Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-16
ECLI:NL:RBROT:2024:4456
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,200 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/996717-17
Datum uitspraak: 16 april 2024
Tegenspraak
Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] (Spanje),
raadslieden mrs. P.J. van Hagen en R. Jeronimus, advocaten te Breda.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie, mr. P. van de Kerkhof, heeft gevorderd de bewezenverklaring van het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 primair ten laste gelegde.
De verdediging heeft geen (bewijs)verweren gevoerd.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
[medeverdachte rechtspersoon 1] . op 26 oktober 2015 te Leiden en Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (elektronische) aangifte
voor de omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2015 (DOC-337), onjuist heeft gedaan, althans heeft laten doen door (een medewerker van) [naam administratiebedrijf] .,
immers hebben [medeverdachte rechtspersoon 1] . en/of haar mededader toen en daar opzettelijk in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn, gezonden aangifte voor de omzetbelasting over genoemd tijdvak,
valselijk en in strijd met de waarheid bij "Omzetbelasting leveringen/diensten algemeen tarief " en/of "Verschuldigde omzetbelasting" en/of "Totaal te betalen " 0" ingevuld , terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
2. ( subsidiair)
[medeverdachte rechtspersoon 2] . op 26 oktober 2015 te Leiden en Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een elektronische aangifte voor de omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2015 (DOC-338), onjuist heeft gedaan, althans heeft laten doen door (een medewerker van) [naam administratiebedrijf] .,
immers hebben [medeverdachte rechtspersoon 1] . en/of haar mededaders toen en daar opzettelijk in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn gezonden aangifte voor de omzetbelasting over genoemd tijdvak, valselijk en in strijd met de waarheid bij "Omzetbelasting leveringen/diensten algemeen tarief" en/of "Verschuldigde omzetbelasting" en/of "Totaal te betalen" "0" ingevuld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
3.
[medeverdachte rechtspersoon 1] . in de periode van 30 april 2016 tot en met 23 januari 2018
te Leiden, meermalen, (telkens) opzettelijk de belasting welke op de aangiften omzetbelasting over de aangiftetijdvakken 1e kwartaal 2016 en 2e kwartaal 2016 moest worden voldaan of afgedragen te weten :
- een bedrag aan omzetbelasting ad EUR 6.720,- dat op een factuur ten name van [medeverdachte rechtspersoon 1] . gedateerd 04-01-2016 in rekening is gebracht (DOC-018),
en
- een bedrag aan omzetbelasting ad EUR 8.032,12 dat op een factuur ten name van [medeverdachte rechtspersoon 1] . gedateerd 03-03-2016 in rekening is gebracht (DOC-019),
en
- een bedrag aan omzetbelasting ad EUR 12.257,96 dat op een factuur ten name van [medeverdachte rechtspersoon 1] , gedateerd 08-04-2016 in rekening is gebracht (DOC-020), niet, dan wel niet binnen de in de Belastingwet gestelde termijn heeft betaald, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
4.
hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 15 februari 2019 te Apeldoorn(telkens) opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (elektronische) aangiften voor de inkomstenbelasting betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) jaren 2010, 2011, 2014, 2015 en/of 2016 (1-AMB-017) niet heeft gedaan, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1.
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
2. subsidiair:
medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
3.
opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
4.
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7Strafmotivering
7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Procesafspraken en vaststellingsovereenkomsten
Het Openbaar Ministerie (OM), de verdachte, de medeverdachte rechtspersonen, [medeverdachte rechtspersoon 1] . en [medeverdachte rechtspersoon 2] ., hebben procesafspraken gemaakt. De procesafspraken zijn gedateerd op 27 maart 2024.
Beoordeling
Op de zitting van 16 april 2024 zijn de procesafspraken met de verdachte in aanwezigheid van zijn raadslieden besproken. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting ondubbelzinnig verklaard dat hem de procesafspraken duidelijk zijn, dat hij zich ervan bewust is dat hij afstand doet van bepaalde verdedigingsrechten uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat hij de zaak door middel van de procesafspraken wenst af te doen. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij zijn betalingsverplichtingen uit de vaststellingsovereenkomsten met de Belastingdienst zal nakomen.
De rechtbank heeft jegens partijen tijdens de zitting benadrukt dat de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank de procesafspraken kan afwijzen indien er op basis van het dossier onvoldoende grond bestaat voor een vaststelling van schuld, de kwalificatie van het feit niet aansluit bij de inhoud van het dossier, dan wel wanneer zij de te eisen straf niet passend acht.
De rechtbank is mede op grond van de bespreking ter zitting van oordeel dat de verdachte
vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). Ook overigens is sprake van een eerlijk proces en is voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt.
