Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-13
ECLI:NL:RBROT:2024:6012
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,381 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10756012 CV EXPL 23-28383
datum uitspraak: 13 juni 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder [naam],
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 11 april 2024 en de daarin genoemde stukken;
de e-mail van Woonbron van 22 mei 2024.
2De verdere beoordeling
[gedaagde] moet € 4.970,10 aan huurachterstand betalen
2.1.
In het tussenvonnis van 11 april 2024 is geoordeeld dat de huurprijswijzigingsbepaling die partijen in artikel 5.1 van de Algemene Huurvoorwaarden zijn overeengekomen oneerlijk is, dat daardoor alle huurverhogingen komen te vervallen en dat de eerst overeengekomen (netto) huurprijs van € 1.222,35 per maand is blijven gelden. Woonbron is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van het maandelijkse voorschotbedrag voor de servicekosten over de periode van de gevorderde betalingsachterstand, te weten juni tot en met oktober 2023. Woonbron heeft in dat verband medegedeeld dat het voorschotbedrag voor de servicekosten in de genoemde periode onveranderd is gebleven en € 42,65 bedraagt, zoals in de huurovereenkomst is opgenomen.
2.2.
Het bovenstaande betekent dat de maandelijkse huurprijs € 1.265,- (€ 1.222,35 +
€ 42,65) bedraagt en dat [gedaagde] over de periode van juni tot en met oktober 2023 een bedrag van € 6.325,- aan Woonbron verschuldigd was. Uit de dagvaarding kan worden afgeleid dat [gedaagde] in de genoemde periode slechts één keer een bedrag van € 1.354,90 heeft betaald. Dat betekent dat [gedaagde] over de periode van juni tot en met oktober 2023 nog een bedrag van
€ 4.970,10 (€ 6.325,- -/- € 1.354,90) aan huur moet betalen. [gedaagde] wordt veroordeeld om dat bedrag aan Woonbron te betalen.
[gedaagde] moet € 636,85 aan incassokosten betalen
2.3.
In het tussenvonnis is al geoordeeld dat de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen en dat deze in beginsel worden berekend over het toewijsbare bedrag aan betalingsachterstand. Dat levert echter een hoger bedrag aan incassokosten op dan bij dagvaarding door Woonbron is gevorderd. Dat betekent dat de incassokosten worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 636,85.
[gedaagde] moet de rente over de huurachterstand tot en met september 2023 betalen
2.4.
Zoals al in het tussenvonnis is geoordeeld, wordt de wettelijke rente vanaf 1 september 2023 toegewezen over de huurachterstand tot en met september 2023, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
De overige eisen van Woonbron worden afgewezen
2.5.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis al geoordeeld dat de overige eisen van Woonbron - waaronder de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning - zullen worden afgewezen. Er bestaat geen aanleiding terug te komen op wat de kantonrechter daarover heeft geoordeeld.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
[gedaagde] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Woonbron op € 129,85 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 339,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.117,85. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonbron dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen € € 4.970,10 aan huurachterstand over de maanden juni tot en met oktober 2023 en € 636,85 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 3.705,10 vanaf 1 september 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonbron worden begroot op € 1.117,85;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
44487