Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-18
ECLI:NL:RBROT:2024:3907
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,583 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7148
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris),
(gemachtigde: mr. A. Houben).
Inleiding
1.1
Met het besluit van 19 mei 2023 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris het verzoek tot naturalisatie van eiser afgewezen. Met het besluit van 18 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van het naturalisatieverzoek gebleven. De staatssecretaris heeft dit besluit op 31 oktober 2023 nog aangevuld (het bestreden besluit).
1.2.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Eiser stelt de Togolese nationaliteit te hebben. Eiser heeft in 2007 onder de Regeling ter afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov) een verblijfsvergunning gekregen. Op 29 december 2021 heeft eiser een verzoek tot naturalisatie ingediend.
2.2.
Bij brief van 24 november 2022 heeft de staatssecretaris aan eiser bekend gemaakt het voornemen te hebben dit verzoek tot naturalisatie af te wijzen, omdat gerede twijfel bestaat aan zijn identiteit en nationaliteit. De staatssecretaris heeft eiser hierbij in de gelegenheid gesteld om alsnog zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen door een gelegaliseerde geboorteakte en een paspoort uit het land van herkomst over te leggen. Op 11 april 2023 heeft eiser een kopie van zijn gelegaliseerde geboorteakte overgelegd.
2.3.
De staatssecretaris heeft vervolgens met het primaire besluit van 19 mei 2023 het verzoek tot naturalisatie afgewezen, omdat nog steeds twijfel bestaat over de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit.
2.4.
Eiser heeft tijdens de bezwaarfase een Nederlands reisdocument, afgegeven op 21 februari 2019, overgelegd aan de staatssecretaris. Verder heeft eiser bij brief van 19 oktober 2023 een kopie van een Togolese identiteitskaart (afgegeven op 10 oktober 2023), een kopie van een in Togo bij eiser verrichte bloedanalyse van medio september 2023 en een certificaat betreffende eisers Togolese nationaliteit overgelegd.
2.5.
Met het besluit van 18 oktober 2023 heeft de staatssecretaris het primaire besluit gehandhaafd. Eiser is weliswaar, gelet op de eerder aan hem verleende Ranov-vergunning, vrijgesteld van de verplichting om nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten te overleggen, dit laat echter onverlet dat geen twijfel mag bestaan over die identiteit en nationaliteit. In het geval van eiser bestaat hierover wel twijfel. Tijdens de asielprocedure van eiser heeft de Minister van Buitenlandse Zaken onderzoek verricht naar de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het individuele ambtsbericht van 5 april 2001. Als gevolg hiervan werd het asielrelaas als ongeloofwaardig aangemerkt, waardoor ook wordt getwijfeld aan de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit. De door eiser overgelegde kopie van de gelegaliseerde geboorteakte kan deze twijfel niet wegnemen.
2.6.
Omdat het aanvullend bezwaarschrift van eiser gedateerd op 19 oktober 2023 (ontvangen door de staatssecretaris op 17 oktober 2023) met bijlagen niet is meegenomen in het besluit van 18 oktober 2023, heeft de staatssecretaris dit besluit alsnog aangevuld op 31 oktober 2023. De staatssecretaris heeft hierin overwogen dat ook de aanvullende overgelegde documenten niet de in het eerdere besluit toegelichte twijfel omtrent eisers identiteit en nationaliteit kunnen wegnemen. Eiser kan de twijfel aan zijn identiteit alleen wegnemen door middel van het overleggen van een originele geboorteakte.
2.7.
Op 8 november 2023 heeft eiser zijn originele geboorteakte aan de staatssecretaris overgelegd.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris terecht het verzoek tot naturalisatie van eiser heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat het beroep betrekking heeft op zowel het besluit van 18 oktober 2023 als op de door de staatssecretaris gedane aanvulling van 31 oktober 2023.
Heeft de staatssecretaris terecht gesteld dat sprake is van twijfel aan de identiteit en nationaliteit van eiser?
5. Volgens de staatssecretaris is sprake van gerede twijfel aan de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit. Uit het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verrichte onderzoek naar de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit, waarvan de resultaten zijn weergegeven in het individuele ambtsbericht van 5 april 2001, blijkt dat zowel de vader als de moeder van eiser niet te traceren waren op de door hem aangegeven plaatsen. Ook kwam eisers naam niet voor in de schoolregisters en herkenden de leraren eiser niet op de door hem genoemde school hem niet. Het asielrelaas van eiser is daarom als ongeloofwaardig aangemerkt, zodat ook wordt getwijfeld aan de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit. Uiteindelijk heeft eiser wel een Ranov-vergunning gekregen.
6. Volgens eiser stelt de staatssecretaris ten onrechte dat er gerede twijfel bestaat over zijn identiteit en nationaliteit. Tijdens de zitting voert eiser aan dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, omdat onduidelijk is welk onderzoek precies is verricht. Eiser kwam op jonge leeftijd naar Nederland, het is dan ook voorstelbaar dat hij niet wist van het ambtsbericht. Eiser wijst in dit kader nog op stukken uit zijn asieldossier.
7.1.