7.5.
Strafeis van de officier van justitie ter terechtzitting
De officier van justitie heeft op de terechtzitting de straffen geëist conform de procesafspraken.
7.6.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de gemaakte procesafspraken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.7.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als bestuurder van de rechtspersonen [medeverdachte rechtspersoon 1] . en [medeverdachte rechtspersoon 2] schuldig gemaakt aan omzetbelastingfraude. De verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk meermalen onjuist indienen van aangiften omzetbelasting van deze rechtspersonen en het niet (tijdig) betalen van omzetbelasting. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan inkomstenbelastingfraude. Hij heeft opzettelijk geen aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2014, 2015 en 2016 gedaan, terwijl hij daartoe verplicht was. Deze fraudeleuze handelswijze heeft als gevolg dat de overheid financieel fors is benadeeld. Voorts ondergraaft een dergelijke handelswijze de goede werking van het systeem voor de heffing van belastingen, dat afhankelijk is van de indiening en betrouwbaarheid van belastingaangiften. Bovendien schaadt een dergelijk handelen het vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling en leidt het tot een verzwaring van de belastingdruk bij andere belastingplichtigen.
De verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door financieel gewin en heeft zich verrijkt ten koste van de overheid en de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
7.8.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 januari 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
7.9.
Conclusie
De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de strafmodaliteit georiënteerd op straffen die in andere vergelijkbare strafzaken doorgaans worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten zou een gevangenisstraf op haar plaats zijn. Tot die straf komt de rechtbank niet. De rechtbank zal een andere afweging maken, met het oog op de gemaakte procesafspraken en de betalingsverplichting van € 1.327.465,- die op de verdachte rust op grond van de vaststellingsovereenkomsten met de Belastingdienst. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze betalingsverplichting een mitigerend effect heeft op de strafmaat. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de leeftijd van de verdachte, hij is thans 73 jaar, en op de overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaar.
De rechtbank overweegt verder dat de procesafspraken een efficiënte en effectieve afdoening van de zaak dienen. De verdachte is akkoord gegaan met de gevorderde straffen en zal naar verwachting geen hoger beroep instellen. Bovendien heeft hij op de zitting verklaard dat hij bovengenoemde betalingsverplichting zal voldoen.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en acht zij oplegging daarvan passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 en 69a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen;
veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
1 (één) jaar;
bepaalt dat de voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde, die daaraan van rechtswege is verbonden, gedurende de proeftijd niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 155.000, - (honderdvijfenvijftigduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenburg en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
[medeverdachte rechtspersoon 1] .
op of omstreeks 26 oktober 2015
te Leiden en/of Apeldoorn, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (elektronische) aangifte
voor de omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2015
(DOC-337), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of
laten doen door (een medewerker van) [naam administratiebedrijf] ., in elk geval
door (een) ander(en),
immers heeft/hebben [medeverdachte rechtspersoon 1] . en/of haar mededader(s) toen en daar
opzettelijk op/in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst
te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, ingeleverde/gezonden aangifte voor
de omzetbelasting over genoemd tijdvak,
valselijk en in strijd met de waarheid bij "Omzetbelasting leveringen/diensten
algemeen tarief " en/of "Verschuldigde omzetbelasting" en/of "Totaal te
betalen " 0" ingevuld en/of doen invullen,
terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht
heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte
feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,
voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde
betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd,
2.
[medeverdachte rechtspersoon 2] .
in of omstreeks de periode van 31 oktober 2015 tot en met 19 januari 2018
te Leiden, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander (en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk de belasting welke op de aangifte omzetbelasting over het
aangiftetijdvak 3e kwartaal 2015 moest worden voldaan of afgedragen, te weten
in ieder geval:
- een bedrag aan omzetbelasting ad EUR 29.505,- dat op een factuur gedateerd
21-09-2015 in rekening is gebracht (DOC-017),
althans enig (e) bedrag(en),
niet, dan wel niet binnen de in de Belastingwet gestelde termijn heeft
betaald, althans heeft doen of laten betalen,
tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht
heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte
feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,
voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde
betekenis is gegeven , geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Subsidiair voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte rechtspersoon 2] .
op of omstreeks 26 oktober 2015
te Leiden en/of Apeldoorn, althans (elders) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (elektronische) aangifte
voor de omzetbelasting betreffende het aangiftetijdvak 3e kwartaal 2015
(DOC-338), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of
laten doen door (een medewerker van) [naam administratiebedrijf] ., in elk geval
door (een) ander(en),
immers heeft/hebben [medeverdachte rechtspersoon 1] .