 is daarom slechts een herhaling van het standpunt dat is neergelegd in besluit van 4 mei 2023. Verweerder heeft terecht gesteld dat met de informerende brief van 6 juli 2023, wat daar van zij, verder geen (nieuwe of andere) rechtsgevolgen zijn beoogd.
De rechtbank overweegt dat de brief van 6 juli 2023 ook niet als een besluit op eisers bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2023 kan worden aangemerkt. Hiertoe is van belang dat in de brief van 6 juli 2023 onder het kopje ‘bezwaar’ duidelijk is vermeld dat eiser door de algemene bezwaarschriftencommissie is uitgenodigd voor een hoorzitting en dat niet op eisers klachten wordt ingegaan omdat het oordeel hierover aan de bezwaarschriftencommissie is. Inhoudelijk wordt er dan ook niets over eisers bezwaar gezegd. Voor zover ingegaan wordt op wat eiser heeft aangevoerd over een eerder door verweerder gebruikte aanhef, moet dit worden aangemerkt als de behandeling van een klacht. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de brief van 6 juli 2023 als onderwerp ‘bericht van afhandeling’ heeft en dat uit de tekst onderaan de brief, onder het kopje ‘niet tevreden’ wordt gesproken over de afhandeling van een klacht.
Verweerder is met het besluit van 25 juli 2013 wel inhoudelijk op eisers bezwaargronden ingegaan en dát besluit moet dan ook worden aangemerkt als het besluit op bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2023. Tegen het besluit van 25 juli 2023 heeft eiser ook beroep ingesteld. Voor de beoordeling van dat besluit wordt verwezen naar de uitspraak van heden in de zaak 23/5627.
3.3.
Omdat de brief van 6 juli 2023 niet kan worden aangemerkt als een besluit, kan eiser hiertegen geen beroep instellen. De rechtbank is daarom onbevoegd om daarvan kennis te nemen van.
4. Omdat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van eisers beroep zal het door hem betaalde griffierecht worden teruggestort.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd;
- gelast de griffier het betaalde griffierecht terug te storten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.