Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-25
ECLI:NL:RBROT:2024:6099
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,595 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10-328180-23
Datum zitting: 11 juni 2024
Datum uitspraak: 25 juni 2024
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1], raadsman N. van Bremen, advocaat in Rotterdam.
Officier van justitie: R.P.L. van Loon
Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van brandstichting in een woning. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
op of omstreeks 10 december 2023 te Rotterdam (in een woning gelegen aan [adres 1]) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een of meerdere matrassen, een bed, een matrashoes en/of een hoeslaken en/of een of meerdere vitrages, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor dat pand en/of belendende/nabijgelegen woningen en/of de inboedel/huisraad van dat pand en/of die woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één van de zich in die belendende/nabijgelegen woningen bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.
Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden.
Oordeel rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
op 10 december 2023 te Rotterdam in een woning gelegen aan [adres 1] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met matrassen, een bed, een matrashoes, een hoeslaken en vitrages, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor dat pand en belendende woningen en de inboedel van die woningen en
levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één van de zich in die belendende woningen bevindende personen te duchten was.
Bewijsmotivering
De bewezenverklaring steunt op de inhoud van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn ook de basis voor de hieronder opgenomen vaststellingen, overwegingen en conclusies die bij de bewezenverklaring zijn betrokken.
Bewijsmiddelen
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 11 juni 2024:
Op 10 december 2023 omstreeks 06:30 uur was ik alleen in de portiekwoning aan [adres 1] aanwezig op dat moment was er brand.
2. In het proces-verbaal van bevindingen, het forensisch onderzoek, van verbalisant [verbalisant 1]:
In de woning waren vijf afzonderlijke brandhaarden, namelijk aan meerdere matrassen, een bed, een matrashoes, een hoeslaken en vitrages. De brandhaarden bevonden zich in aparte ruimtes en op beide verdiepingen. Een technische oorzaak voor het ontstaan van de brand in de brandhaarden is uitgesloten. Door de brand is er gemeen gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor anderen personen te duchten geweest. De hete en giftige rookgassen zijn bij inademen levensgevaarlijk voor mensen. Door het ingrijpen van de brandweer is verdere uitbreiding van de brand in de woning en de naastgelegen woningen voorkomen.
3. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2]:
Op 12 december 2023 sprak ik met een omwonende, een bewoonster woonachtig aan [adres 2]. Zij verklaarde dat ze op dat moment nog last had van de rook die zij had ingeademd. Haar man en kinderen waren ook thuis tijdens de brand. Zij hebben bijna of geen last meer van de rook die zij hebben ingeademd.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op basis van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de portiekwoning op het adres [adres 1] opzettelijk in brand heeft gestoken. De verdachte heeft verklaard op het moment van de brand in de woning aanwezig te zijn geweest. Uit technisch onderzoek is gebleken dat er vijf afzonderlijke brandhaarden waren, waarbij een technische oorzaak is uitgesloten. Het geheel overziend en uitgaande van de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen en hiervoor uiteengezet, concludeert de rechtbank dat de verdachte degene is geweest die met opzet de brand in zijn woning heeft gesticht.
Met betrekking tot het ten laste gelegde levensgevaar voor een ander stelt de rechtbank vast dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de brand heeft gesticht in een portiekwoning in een flatbebouwing met meerdere woningen, waar ook – mede gelet op het tijdstip van de brand, namelijk 06.30 uur, wat naar algemene ervaringsregels een tijdstip is waarop veel mensen thuis slapen of zich thuis klaarmaken voor hun dagbesteding – te voorzien was dat meerdere personen aanwezig waren. De rook heeft de belendende woning bereikt en in ieder geval één bewoner heeft deze rook ingeademd. De rechtbank is daarom van oordeel dat levensgevaar voor de overige bewoners van het appartementencomplex ten tijde van de brandstichting voorzienbaar was.
Verboden gedraging en strafbaarheid
Kwalificatie
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten te duchten is.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
Straf
Vooraf
Voor het bewezenverklaarde feit wordt aan de verdachte een straf opgelegd. In deze strafmotivering zullen het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte worden besproken die bij de strafoplegging een rol spelen.
Vordering officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feit
De verdachte heeft brand gesticht in zijn woning door op verschillende plekken in die woning goederen in brand te steken. De woning is een portiekwoning in een flatgebouw. Als de brandstichting niet tijdig was opgemerkt zou deze mogelijk hebben kunnen overslaan naar de aangrenzende woningen. Dat de brand beperkt is gebleven tot de woning van de verdachte is niet aan de verdachte te danken. In de woningen die in hetzelfde complex waren gelegen, waren mensen aanwezig die - kort gezegd - levensgevaar hebben gelopen. Ook was er gevaar dat de handelingen van de verdachte veel schade aan goederen van anderen zou veroorzaken.
Brandstichting is een zeer ernstig en gevaarlijk feit. Naast de forse materiele schade heeft een brand grote impact op betrokkenen en omwonenden. Daarnaast zorgt een brandstichting in een woonwijk voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Een brand is per definitie oncontroleerbaar en de gevolgen ervan zijn daarom ook onvoorspelbaar en niet zelden ook onbeheersbaar. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.
Persoon verdachte
Eerdere veroordelingen wegen niet in strafverzwarende zin mee. Volgens zijn strafblad is de verdachte de afgelopen 5 jaar niet veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een psychologisch Pro Justitia onderzoek van 14 april 2024.
Dictum
De rechtbank:
1. verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
2. stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
3. verklaart de verdachte strafbaar;
4. veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
4.1.
bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat de verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
4.2.
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
4.3.
stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
4.4.
stelt als bijzondere voorwaarden:
dat verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
dat verdachte meewerkt aan ambulante zorg;
dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
at verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een (vrijwillige) dagbesteding en/of vrijetijdsbesteding, met vaste structuur.
Dit vonnis is gewezen door
J.H. Janssen, voorzitter,
J.J. Klomp en R.D.M. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van E.F. Meekhof, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 25 juni 2024.