Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-02
ECLI:NL:RBROT:2024:4437
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,765 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummer: 10/005506-24
Datum uitspraak: 2 mei 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2006,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 18 april 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie, mr. C.C. Brandwijk, heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 55 dagen met aftrekvan voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de algemene voorwaarde en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, onderwijs volgen ten behoeve van het behalen van een startkwalificatie, meewerken aan coaching (Kansrijk) en meewerken aan het zoeken en vasthouden van een positieve vrijetijdsbesteding, bijvoorbeeld in de vorm van een bijbaan;
met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 5 januari 2024 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,tezamen en in vereniging met anderen wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten haventerrein van de Kramer Group.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft in de nacht van 5 januari 2024 wederrechtelijk verbleven op het afgesloten haventerrein van het bedrijf Kramer Group, gelegen te Maasvlakte Rotterdam.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de afgelopen tijd met regelmaat personen worden aangetroffen op de besloten haventerreinen in Rotterdam, die daar wederrechtelijk verblijven. Deze personen verschaffen zich doorgaans de toegang tot het haventerrein door over toegangshekken te klimmen en zij proberen daar containers open te breken om partijen waardevolle goederen of partijen voor de gezondheid schadelijke (verdovende) middelen uit deze containers te halen. Een belangrijke aanwijzing voor de plannen van de verdachten is dat bij hen een tas met daarin een betonschaar, geschikt om een container open te breken, is aangetroffen.
Dit soort delicten wordt in de regel in georganiseerd verband gepleegd. Een verdachte die op een haventerrein wordt aangetroffen en daarvoor geen duidelijke en verifieerbare reden wil of kan geven, zoals in het geval van de verdachte, wekt daarmee de verdenking dat hij zich met dergelijke criminele activiteiten inlaat.
Havens zijn bovendien van essentieel belang voor het economisch verkeer en het maatschappelijk leven. Vanwege deze belangrijke functie is het van belang dat havens ongestoord kunnen functioneren. Handhaving, toezicht, opsporing en aanhouding vergen veel capaciteit van de toezichthouders en opsporingsdiensten vanwege de grootschalige inzet van mensen en middelen nadat (een) indringer(s) is/zijn gesignaleerd. Hieraan zijn aanzienlijke kosten verbonden, ook voor de betreffende containerbedrijven.
Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
21 maart 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 april 2024. De Raad rapporteert dat er in het strafrechtelijk kader diverse inspanningen zijn verricht om tot een gedragsverandering te komen en om de kans op recidive te verminderen. De verschillende interventies hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Er worden risicofactoren gezien in de domeinen gezin, school, vrije tijd, relaties, houding en agressie. Het delictgedrag van de verdachte hangt samen met de omgang met antisociale vrienden, beïnvloeding, het maken van denkfouten, het gebrek aan motivatie voor school of andere dagbesteding en een beperkte aansturing vanuit de thuissituatie. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag, waarvan hij moeilijk de gevolgen of consequenties kan overzien. De moeizame schoolgang van de verdachte is een belangrijk aandachtspunt. Er is een maatregel van toezicht en begeleiding met bijzondere voorwaarden noodzakelijk om de recidivekans te verminderen. De (deels) voorwaardelijke taakstraf dient als stok achter de deur voor de verdachte om te kiezen voor een positieve toekomst en mee te werken aan de bijzondere voorwaarden. Doordat een systemische behandeling eerder niet van de grond is gekomen, acht de Raad het van belang om in te zetten op persoonlijke behandeling van de verdachte bij De Waag. Een behandeling wordt echter niet geadviseerd als bijzondere voorwaarde, omdat eerdere trajecten moeizaam zijn verlopen. De Raad wil de verdachte met klem adviseren om aan een persoonlijkheidsonderzoek (PO) mee te werken. Dit is nodig om meer zicht te krijgen op zijn mogelijkheden en denkwijze, zodat verdere begeleiding hierop kan worden aangepast.
De Raad adviseert een (deels) voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, met als bijzondere voorwaarden onder meer dat de verdachte:
zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de WSS te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en dat hij zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
onderwijs volgt ten behoeve van het behalen van een startkwalificatie;
meewerkt aan coaching (Kansrijk);
meewerkt aan het zoeken en vasthouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan of sport.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
[persoon A] , werkzaam als jeugdreclasseerder bij de WSS, heeft op de terechtzitting naar voren gebracht dat de WSS achter het advies van de Raad staat. Het is belangrijk dat de verdachte meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding, naar school gaat en een stageplek vindt. De begeleiding door de coach verloopt positief. De verdachte houdt zich goed aan de afspraken met de coach en de jeugdreclasseerder.
7.4.
Conclusie
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal – in lijn met de eis van de officier van justitie – een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Omdat de verdachte is gebaat bij toezicht en begeleiding, zal de rechtbank aan dit voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals hiervoor weergegeven en geadviseerd door de Raad.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 138aa van het Wetboek van Strafrecht.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 14 (veertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
zal meewerken aan de begeleiding door een coach vanuit Kansrijk, zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
gedurende de proeftijd onderwijs en/of stage zal volgen volgens het rooster van de school ten behoeve van het behalen van een startkwalificatie;
gedurende de proeftijd zich zal inzetten voor het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan en/of sport;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.A.J. de Nijs en D.E. van Hout, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 mei 2024.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 5 januari 2024 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen,
te weten het besloten haventerrein van de Kramer Group.