Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-17
ECLI:NL:RBROT:2024:4753
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,034 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf
Parketnummers: 10-335455-22 en 10-183983-22
Parketnummer vordering TUL VV: 10-080756-22
Datum uitspraak: 17 april 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op Curaçao op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [detentieadres] ,
raadsvrouw mr. R.S. Boonstra, advocaat in Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14 maart 2024, 28 maart 2024 en 17 april 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen in de beide zaken. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M.A. van Rijswijk heeft gevorderd:
in de zaken met parketnummers 10-335455-22 en 10-183983-22:
bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10-335455-22 (hierna te noemen: feit 1) en in de zaak met parketnummer 10-183983-22 (hierna te noemen feit 2) ten laste gelegde;
oplegging aan de verdachte van de maatregel ter beschikkingstelling met de voorwaarden die zijn voorgesteld door de reclassering in haar rapport van 29 februari 2024;
schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte onder bovengenoemde TBS-voorwaarden met ingang van de datum waarop de verdachte klinisch kan worden opgenomen;
in de zaak met parketnummer 10-080756-22:
- afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.
4Bewijs en bewezenverklaring
Bewijsverweren
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Voor feit 1 (de belaging) geldt dat niet alle berichten aan de aangever zijn gestuurd maar dat er ook berichten aan anderen zijn gestuurd, en dat bewijs voor de wederrechtelijkheid ontbreekt omdat het voor de verdachte niet duidelijk was dat de aangever geen berichten wenste te ontvangen.
Voor feit 2 (de bedreiging) is er geen steunbewijs voor de aangifte.
Beoordeling
Feit 1
De aangever is tot 28 september 2021 de begeleider van de verdachte geweest toen deze woonde op een woonlocatie van het Leger des Heils. Na conflicten binnen de woonlocatie is op 28 september 2021 de begeleiding van de verdachte op deze woonlocatie gestopt en moest de verdachte elders gaan wonen. Na 28 september 2021 heeft de verdachte aan de aangever vele berichten gestuurd omdat hij het niet eens was met hem feit dat hij uit de woonlocatie was gezet en dat hij onder bewindvoering stond. Ook heeft de verdachte aan anderen dan de aangever berichten gestuurd waarin hij zijn onvrede uitte over de gang van zaken binnen de woonlocatie en over zijn bewindvoering.
De verdachte moet hebben geweten dat de aangever de vele berichten die hij heeft verstuurd niet wilde ontvangen en ook verder geen contact met hem meer wilde hebben omdat hij immers niet meer de begeleider was van de verdachte. Wat betreft de berichten die niet naar de aangever zelf zijn gestuurd geldt dat de verdachte, mede gelet op de inhoud van die berichten, moet hebben geweten dat die berichten via via de aangever zouden kunnen bereiken.
Ook het verweer dat wederrechtelijkheid ontbreekt omdat het voor de verdachte niet duidelijk was dat de aangever geen berichten wenste te ontvangen, wordt verworpen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat de aangever voorafgaand aan een in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) omschreven gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen.
Feit 2
Het verweer dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van de aangever vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Dat steunbewijs bestaat onder meer uit de eigen verklaring van de verdachte bij de politie en uit de verklaring van getuige [getuige] die ook ter plaatse aanwezig was.
Bewezenverklaring en bewijsmotivering
In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten 1 en 2 heeft begaan op die wijze dat:
feit 1
hij in de periode van 25 november 2021 tot en met 5 december 2022 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door
- ( veelvuldig) berichten via WhatsApp naar die [slachtoffer 1] te sturen en- (meermalen) bij het Leger des Heils, locatie Coolhaven, te staan en/of te vragen naar die [slachtoffer 1] en- (meermalen) bedreigingen te uiten richting die [slachtoffer 1]
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
feit 2
hij op 20 juli 2022 te Rotterdam, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door
- een mes, te pakken en (vervolgens) voornoemd mes, aan voornoemde [slachtoffer 2] te tonen en met papier over voornoemd mes, te wrijven en- (vervolgens) aan voornoemde [slachtoffer 2] de dreigende woorden toe te voegen:
"Nu ga je me met rust laten voordat ik mensen begin neer te steken", .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1.
belaging;
2.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Algemene overweging
De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten
De verdachte heeft zijn voormalige begeleider van het Leger des Heils in een periode van ruim één jaar stelselmatig lastig gevallen door hem te bestoken met vele berichten via whatsapp, spraakmemo’s en via derden en zich te bevinden in de omgeving van de werkplek van die begeleider. De verdachte heeft daardoor een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dit heeft bij hem gevoelens van onzekerheid, stress, angst en onveiligheid veroorzaakt. Dit soort gedrag is buitengewoon naar en ingrijpend voor het slachtoffer, zoals ook blijkt uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.
