Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-24
ECLI:NL:RBROT:2024:5785
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,006 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10799378 CV EXPL 23-30588
datum uitspraak: 24 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Abdrahim [persoon A] , die handelt onder de naam [bedrijf A],
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. H. Bulut-Yazir,
tegen
Allianz Benelux N.V., die mede handelt onder de naam Allianz Nederland Schadeverzekering,
vestigingsplaats: Brussel (België),
mede kantoorhoudende in Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. R.H.J. Wildenburg.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘Allianz’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 november 2023, met bijlagen;
het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
het antwoord in reconventie;
de akte overlegging productie van [persoon A] , met een bijlage;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [persoon A] ;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Allianz.
1.2.
Op 15 april 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
de gemachtigde van [persoon A] ;
de heer [persoon B] , teamlid speciale zaken bij Allianz, en de gemachtigde van Allianz.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[persoon A] eist in deze zaak een verklaring voor recht dat Allianz aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van een aanrijding, betaling door Allianz van € 19.413,09 aan schade te vermeerderen met bijkomende kosten en om Allianz te veroordelen om zijn gegevens te verwijderen uit het Interne Verwijzingsregister. Hij heeft daarvoor het volgende aangevoerd.
2.1.1.
Op 10 augustus 2021 heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen de Mercedes van [persoon A] met kenteken [kentekennummer 1] (hierna: de Mercedes) en een bij Allianz verzekerde blauwe Ford Transit met kenteken [kentekennummer 2] (hierna: de Ford). Volgens [persoon A] heeft de bestuurder van de Ford bij het passeren van de in een parkeervak geparkeerde Mercedes de linkerzijde van de Mercedes beschadigd. [persoon A] heeft de schade gemeld bij zijn tussenpersoon JW Verzekeringen, die vervolgens expertisebureau Kattenberg heeft ingeschakeld om de toedracht en omvang van de schade vast te stellen. Naar aanleiding van de bevindingen van Kattenberg heeft JW Verzekeringen Allianz aansprakelijk gesteld voor de schade op grond van de artikelen 3 en 6 WAM en artikel 6:162 BW. Volgens [persoon A] had Allianz de schadeclaim moeten toewijzen en mocht zij de gegevens van [persoon A] niet in het IVR opnemen.
2.2.
Allianz is het niet eens met de eis en heeft een tegeneis ingediend die inhoudt dat [persoon A] € 2.255,44 aan onderzoekskosten met rente aan haar moet vergoeden, omdat [persoon A] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. [persoon A] is het niet eens met de tegeneis. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De uitkomst
2.3.
[persoon A] is niet-ontvankelijk in zijn vordering. In reconventie krijgt Allianz een bewijsopdracht. Hierna wordt uitgelegd waarom.
In conventie: [persoon A] is niet-ontvankelijk
2.4.
[persoon A] was op het moment van dagvaarden niet vorderingsgerechtigd, omdat hij zijn vordering op 11 augustus 2021 aan JW Verzekeringen heeft gecedeerd. [persoon A] is daarom niet-ontvankelijk in zijn eis.
Dat er inmiddels een retrocessie heeft plaatsgevonden maakt het voorgaande niet anders. Die akte dateert namelijk van 18 maart 2024 en op dat moment was deze procedure al gestart.
2.5.
Tijdens de zitting is namens [persoon A] nog aangevoerd dat hij op het moment van dagvaarden wel degelijk over een vorderingsrecht beschikte, maar dat dit nog moest worden geformaliseerd. [persoon A] heeft dit echter onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [persoon A] en JW Verzekeringen de intentie hadden om het vorderingsrecht op een eerdere datum weer in handen van [persoon A] te laten komen. Uit de akte van retrocessie zelf blijkt dit ook niet. Integendeel zelfs, omdat hierin expliciet is opgenomen dat de verplichtingen die voortvloeien uit de akte van cessie vanaf de datum van de akte van retrocessie, te weten 18 maart 2024, weer toekomen aan [persoon A] .
2.6.
De niet-ontvankelijkheid heeft tot gevolg dat de kantonrechter niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de eis in conventie.
2.7.
[persoon A] moet de proceskosten in conventie betalen, omdat hij wordt aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Allianz op € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 543,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.221,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
2.8.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Allianz dat eist en [persoon A] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
In reconventie: Allianz krijgt een bewijsopdracht
2.9.
