Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-21
ECLI:NL:RBROT:2024:4847
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,609 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4591
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster
(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Inleiding
1. Met het besluit van 4 april 2024 heeft het college de aanvraag voor een indicatie voor begeleiding van PGB-aanbieder [stichting] afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [naam 1] ([stichting]) en [naam 2] (begeleider), de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 3] (kwaliteitsmedewerker).
Beoordeling
3. Verzoekster woont samen met haar minderjarige dochter. Zij ontvangt inmiddels bijna twee jaar hulpverlening via [stichting]. Verzoekster heeft op 30 november 2023 een WMO-indicatie voor begeleiding van PGB-aanbieder [stichting] aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat [stichting] op dit moment wordt getoetst door de gemeente Rotterdam om te beoordelen of zij voldoet aan de minimaal gestelde kwaliteitseisen voor zorgverlening vanuit de WMO. Tijdens dit onderzoek mag [stichting] geen nieuwe cliënten ondersteunen. Verzoekster is het daar niet mee eens.
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
5. Volgens verzoekster is het spoedeisend belang gelegen in het feit dat zij haar huidige zorg-huurcontract met [stichting] zonder PGB niet kan voortzetten en niet langer door [stichting] kan worden gehuisvest. [stichting] heeft verzoekster in afwachting van de toekenning van een PGB huisvesting en begeleiding geboden. Dit heeft door omstandigheden langer geduurd dan voorzien omdat de PGB-aanvraag niet van de grond kwam. Als verzoekster niet bij [stichting] kan verblijven, komt zij met haar dochter op straat te staan.
6. Hoewel vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het spoedeisend belang nu verzoekster inmiddels bijna twee jaar zonder PGB wordt gehuisvest en begeleid door [stichting], ziet de voorzieningenrechter in dit geval aanleiding voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening om de volgende reden.
7.1.
Het ondersteuningsverslag van 14 maart 2024 vermeldt dat verzoekster in aanmerking komt voor ondersteuning op grond van de WMO op de gebieden “opvoedondersteuning” en “sociaal en persoonlijk functioneren” in de vorm van zorg in natura (ZIN). In het verslag staat voorts: “Gezien uw beperkingen en belemmeringen zal er een WMO-indicatie met leveringsvorm Zorg In Natura aan u toegekend worden.”
7.2.
Het college is met het besluit ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat verzoekster gelet op haar ondersteuningsbehoefte in aanmerking komt voor een indicatie op grond van de WMO, los van de vraag hoe invulling wordt gegeven aan deze indicatie. De huisvesting van verzoekster is blijkens het ondersteuningsverslag wel besproken, maar er is niet gemotiveerd waarom er volgens het college op dit gebied geen ondersteuningsbehoefte is. Uit het verslag blijkt dat niet duidelijk is of verzoekster in de door [stichting] verhuurde kamer kan blijven wonen als de WMO-indicatie wordt afgegeven op een andere zorgaanbieder.
7.3.
De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Gelet op het feit dat de ondersteuningsbehoefte voor de huisvesting open is gebleven terwijl verzoekster op dit moment is gehuisvest via [stichting], het onderzoek weliswaar nog niet is afgerond maar niet is gebleken dat deze PGB-aanbieder – op dit moment – niet de voor verzoekster vereiste zorg en ondersteuning zou kunnen en mogen bieden, zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toewijzen in die zin dat verzoekster moet worden behandeld als ware zij in het bezit van een WMO-indicatie voor begeleiding van PGB-aanbieder [stichting] tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster moet worden behandeld als ware zij in het bezit van een WMO-indicatie voor begeleiding van PGB-aanbieder [stichting] tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 4 april 2024 en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster moet worden behandeld als ware zij in het bezit van een WMO-indicatie voor begeleiding van PGB-aanbieder [stichting] tot zes weken na de beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,- te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2024.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.