Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-17
ECLI:NL:RBROT:2024:5040
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,575 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 71-177840-23
Datum uitspraak: 17 april 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 26 januari 2024 en 3 april 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C. Goedegebuure heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde (witwassen in vereniging van een geldbedrag van € 400.000,-);
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt officier van justitie
Uit tapgesprekken en observaties blijkt dat de verdachte op 15 februari 2023 € 400.000,- heeft overgedragen aan de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte). De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op 15 februari 2023 telefoons heeft overgedragen aan de medeverdachte. Deze verklaring is te laat, onvoldoende concreet, niet verifieerbaar en ongeloofwaardig. Het witwasvermoeden volgt uit de modus operandi en het voorhanden hebben en fysiek vervoeren van een grote hoeveelheid contant geld, wat in Nederland volstrekt ongebruikelijk is en aanzienlijke veiligheidsrisico’s meebrengt. Daarom moet worden vermoed dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. De verdachte heeft geen verklaring gegeven van de herkomst van dit geld om dit vermoeden te weerleggen.
De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan witwassen van € 400.000,-.
4.2.
Beoordeling
Uit tapgesprekken volgt dat de medeverdachte contact heeft met een onbekend gebleven persoon over het ophalen van ‘40 stuks’ op 15 februari 2023. Tijdens een observatie zien verbalisanten dat de medeverdachte op 15 februari 2023 zijn auto parkeert op een parkeerplaats in Vlaardingen. Vervolgens zien de verbalisanten dat de verdachte zijn auto naast die van de medeverdachte parkeert en dat de medeverdachte achter in de auto van de verdachte stapt. De verdachte gebaart hierbij naar de medeverdachte en steekt vier vingers op. De medeverdachte stapt daarna uit de auto van de verdachte met een gele tas in zijn handen, die hij op de achterbank van zijn auto neerzet. Ook wordt gezien dat de verdachte met zijn telefoon een foto maakt van een geldbiljet. De medeverdachte heeft bij de politie verklaard dat hij € 400.000,- heeft gekregen van de verdachte.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op verzoek van een vriend telefoons heeft overgedragen aan de medeverdachte. In de tas heeft hij alleen doosjes met telefoonverpakkingen gezien. Hij stelt niet te hebben geweten dat er geld in de tas zou hebben gezeten.
Op basis van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat er op 15 februari 2024 een ontmoeting plaatsvond tussen de verdachte en de medeverdachte waarbij een tas met € 400.000,- in contante gelden werd overgedragen. De hiervoor beschreven gang van zaken heeft alle schijn van een illegale overdracht en de verdachte moet daarop, op zijn minst in voorwaardelijke zin, opzet hebben gehad. Dat de verdachte wist dat hij meewerkte aan een overdracht in het criminele circuit betekent echter nog niet dat hij daarmee ook wist dat hij betrokken was bij witwassen, nu er ook allerhande andere illegale zaken kunnen worden overgedragen, zoals bijvoorbeeld drugs of wapens. In het dossier ontbreken aanwijzingen dat de verdachte wetenschap had (ook niet in voorwaardelijke zin) dat er sprake was van een overdracht van geld. Onbekend is bijvoorbeeld of en hoe het geld verpakt was in de tas en dus of de verdachte door de tas te hebben gezien reeds moest weten dat het om geld ging. De communicatie met [medeverdachte] waarin over het geld gesproken wordt, valt evenmin rechtstreeks te koppelen aan de verdachte. En ook ander bewijs dat de verdachte wist dat hij geld aan het overdragen was, ontbreekt.
4.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Tillema, voorzitter,
en mrs. L. Daum en H.J. de Kraker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2024.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op 15 februari 2023 te Vlaardingen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
hierin bestaande dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), van een of meerdere voorwerp(en), te weten:
een geldbedrag van (in totaal) 400.000 euro;
althans van enig(e) geldbedrag(en)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.