Volgens Allianz heeft zij schade geleden doordat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld. [persoon A] heeft onjuiste en tegenstrijdige verklaringen over de toedracht van de aanrijding en de gevolgen daarvan afgelegd. Allianz was hierdoor genoodzaakt om Ongevallen Analyse Nederland (hierna: OAN) in te schakelen en heeft daardoor extra onderzoekskosten heeft moeten maken. Allianz wil deze kosten vergoed zien. Tijdens de zitting heeft Allianz toegelicht dat deze kosten bovenop de normale kosten van de schadeprocedure komen en [persoon A] heeft dat niet langer betwist.
2.10.
Voor zover het standpunt van Allianz is dat [persoon A] de aanrijding ten onrechte heeft gepresenteerd als een authentieke aanrijding omdat deze opzettelijk is veroorzaakt, bieden de overgelegde stukken daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. In het rapport van OAN van 8 oktober 2021 wordt daarover niets vermeld, terwijl in het rapport van 23 december 2021 slechts wordt vermeld dat het tactische feitencomplex ruimte biedt voor de gedachte dat de aanrijding mogelijk opzettelijk is veroorzaakt teneinde de oude, al aanwezige vangrailschade vergoed te kunnen krijgen. Deze bevinding, waarbij enige nadere toelichting ontbreekt, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als een voldoende onderbouwing van de stelling dat sprake is van een opzettelijk veroorzaakte aanrijding.
2.11.
Voor zover het standpunt van Allianz is dat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld door te verzwijgen dat sprake is van een eerdere vangrailschade aan de Mercedes, geldt het volgende. Allianz baseert haar stelling dat sprake is van eerdere vangrailschade op het rapport van OAN van 8 oktober 2021. Hierin staat – voor zover relevant – vermeld:
“(…) De Mercedes vertoont diverse kras- en schaafschades en krasdeuken in de van een wrap voorziene plaatdelen, waarin ook een vreemde blauwe substantie is achtergebleven. (…) Het blijkt dat deze krasdeuken qua hoogteplaatsing, onderlinge tussenafstand van ongeveer 0,20 meter en algeheel krasbeeld passend zijn bij een botscontact met vangrail. In figuur 1 is zichtbaar dat de ongetwijfeld van de Ford afkomstige blauwe lak ook aanwezig is ter hoogte van het blauwe kader, daar waar het portier van de Mercedes niet meer voorzien is van een wrap. Het lijkt hierdoor, dat het botscontact met de Ford plaatsvond nadat de wrap al van de bovenzijde van het voorportier van de Mercedes af was gekomen. En dit doet vermoeden dat de met de rode stippellijn aangegeven krasdeuk eerder is ontstaan dan de overdracht van blauwe lak van de Ford op de Mercedes. (…) De schades aan en vormgeving van de Ford zijn vergeleken met de schades aan de Mercedes. Gebleken is dat het merendeel van de schades aan de Mercedes passend zijn bij een botscontact met de Ford. (…). Het blijkt dat de onderste krasdeuk in de Mercedes zich qua hoogteplaatsing (maar niet direct qua vormgeving) zou laten verklaren door een botscontact met de stootlijsten van de Ford. Voor de bovenste krasdeuk in de Mercedes is echter geen op gelijke hoogte aan de linkerzijde van de Ford aanwezig voertuigdeel aan te wijzen. Oftewel: de linkerzijde van de Ford heeft geen voertuigdeel dat de bovenste krasdeuk in de Mercedes kan verklaren. (…).
Kortom: uw indruk lijkt juist. Wij menen dat de Mercedes een vangrailschade vertoont, dat deze vangrailschade al aanwezig was voordat de Mercedes in botscontact kwam met de Ford (…)”.
2.12.
[persoon A] heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van eerdere vangrailschade.
Dictum
De kantonrechter:
In conventie:
3.1.
verklaart [persoon A] niet-ontvankelijk in zijn eis;
3.2.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van Allianz worden begroot op € 1.221,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
In reconventie:
3.4.
draagt Allianz op om te bewijzen dat [persoon A] het bestaan van een eerdere vangrailschade aan de Mercedes heeft verzwegen;
schriftelijk bewijs
3.5.
bepaalt dat als Allianz schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van donderdag 20 juni 2024 om 11:30 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.6.
bepaalt dat als Allianz getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden september tot en met november 2024;
3.7.
wijst erop dat Allianz na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.8.
bepaalt dat als Allianz op een andere manier bewijs wil leveren, Allianz uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
3.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
43416