Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-01
ECLI:NL:RBROT:2024:5015
Civiel recht
Beschikking
2,384 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/667379 / HA RK 23-1028
Beschikking van 1 mei 2024
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonend in [woonplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. A. Ramsaroep te Den Haag,
tegen
[verweerder]
,
wonend in [woonplaats 2] ,
verweerder,
advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam.
Partijen worden hierna [verzoekster] en [verweerder] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van 19 oktober 2023, met producties;
de oproepingsbrief van de rechtbank van 29 december 2023;
het verweerschrift;
de brief van mr. Ramsaroep van 12 maart 2024 met aanvullende producties;
de brief van mr. Ray van 14 maart 2024 met productie;
de e-mail van mr. Ray van 18 maart 2024 met aanvullende productie;
de mondelinge behandeling gehouden op 20 maart 2024.
Beoordeling
De achtergrond
2.1.
Partijen zijn in 2002 met elkaar in wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd en in 2014 gescheiden. Zij hebben gerechtelijke procedures gevoerd over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Uiteindelijk hebben zij op 19 september 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die is opgenomen in het kortgedingvonnis van deze rechtbank van 28 september 2022. Daarin staat een finaal kwijtingsbeding. [verzoekster] heeft [verweerder] verzocht om een volmacht zodat zij haar onroerend goed dat zij in Suriname in eigendom heeft, kan verkopen. [verweerder] weigert dat. Hij stelt zich op het standpunt dat het onroerend goed een vergeten bestanddeel uit de huwelijksgemeenschap is dat nog verdeeld moet worden.
Het verzoek
2.2.
[verzoekster] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te gelasten waarin [verweerder] als getuige moet worden gehoord. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verweerder] ’s weigerachtige houding in strijd is met de overeengekomen vaststellingsovereenkomst en met de verleende finale kwijting inzake de verdeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap. [verzoekster] is van plan een procedure te starten om nakoming van het vonnis te bewerkstelligen en meer specifiek [verweerder] te laten veroordelen tot ondertekening van de volmacht. Omdat [verweerder] meent dat het onroerend goed een vergeten bestanddeel uit de huwelijksgemeenschap is, moet [verzoekster] mogelijk bewijzen dat dit niet het geval is. Partijen waren zich bewust van elkaars onroerend goed in Suriname en hadden afgesproken dat zij over en weer zouden afzien van aanspraken op elkaars onroerend goed. [verzoekster] wil [verweerder] onder ede laten horen om haar standpunt te kunnen bewijzen, althans om haar rechtspositie / de slagingskans van haar voorgenomen rechtsvordering te kunnen beoordelen. [verzoekster] wil tijdens het voorlopig getuigenverhoor (onder meer) de volgende vragen aan [verweerder] laten stellen:
“• Waarom werkt u niet mee aan de voorgenomen verkoop / levering van het onroerend goed van de vrouw in Suriname?
• Was u ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst (19 september 2022) bekend met het onroerend goed van de vrouw in Suriname?
• Heeft u zelf onroerend goed in Suriname?
• Heeft u tijdens het huwelijk met de vrouw een pand of enig gebouw laten bouwen in Suriname? Zo ja, op welk adres?
• Was de onderlinge afspraak tussen u en de vrouw dat jullie zouden afzien van het over en weer vorderen van aanspraken op elkaars onroerend goed in Suriname?
• Heeft u voor de ondertekening van de VSO ooit gesproken met iemand over het onroerend goed van de vrouw in Suriname? Zo ja, met wie, wanneer en wat was de inhoud van dat gesprek?
• Betreft het onroerend goed van de vrouw in Suriname een vergeten vermogensbestanddeel uit de huwelijksgoederengemeenschap, zo ja: waarom?
• Wat heeft u bedoeld met de finale kwijting en dat jullie verder niets meer te vorderen hebben van elkaar in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijkse gemeenschap van goederen?”
of om [verweerder] te horen over de feiten en omstandigheden en de partijbedoeling bij de vaststellingsovereenkomst en/of om vast te stellen of het onroerend goed van [verzoekster] in Suriname al dan niet een vergeten bestanddeel is.
Het verweer
2.3.
[verweerder] verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Een getuigenverhoor is overbodig. Het is duidelijk waarom [verweerder] niet zomaar meewerkt aan de levering van het onroerend goed. Hij wist niet dat [verzoekster] ten tijde van het huwelijk onroerend goed had in Suriname. Er is sprake van een vergeten bestanddeel, waarop de finale kwijting niet ziet. Het finaal kwijtingsbeding ziet op de bestanddelen uit de vaststellingsovereenkomst. [verzoekster] heeft onvoldoende belang bij haar verzoek. Als zij kan aantonen dat [verweerder] wist van het onroerend goed in Suriname, moet [verzoekster] ook nog bewijzen dat de door haar gestelde afspraak van partijen om dat onroerend goed buiten de verdeling te laten, is gemaakt.
Het oordeel: het verzoek wordt afgewezen
2.4.
De rechtbank wijst het verzoek af. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
[verzoekster] heeft onvoldoende belang bij een voorlopig getuigenverhoor
2.5.
De reden dat de rechtbank het verzoek afwijst is dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor (artikel 3:303 BW).
2.6.
Het doel van [verzoekster] is om bewijs te verzamelen voor haar stelling dat haar onroerend goed in Suriname geen vergeten bestanddeel is, en daarmee samenhangend om haar proceskansen in een eventuele procedure in te schatten. [verzoekster] is echter al bekend met de (mogelijk) relevante feiten en omstandigheden. [verweerder] heeft de door [verzoekster] voorgestelde vragen voor het verhoor – nog afgezien van de vraag of die in dat kader relevant zijn – voorafgaand aan en/of tijdens deze procedure al beantwoord. Die antwoorden leveren geen bewijs op van het standpunt van [verzoekster] . [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling (voor het eerst) als belang bij haar bij haar verzoek benoemd dat [verweerder] dan onder ede wordt gehoord en naar waarheid moet verklaren, omdat aan hem anders een strafsanctie wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden onvoldoende belang oplevert voor het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Gelet op de antwoorden die [verweerder] in deze procedure heeft gegeven, levert toewijzing van het verzoek, hoogstwaarschijnlijk niets nieuws op, terwijl een voorlopig getuigenverhoor anderzijds wel voor de nodige belasting van de getuige(n), partijen en de rechtspraak zorgt. Bij dit oordeel is meegewogen dat [verzoekster] voor haar stelling dat [verweerder] wist van het onroerend goed van [verzoekster] in Suriname al enig bewijs heeft verzameld in de vorm van schriftelijke getuigenverklaringen – waar tegenover [verweerder] tegenoverstelde verklaringen in het geding heeft gebracht – en dat de rechtbank in de door [verzoekster] voorgenomen procedure eventueel nog een getuigenverhoor kan gelasten. En zelfs als blijkt dat [verweerder] wist van het onroerend goed van de [verzoekster] in Suriname, moet [verzoekster] nog bewijzen dat partijen hebben afgesproken om dat onroerend goed buiten de verdeling te houden. Dat [verzoekster] heeft aangegeven dat zij [verweerder] ook zou willen laten bevragen over de getuigenverklaringen die zij heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals [verweerder] terecht aanvoert heeft [verzoekster] daarbij, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende belang.
Proceskosten
2.7.
[verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:
- griffierecht € 86,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.492,00
Dictum
De rechtbank
3.1.
wijst het verzoek af,
3.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.492,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.
3726/2009