Op grond van de artikelen 7 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en artikel 31 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN) kan de staatssecretaris van de verzoeker tot naturalisatie verlangen dat hij zijn identiteit en nationaliteit bewijst met gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), is de verlening van het Nederlanderschap, wegens de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht en is het in de naturalisatieprocedure aan de staatssecretaris om te beoordelen of de verzoeker met de door hem overgelegde documenten zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond.
7.2.
Ten aanzien van Ranov-vergunninghouders, zoals in het geval van eiser, geldt sinds 1 november 2021 dat zij zijn vrijgesteld van het documentvereiste. Hierbij blijft echter wel het uitgangspunt dat gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit, bijvoorbeeld naar aanleiding van een taalanalyse of een leeftijdsonderzoek, reden kan zijn voor afwijzing, ook als iemand is vrijgesteld van het documentvereiste (zie de toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.1. van de Handleiding). De bewijslast voor het bestaan van die gegronde reden voor twijfel rust op de staatssecretaris. Daarbij kan de staatssecretaris zich baseren op alle gegevens die over eiser beschikbaar zijn.
8. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van twijfel over eisers identiteit en nationaliteit. De staatssecretaris heeft zich hierbij mogen baseren op het individuele ambtsbericht van 5 april 2001. Eiser heeft geen argumenten aangevoerd op basis waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het individuele ambtsbericht of de totstandkoming daarvan. De enkele stelling van eiser dat dit ambtsbericht niet zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, maakt niet dat aan de inhoud van het bericht getwijfeld moet worden. Eiser heeft ook geen contra-expertise overgelegd. Daarbij komt het voor rekening en risico van eiser dat hij, wellicht als gevolg van zijn komst naar Nederland op jonge leeftijd, niet op de hoogte zou zijn geweest van de inhoud van het ambtsbericht. Overigens maakt het asieldossier waar de gemachtigde van eiser tijdens de zitting naar heeft verwezen, zoals ook is besproken tijdens de zitting, geen deel uit van het dossier in deze zaak. Eiser is in ieder geval sinds het voornemen van de staatssecretaris van 24 november 2022 bekend met (het bestaan van) het ambtsbericht en heeft desondanks pas op de zitting de zorgvuldigheid van het ambtsbericht als beroepsgrond aangevoerd.
Heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit alsnog voldoende aangetoond?
9.1.
Het ligt vervolgens op de weg van eiser om de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit weg te nemen door een gelegaliseerde geboorteakte en een geldig Togolees paspoort over te leggen.
9.2.
De staatssecretaris heeft zich, zo oordeelt de rechtbank, op het standpunt mogen stellen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende heeft aangetoond. De door eiser overgelegde documenten zijn hiervoor onvoldoende. De staatssecretaris heeft de overgelegde kopie van de gelegaliseerde geboorteakte ook niet op echtheid kunnen controleren. Daar komt bij dat, zelfs als deze geboorteakte door de staatssecretaris op echtheid zou zijn gecontroleerd en ‘echt’ zou zijn bevonden, niet overgegaan kan worden tot naturalisatie. Eiser heeft immers nog steeds geen geldig Togolees paspoort overgelegd. Ook de overige (kopieën van) documenten die eiser heeft overgelegd kunnen de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit niet wegnemen. De rechtbank is met de staatssecretaris van oordeel dat hij niet kan vaststellen of buiten twijfel uit die documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist is.
10. Eiser heeft op 8 november 2023 alsnog zijn originele geboorteakte overgelegd. Voor zover eiser stelt dat het bestreden besluit als gevolg daarvan zou moeten worden vernietigd, overweegt de rechtbank dat zij het bestreden besluit ex tunc moet beoordelen. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de staatssecretaris het verzoek tot naturalisatie heeft kunnen afwijzen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die bekend waren op het moment van het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank betrekt de omstandigheid dat eiser inmiddels de originele geboorteakte heeft overgelegd dan ook niet bij de beoordeling. Daar komt bij dat, zoals hiervoor al is genoemd, ook niet in geschil is dat een geldig Togolees paspoort nog altijd ontbreekt.
Is sprake van schending van de hoorplicht?
11.1.
Eiser betoogt dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. Het was noodzakelijk om hem te horen, ook gelet op de inmiddels door hem overgelegde originele geboorteakte.
11.2.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat geen twijfel bestaat over de conclusie op het bezwaar. Eiser heeft gedurende de bezwaarprocedure namelijk alleen kopieën van documenten overgelegd, waarvan de staatssecretaris de authenticiteit niet kan vaststellen. Eiser heeft geen contra-expertise en geen geldig paspoort overgelegd, zodat de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit niet kon worden weggenomen. De staatssecretaris heeft daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen afzien van het horen.
12. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Met het gebruik van het woord ‘kennelijk’ is tot uitdrukking gebracht dat slechts van het horen kan worden afgezien indien in redelijkheid geen twijfel mogelijk is omtrent het oordeel dat het bezwaar ongegrond is.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers verzoek tot naturalisatie in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijg ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.D.F. Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1461.
Zie Kamerstukken II 2020/21, 19637, 2757 en de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (de Handleiding).
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.