Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-03
ECLI:NL:RBROT:2024:3497
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,276 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 3 april 2024
Bij vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2023 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenares]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres te [plaatsnaam],
schuldenares,
bewindvoerder: R.I. de Jong.
Procesverloop
Op 22 juni 2023 heeft een verhoor plaatsgevonden om de nieuwe schulden aan het CJIB en All Round Transport te bespreken.
Op 21 december 2023 vond een tweede verhoor plaats, maar schuldenares is hier niet verschenen en heeft zich ook niet afgemeld.
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris vervolgens op 21 december 2023 verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 27 december 2023 met dit verzoek ingestemd.
De bewindvoerder heeft op 1 februari 2024 een laatste stand van zaken ingediend, voor de zitting die gepland stond op 8 februari 2024. Deze zitting is uitgesteld, wegens ziekte van schuldenares.
De bewindvoerder heeft op 18 maart 2024 een laatste stand van zaken ingediend, voor de zitting van 21 maart 2024. Deze laatste stand van zaken bevat ook een verklaring van schuldenares.
Schuldenares heeft op 19 maart via haar beschermingsbewindvoerder aangegeven dat zij niet aanwezig zal zijn tijdens de zitting van 21 maart 2024 en dat zij afziet van het recht om te worden gehoord.
De rechtbank heeft de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling pro forma behandeld ter terechtzitting van 21 maart 2024.
De uitspraak is bepaald op heden.
2De standpunten
Bewindvoerder
Uit de laatste stand van zaken blijkt dat sprake is van een tekortkoming in de inspanningsverplichtingverplichting van zeven maanden. