Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-09
ECLI:NL:RBROT:2024:3884
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,626 tokens
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] ,
raadsman mr. R.B.J.G . Baggen, advocaat te Arnhem.
Opgelegde straf
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2019, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.
Vordering van 29 november 2022
De veroordeelde is eerder in aanmerking gekomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling
op 31 december 2022. Op 29 november 2022 heeft het openbaar ministerie toen echter een
vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de
veroordeelde voor de duur van 120 dagen, voor het uitvoeren van psychologisch onderzoek
en het opstellen van een reclasseringsadvies met passende voorwaarden.
Op 23 december 2022 heeft de rechtbank deze vordering toegewezen en bepaald dat de
voorwaardelijke invrijheidstelling werd uitgesteld met een termijn van 120 dagen, teneinde
veroordeelde de gelegenheid te geven alsnog aan nader psychologisch onderzoek mee te
kunnen werken.
Vordering van 31 maart 2023
Dit uitstel heeft meegebracht dat de veroordeelde in beginsel op 30 april 2023 opnieuw voor
voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking zou kunnen komen waarbij het resterende
strafdeel 610 dagen zou bedragen.
Op 31 maart 2023 heeft het openbaar ministerie echter opnieuw een vordering ingediend tot
uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, nu voor de duur van
365 dagen.
Op 26 april 2023 heeft de rechtbank deze vordering toegewezen en bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling werd uitgesteld met een termijn van 365 dagen.
Vordering van 28 maart 2024
Dit uitstel heeft meegebracht dat de veroordeelde op 29 april 2024 opnieuw voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking zou kunnen komen waarbij het resterende strafdeel 245 dagen zou bedragen.
Op 28 maart 2024 heeft het openbaar ministerie opnieuw een vordering ingediend tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde.
Bij de vordering is overgelegd het rapport van 4 maart 2024 van Reclassering Nederland, (hierna ook: de reclassering) en het advies van 26 februari 2024 van de inrichting waar de veroordeelde verblijft.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 9 april 2024.
De officier van justitie mr. M.A. van Rijswijk en de raadsman (niet gemachtigd) zijn gehoord. De veroordeelde is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet verschenen.
[naam 1] (reclasseringswerker) is telefonisch gehoord.
De officier van justitie heeft de vordering mondeling gewijzigd in die zin dat is
gerekwireerd tot het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Een psychologisch onderzoek is noodzakelijk om een advies te geven over het verlenen van een voorwaardelijke invrijheidstelling en een plan van aanpak op te stellen. De veroordeelde heeft diverse kansen gehad om mee te werken aan een psychologisch onderzoek. Steeds komt de veroordeelde echter op het laatste moment terug van een toezegging om mee te werken.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
OntvankelijkheidHet openbaar ministerie is ontvankelijk in de vordering, nu de vordering tijdig is ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.
Beoordeling
Het advies van de penitentiaire inrichting en van de reclassering van respectievelijk 26
februari 2024 en 4 maart 2024 is om uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen. Dit omdat de veroordeelde alsnog de bereidheid heeft uitgesproken om mee te werken aan het geïndiceerde psychologisch onderzoek.
Ter terechtzitting heeft [naam 1] van de reclassering telefonisch het volgende verklaard. De veroordeelde heeft recent een gesprek gehad met een
psycholoog en hij zou worden aangemeld voor verder onderzoek. De veroordeelde heeft echter kort voor de aanmelding meegedeeld dat hij toch niet mee wil werken aan het
psychologisch onderzoek.
Uit een e-mailbericht van 28 maart 2024 van de casemanager van de penitentiaire inrichting ([naam 2]) blijkt eveneens dat de veroordeelde niet wil meewerken aan een psychologisch onderzoek.
Gelet op het voorgaande en het verhandelde op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde de nodige kansen heeft gekregen van de reclassering om mee te werken aan het psychologisch onderzoek. De veroordeelde heeft deze kansen niet benut. Daarbij heeft de veroordeelde in het kader van twee eerdere vorderingen tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, ook de mogelijkheid gehad om mee te werken aan psychologisch onderzoek. De veroordeelde kiest er echter steeds voor om dit niet te doen.
Het psychologisch onderzoek is van groot belang om zicht te krijgen op de persoonlijkheid van veroordeelde, voor het inschatten van het recidiverisico en voor het opstellen van passende bijzondere voorwaarden. Nu het tot drie keer toe niet mogelijk is gebleken om het psychologisch onderzoek uit te voeren doordat de veroordeelde weigert mee te werken, is de rechtbank van oordeel dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt.
De rechtbank daarom van oordeel dat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege dient te blijven en zal de vordering van de officier van justitie toewijzen.
Dictum
wijst toe de vordering tot het achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Deze beslissing is genomen door:
mr. M.V. Scheffers, voorzitter,
en mrs. J.T.P. Pot en S.M. den Hollander, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2024.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.