Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-30
ECLI:NL:RBROT:2024:3952
Civiel recht; Arbeidsrecht
Proces-verbaal
1,406 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10855636 VZ VERZ 23-10622
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op 30 april 2024
in de zaak van
Stichting Centrum voor Vrijwillige en Professionele
Maatschappelijke Dienstverlening (CVD) (hierna: ‘werkgever’),
vestigingsplaats: Rotterdam,
verzoekster,
gemachtigde: mr. E.V.H. van Tricht,
tegen
[verweerster]
(hierna: ‘werkneemster’),
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.J. Blom.
De kantonrechter is mr. C.J. Frikkee en de griffier is mr. T.J. Veth.
Aanwezig zijn:
namens CVD [naam 1] (teamleider) en [naam 2] (teamleider P&O), met de gemachtigde van CVD mr. E.V.H. van Tricht, en
[verweerster] , met haar dochter en haar gemachtigde mr. M.J. Blom.
De kantonrechter bespreekt de zaak met partijen. Partijen lichten hun standpunt toe en beantwoorden de vragen van de kantonrechter. De griffer maakt aantekeningen van wat wordt gezegd. De kantonrechter doet vervolgens op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak en deze luidt als volgt.
Beoordeling
1.1.
De kantonrechter heeft deze stukken ontvangen:
• het verzoekschrift van 27 december 2023, met bijlagen;
• het verweerschrift van 13 februari 2024, met bijlagen;
• het verzoek van CVD van 19 februari 2024 om de zaak aan te houden;
• de e-mail van [verweerster] van 20 februari 2024 waarin zij instemt met aanhouding;
• de brief van CVD van 14 maart 2024, met bijlagen, met het verzoek de zaak toch te plannen;
• de brieven met bijlagen van CVD van 25 april 2024 en 29 april 2024.
1.2.
Werkneemster is geboren op [geboortedatum] en op 1 november 2018 in dienst getreden bij werkgever. De zitting op 22 februari 2024 is niet doorgegaan op verzoek van partijen, omdat zij in gesprek waren over een regeling.
1.3.
Werkgever heeft werkneemster een vaststellingsovereenkomst aangeboden. In die overeenkomst (onder N) is werkneemster gewezen op de wettelijke bedenktermijn van veertien dagen. De gemachtigde van werkneemster is op 20 februari 2024 ondubbelzinnig en zonder het maken van een voorbehoud akkoord gegaan met tekst en inhoud van die overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat op die dag, 20 februari 2024 dus, de bedenktermijn van veertien dagen als bedoeld in artikel 670b lid 2 Burgerlijk Wetboek is gaan lopen. Werkneemster heeft op 6 maart 2024 een beroep gedaan op de bedenktermijn en de vaststellingsovereenkomst toen willen ontbinden. Dat is te laat, want buiten de termijn van veertien dagen.
1.4.
De uitspraak van de rechtbank Rotterdam uit 2016, waar werkneemster een beroep op doet, is in de beginperiode van de Wet werk en zekerheid gewezen. In die uitspraak is geoordeeld dat de wettelijke bedenktermijn van veertien dagen pas gaat lopen op het moment dat werkneemster haar handtekening zet. Dat is in deze zaak op 22 februari 2024 gebeurd. Het is inmiddels echter vaste rechtspraak dat de bedenktermijn gaat lopen op het moment dat (de gemachtigde van) werkneemster schriftelijk akkoord gaat. En dat is in deze zaak dus op 20 februari 2024 gebeurd.
1.5.
Werkgeefster heeft haar ontbindingsverzoek, dat dus al ingediend was toen partijen hun vaststellingsovereenkomst sloten, omgezet in een voorwaardelijk ontbindingsverzoek, voor het geval werkneemster wel tijdig een beroep op de bedenktermijn heeft gedaan. Dat heeft zij echter niet gedaan. Aan de arbeidsovereenkomst komt een einde met de vaststellingsovereenkomst (waarin is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst op 1 augustus 2024 eindigt). De voorwaarde is dus niet vervuld. Werkgever is daarom niet-ontvankelijk in haar (gewijzigde) verzoek en de kantonrechter komt daarom niet toe aan (verdere) inhoudelijke beoordeling van het ontbindingsverzoek en ook niet aan beoordeling van de door Zghoudi in het verweerschrift gedane verzoeken.
1.6.
In de vaststellingsovereenkomst zijn geen afspraken gemaakt over de kosten van de procedure, maar wel dat over en weer finale kwijting wordt verleend. Dat impliceert dat partijen ieder de eigen kosten betalen. Het uitgangspunt is in een zaak als deze, een ontbindingsverzoek, is ook dat partijen ieder de eigen (verdere) proceskosten betalen. De kantonrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.
Dictum
De kantonrechter:
2.1.
verklaart werkgever niet-ontvankelijk in haar verzoek;
2.2.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten betalen.
Waarvan buiten aanwezigheid van partijen dit proces-verbaal is opgemaakt dat door de kantonrechter is ondertekend.
686
ECLI:NL:RBROT:2016:996
Zie onder meer:
Kantonrechter Rotterdam 14 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7225
Kantonrechter Haarlem 6 juli 2021, ECLI:NL: RBNHO:2021:9155
Kantonrechter Bergen op Zoom 15 februari 2017, ECLI:NL: RBZWB:2017:1155
Kantonrechter Amsterdam 28 maart 2017, ECLI:NL: RBAMS:2017:3432
Kantonrechter Zwolle 12 maart 2019, JIN 2019/80
Kantonrechter Leiden 1 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:8371