Daarnaast heeft de verdachte een café-medewerker verbaal en met een mes bedreigd. Ook die persoon heeft hij daarmee angst aangejaagd.
Persoonlijke omstandigheden en rapportages
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 februari 2024 blijkt dat de verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Psychiater [naam 1] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd
21 december 2023. Dit rapport houdt het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een matige stoornis in het gebruik van cocaïne. Als gevolg van de verstandelijke beperking en de antisociale persoonlijkheidsstoornis beschikt de verdachte over een zeer beperkte coping. Daarnaast is er ook sprake van een gestoorde controle van agressieve impulsen. Indien sprake is van cocaïnegebruik, kunnen de genoemde problemen van de verdachte worden versterkt. Een psychotische stoornis kon niet worden aangetoond, maar ook niet worden uitgesloten, omdat de verdachte medicatie gebruikt die psychotische verschijnselen onderdrukt.
Het advies is om de beide tenlasteleggingen in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Er is een verminderd overzicht over complexe sociale situaties, waardoor eenvoudig boosheid kan ontstaan die door de gestoorde regulatie van agressieve impulsen eerder kan overgaan in agressie zoals bedreigingen. Het risico op recidive wordt zonder aanvullende interventies hoog ingeschat.
Er wordt geadviseerd om de verdachte klinisch en vervolgens ambulant te behandelen voor
zijn verstandelijke beperking, zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornis in het
gebruik van cocaïne. De behandeling moet bestaan uit gedragsinterventies gericht op het
antisociale gedrag en het beheersen van agressieve impulsen. Mogelijk kan medicatie
hierin ook een rol spelen. Daarnaast is het van belang dat het middelengebruik gestaakt
blijft en indien nodig moet de behandeling zich ook hierop richten. Mogelijk kunnen ook
de cognitieve mogelijkheden van de verdachte nog worden versterkt. Tijdens de behandeling dient ook aandacht te zijn voor diagnostiek en het bestaan van een psychotische
kwetsbaarheid. Verder dient er tijdens de behandeling expliciet aandacht te zijn voor recidive preventie en het advies is om de behandeling in de forensische zorg plaats te laten
vinden. Het advies is ook om de verdachte te behandelen op een afdeling gespecialiseerd in
patiënten met een verstandelijke beperking, zoals Trajectum of een soortgelijke instelling,
waar het beveiligingsniveau geleidelijk kan worden afgebouwd aan de hand van de
voortgang en kan worden toegewerkt naar begeleid wonen. Er wordt niet gedacht aan een langdurige klinische behandeling op het hoogste beveiligingsniveau, omdat er ook recent nog periodes waren waarin de verdachte tijdens het verblijf bij het Leger des Heils beter gedrag liet zien.
Gezien de beperkte motivatie, de uitgebreide voorgeschiedenis, het mislukken van verschillende eerdere interventiepogingen in een voorwaardelijk kader en het
hoge recidiverisico, is het advies om een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Hiermee kan nog enige autonomie bij de verdachte worden gelaten. Indien TBS met voorwaarden toch niet mogelijk blijkt, is het advies om TBS met dwangverpleging op te leggen. Een voorwaardelijk strafdeel zal niet voldoende dwingend zijn om de verdachte tot gedragsverandering te laten komen, vooral ook omdat hij zelf aangeeft dat hij niet gemotiveerd is voor behandeling. Eerdere interventies in een voorwaardelijk kader konden ook niet het huidige tenlastegelegde voorkomen.
GZ-psycholoog [naam 2] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 december 2023. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte heeft een licht verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en er is sprake van een psychotische kwetsbaarheid. Tevens is sprake van een stoornis in cocaïne- en cannabisgebruik in vroege remissie. Het is niet geheel duidelijk of er tevens sprake was van psychotische overschrijdingen ten tijde van ten laste gelegde feiten, hoewel er wel sprake was van achterdocht met een focus op de aangever. Door de aanwezige problematiek heeft de verdachte moeite om complexere situaties te overzien, te komen tot adequate probleemoplossingen en de gevolgen van
zijn eigen gedrag te overzien. Daarnaast kan sprake zijn van impulsief, roekeloos en
agressief gedrag ten gevolge van emotieregulatieproblemen. De verdachte heeft voorts
een beperkt reflectief vermogen en onvoldoende inzicht in de aanwezige problematiek.
