Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-12
ECLI:NL:RBROT:2024:6024
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,463 tokens
Dictum
[veroordeelde] ,
Geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI 1] ,
raadsman mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam.
Opgelegde straf
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2021 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden, met aftrek van voorarrest.
De veroordeelde komt in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 28 juni 2024.
Vordering
Op 12 juni 2024 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van 365 dagen.
Bij de vordering is overgelegd het rapport d.d. 7 mei 2024 van het Leger des Heils, afdeling reclassering (hierna: de reclassering), en het advies d.d. 21 maart 2024 van de Penitentiaire Inrichting [naam PI 2] , de inrichting waar de veroordeelde verbleef (hierna: VI-advies).
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 12 juni 2024.
De officier van justitie mr. M. van Rijswijk en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman zijn gehoord. Voorts is de deskundige, [persoon A] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 365 dagen. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat hij zich niet zal verzetten tegen een aanhouding van de zaak voor de duur van drie maanden, gelet op het summiere advies van de reclassering en hetgeen door de deskundige naar voren is gebracht.
De veroordeelde en de raadsman hebben verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat het uitgangspunt is dat de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld en dat dit alleen bij uitzondering anders zou moeten zijn. Het openbaar ministerie heeft ruim de tijd gehad. Dat er nu geen reclasseringsrapport is, komt voor rekening en risico van het openbaar ministerie. De veroordeelde herkent zich niet in het beeld dat in het dossier wordt geschetst en het dossier is op punten onvolledig. Er is veel gebeurd en de veroordeelde is sedert zijn verblijf in de Penitentiaire Inrichting [naam PI 2] al weer verschillende keren overgeplaatst, zonder dat precies duidelijk is waarom behalve dat er problemen zijn met medegedetineerden. De veroordeelde is daarnaast niet duidelijk en tijdig geïnformeerd over het gegeven dat de voorlopige invrijheidstelling uitgesteld zou kunnen worden. Het afpakken van de voorwaardelijke invrijheidstelling vanwege een vrees voor herhaling gaat voorbij aan het doel van de voorwaardelijke invrijheidstelling: het geleidelijk en onder toezicht meer vrijheid krijgen ter voorbereiding op terugkeer in de maatschappij. Met het afpakken van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient behoedzaam te worden omgegaan. De straf die aan de veroordeelde is opgelegd, is bovendien uit de tijd dat de voorwaardelijke invrijheidstelling - meer dan nu - een gegeven was. Het kader dat toen gold, moet nu ook gelden.
Ontvankelijkheid
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering, nu de vordering tijdig is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.
Beoordeling
Het rapport van de reclassering houdt in dat de rapporteur geen tijd heeft gehad om een gedegen onderzoek uit te voeren. Het advies is een uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met ten minste drie maanden. De deskundige heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij verklaard dat hij een periode van drie maanden nodig heeft om gedegen onderzoek uit te voeren en te kunnen adviseren over de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde. Hij heeft zich daarbij bereid verklaard verbonden te blijven aan deze zaak, ongeacht waar de veroordeelde in detentie verblijft.
Het VI-advies houdt in dat de Penitentiaire Inrichting Zwolle negatief adviseert over de voorwaardelijke invrijheidstelling, gelet op de diverse disciplinaire straffen die de veroordeelde heeft gekregen, voor zowel verbaal als fysiek geweld, en gezien zijn niet-meewerkende houding aan zijn re-integratietraject. Er zijn ernstige zorgen dat er geweld zou plaatsvinden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf ernstig heeft misdragen en dat onvoldoende duidelijk is dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voldoende kan worden ingeperkt. De rechtbank acht het van belang dat de reclassering de mogelijkheid krijgt met de veroordeelde in gesprek te gaan en aan de hand daarvan te adviseren over de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Gelet op het vorenstaande zal de vordering worden toegewezen voor de duur van 90 dagen.
Dictum
De rechtbank:
wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met een termijn van 90
dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. M.C. Franken en J.L. Luiten, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Blom-den Haan en J.M. Grubben, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juni 2024.
De oudste rechter en de tweede griffier zijn buiten staat deze uitspraak mede te
ondertekenen.