Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-16
ECLI:NL:RBROT:2024:4820
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Mondelinge uitspraak
1,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/8368
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
Fidinda Financiële Zorg Groep B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerster over de goederen van [naam] ( [naam] ), uit Spijkenisse, eiseres
(gemachtigde: mr. E. Kattestaart),
en
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, het college
(gemachtigde: mr. L. Danielse).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 16 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam 2] (bewindvoerder van [naam] ) en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.
Overwegingen
1. Ter beoordeling staat of het college terecht de door de bewindvoerster namens [naam] ingediende aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting en eerste huur heeft afgewezen. In geschil is of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en of [naam] voor deze kosten heeft kunnen reserveren.
2. Het college voert het beleid dat de kosten waar het in deze zaak om gaat het gevolg moeten zijn van een verhuizing waarvoor een sociale, psychosociale of medische noodzaak bestaat. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen dit beleid zodat er geen aanknopingspunten zijn om dat onredelijk te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar stelling dat er sprake is van een medische noodzaak voor de verhuizing niet aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts volgt dat eiseres in 2010 is behandeld voor borstkanker, maar daaruit volgt niet zonder meer dat er begin 2023 een medische noodzaak bestond voor een verhuizing. Dat er een, niet overgelegde, aanvraag voor een urgentieverklaring is ingediend is daarvoor onvoldoende. [naam] heeft de aanvraag niet doorgezet omdat zij via de reguliere weg een andere woning kreeg toegewezen. Uit de schriftelijke verklaring van de voormalige ambulant begeleider van [naam] volgt dat [naam] beschikt over haar eigen medische bewijsstukken. Het had op de weg van eiseres gelegen deze stukken ter onderbouwing van de medische noodzaak in te brengen. Nu [naam] wordt vertegenwoordigd door een advocaat en haar bewindvoerder en voor hen volstrekt [naam] is dat de medische noodzaak een centraal geschilpunt in deze zaak is, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres alsnog in de gelegenheid te stellen medische stukken in te brengen.
3. Voor de kosten van de eerste huur geldt bovendien dat deze al waren voldaan op het moment dat de aanvraag bij het college is ingediend. De bewindvoerder was ermee bekend dat de aanvraag voorafgaand aan het aangaan van de betalingsverplichting moest worden gedaan en niet aannemelijk is gemaakt dat het niet mogelijk was de aanvraag tijdig in te dienen. De aanvraag voor die kosten is ook om die reden terecht afgewezen.
Wat betreft de gestelde vervoerskosten geldt dat deze niet in de aanvraag waren opgenomen maar pas in bezwaar zijn opgevoerd. Daarom vallen die kosten buiten de omvang van deze procedure.
4. De beroepsgronden slagen niet. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024 door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.