Onder invloed van spanningen en het gebruik van middelen kan hij bovendien
in toenemende mate achterdochtig worden.
Het advies is om de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte. De verdachte is kwetsbaar en kan bij aanhoudende spanningen, onvoldoende
structuur en dagbesteding en een gebrek aan (sociale) controle door begeleiding
overvraagd en overprikkeld raken. Hierdoor neemt de kans op agressieve
impulsdoorbraken toe. In situaties waarin de verdachte veel spanningen en negatieve
affecten ervaart, drugs en geen medicatie gebruikt en niet kan terugvallen
op ondersteuning of zorg, is het risico op gewelddadig gedrag in het algemeen matig - hoog. Het risico op (stalking)geweld gericht naar personen door wie de verdachte zich benadeeld voelt, is matig – hoog, evenals het risico op volharding van dit gedrag. De inschatting is dat er in dit scenario een hoog risico is op psychosociale schade bij de verdachte.
Er zijn nauwelijks beschermende functies in de persoonlijkheid of het functioneren
van de verdachte. Door het medicatiegebruik lijkt de verdachte rustiger te worden en is er minder sprake van agitatie/agressiedoorbraken.
Gelet op het beloop en het hoge risico op recidive is het van belang om de behandeling
van de verdachte in eerste instantie klinisch voort te zetten in een forensisch psychiatrische kliniek/forensisch psychiatrische afdeling. De mate van stabilisatie en bereidheid tot het volgen van behandeling zullen, naast de risicoschatting, bepalend zijn voor de setting waarin zijn behandeling na detentie kan worden voortgezet/opgestart. Daarbij is het van belang dat wordt gezocht naar een behandelsetting waar men zorg biedt aan personen bij wie sprake is van een verstandelijke beperking in combinatie met persoonlijkheidsproblematiek/ emotieregulatieproblemen en een psychotische kwetsbaarheid. In het kader van een klinische opname kan verder worden geïnventariseerd onder welke omstandigheden en voorwaarden de behandeling en begeleiding van de verdachte op ambulante basis kan worden voortgezet en is het van belang dat er een geschikte woonplek wordt gevonden waar sprake is van voldoende structuur en toezicht, maar waar de verdachte ook de mogelijkheid heeft om zich terug te trekken. In het kader van resocialisatie is het tot slot van belang dat de verdachte een passende dagbesteding heeft en dat hij meewerkt aan praktische hulpverlening, bijvoorbeeld op het gebied van financiën.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende beslissingen.
Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de tenlastegelegde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.
Gezien de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte, de vele eerdere interventies die niet tot gedragsveranderingen hebben geleid en de verdere persoonlijke omstandigheden van de verdachte, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf en daarnaast een terbeschikkingstelling met voorwaarden.
De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met voorwaarden. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten, het strafblad van de verdachte en het gevaar voor herhaling. Tevens zijn de adviezen van de genoemde gedragsdeskundigen hierbij betrokken.
De onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met voorwaarden zal worden opgelegd, betreffen misdrijven als bedoeld in artikel 37a Sr, eerste lid, aanhef en onder 1. Aan de wettelijke eisen voor het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden is dus voldaan.
Feiten
Aan de terbeschikkingstelling zullen de door de reclassering voorgestelde voorwaarden worden verbonden. Deze worden passend en noodzakelijk geacht en de verdachte heeft toegezegd zijn medewerking te zullen verlenen aan deze voorwaarden. Ook zal de dadelijke uitvoerbaarheid worden gelast om een toezichtloze periode tussen de beëindiging van de voorlopige hechtenis en de aanvang van de terbeschikkingstelling met voorwaarden te vermijden, in aanmerking genomen de rapporten van de gedragsdeskundigen.
De door de reclassering geadviseerde voorwaarde om ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel conform artikel 38z Sr op te leggen, wordt niet gevolgd. De beide deskundigen hebben deze maatregel niet geadviseerd en het langdurig toezicht in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt voldoende geacht om het risico op herhaling te minimaliseren. Hierbij wordt meegewogen dat de verdachte tijdens eerder verblijf bij het Leger des Heils, als hij goed is ingesteld op medicatie, beter gedrag heeft laten zien.
8Benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Vordering
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit [benadeelde partij] , bijgestaan door de raadslieden mr. M. van der Marel en mr. D. Marcus, beiden advocaat te Eindhoven. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.000,- voor geleden materiële schade. Aanvankelijk werd daarnaast ook een schadevergoeding wegens geleden immateriële schade verzocht van € 5.000,-, maar zeer kort voor de terechtzitting is dit bedrag verhoogd naar € 88.674,-. Tevens wordt gevraagd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2021 alsmede het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De behandeling van de (vermeerderde) vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en de benadeelde partij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Standpunt verdediging
De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering, primair vanwege de bepleite vrijspraak, subsidiair omdat de vordering niet eenvoudig van aard is.
De vordering is ook onvoldoende onderbouwd.
Beoordeling
De gevorderde vergoeding voor de materiële schade zal, nu deze is betwist en onvoldoende is onderbouwd met stukken, niet-ontvankelijk worden verklaard. De enkele verklaring van de werkgever dat de benadeelde partij vanaf 1 november 2022 tot en met 4 februari 2024 uitgevallen is geweest naar aanleiding van incidenten met een deelnemer, geeft geen inzicht in de gevorderde loonkosten die de benadeelde partij, in zijn functie als “zzp’er begeleider personen en wonen” naast zijn werkzaamheden bij zijn werkgever, stelt te zijn misgelopen.
De gevorderde vergoeding voor immateriële schade is toewijsbaar tot een bedrag van
€ 2.000,-. Dit bedrag wordt billijk geacht, gezien de aard en de ernst van het door de verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde delict en gelet op de aannemelijk geachte impact die dit delict op de benadeelde partij heeft gemaakt.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in wat hij aan vergoeding voor immateriële schade meer heeft gevorderd, nu dat meerdere niet zonder meer volgt uit de aard en ernst van het gepleegde delict en een voldoende schriftelijke onderbouwing van die schade ontbreekt, bijvoorbeeld de verklaring van een gedragsdeskundige. Het overgelegde dossier met contactmomenten (het journaal) met de huisarts [naam 3] , is onvoldoende om daarop deze schade te baseren. Bovendien is de gewijzigde vordering pas zeer kort voor de zitting ingediend, waardoor de raadsvrouw van de verdachte, mede gezien de omvang van de vermeerdering, onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich daarop in voldoende mate voor te bereiden en daarop op een verantwoorde wijze te reageren.
Zoals gevorderd zal het te vergoeden bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2021 en wordt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan de verdachte opgelegd.
Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
9Vordering tenuitvoerlegging
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 4 juli 2022 is de verdachte ter zake van onder andere een bedreiging veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 19 juli 2022.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 9 augustus 2022 de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand.
Beoordeling
De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat die tenuitvoerlegging, gelet op de aan de verdachte op te leggen tbs-maatregel, geen doel meer dient. Daarom wordt de vordering afgewezen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
11Voorlopige hechtenis
Omdat aan de verdachte geen vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd noch een maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt of kan meebrengen onvoorwaardelijk zal worden opgelegd, zal ̶ zoals voorgeschreven in artikel 72, derde lid van het Wetboek van Strafvordering ̶ het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden worden opgeheven.
Dit betekent dat de rechtbank niet meer kan toekomen aan de door de officier van justitie gevorderde schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip dat de verdachte kan worden opgenomen in een zorginstelling, een van de door de reclassering voorgestelde voorwaarden bij de terbeschikkingstelling, welke zorginstelling tot op heden nog niet gevonden is. De wens van de officier van justitie dat die opname meteen aansluit op de voorlopige hechtenis is begrijpelijk, maar de wet biedt daarvoor geen ruimte.
12Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:
de veroordeelde maakt zich niet schuldig aan strafbare feiten;
de veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. De medewerking houdt onder andere in:
de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
de veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken afnemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de veroordeelde vast te stellen;
de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
de veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
de veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
de veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
de veroordeelde werkt mee aan een time-out, in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per kalenderjaar;
de veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
de veroordeelde laat zich opnemen en behandelen in een zorginstelling dan wel een forensische instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start direct aansluitend aan detentie. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden, doch maximaal één jaar. De veroordeelde houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en controle kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
de veroordeelde laat zich ambulant behandelen (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname). Aansluitend aan zijn klinische behandeling laat de veroordeelde zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en controle kan onderdeel zijn van de behandeling;
de veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Aansluitend aan zijn klinische opname zal de veroordeelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
de veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek of andere controlemiddelen. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
de veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer 1] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
de veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft aan de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de terbeschikkinggestelde ten behoeve daarvan te begeleiden alsmede hulp en steun te verlenen;
bepaalt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 2.000,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in vordering tot vergoeding van de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 4 juli 2022 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, voorzitter,
en mrs. C. Sikkel en M.K.