Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-03
ECLI:NL:RBROT:2024:4302
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,371 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10912766 CV EXPL 24-2682
datum uitspraak: 3 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Menzis Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Wageningen,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
[gedaagde] ,
Woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Menzis’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 24 januari 2024, met bijlagen;
het antwoord (e-mails van [gedaagde] van 25 en 31 januari 2024);
de repliek, met bijlagen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekering bij Menzis (gehad). In deze zaak eist Menzis betaling van onbetaalde zorgkostennota’s met bijkomende kosten.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis, omdat sprake is (geweest) van financiële omstandigheden waardoor hij de facturen niet kon betalen. Bovendien is Menzis onzorgvuldig omgegaan met zijn medische gegevens en is zijn privacy daardoor geschonden. Hij heeft daarom een klacht ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens en verzoekt de kantonrechter de zaak aan te houden totdat er over deze kwestie uitspraak is gedaan.
2.3.
Menzis heeft gereageerd op het antwoord van [gedaagde] . Zij voert aan dat zowel de financiële omstandigheden als de ingediende klacht over de vermeende privacyschending geen gevolgen hebben voor de verplichting van [gedaagde] om de facturen te betalen.
2.4.
[gedaagde] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd op de nadere stellingen van Menzis.
De uitkomst
2.5.
De eis van Menzis wordt toegewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
[gedaagde] moet de zorgkostennota’s betalen
2.6.
De hoofdsom is toewijsbaar. De kantonrechter gaat uit van de juistheid van de bij repliek ingenomen stellingen van Menzis, omdat [gedaagde] daarop niet meer heeft gereageerd. In deze zaak staat daarom vast dat [gedaagde] de nota’s ondanks aanmaningen niet heeft betaald. De persoonlijke en financiële omstandigheden die [gedaagde] heeft aangevoerd, hoe moeilijk deze voor hem ook zijn, vallen in zijn risicosfeer en leiden niet tot verval of uitstel van zijn betalingsverplichting. De klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens staat ook los van de betalingsverplichting van [gedaagde] .
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.7.
De incassokosten van € 135,18 zijn eveneens toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente is toewijsbaar, omdat Menzis genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Conclusie
2.9.
Met zijn betalingen op 4 maart 2023 (vóór het uitbrengen van de dagvaarding) van € 351,33 in totaal heeft [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten en verschenen rente betaald (artikel 6:44 BW). Het resterende bedrag van € 182,68 gaat van de toewijsbare hoofdsom af. Er staat nu dus, zoals Menzis ook heeft berekend, € 938,65 aan hoofdsom open. De conclusie is daarom dat [gedaagde] nog € 938,65 met rente aan Menzis moet betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Menzis op € 130,49 aan dagvaardingskosten, € 328,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 795,99. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Menzis dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen € 938,65 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de openstaande hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Menzis worden begroot op € 795,99;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en in het openbaar uitgesproken.
43416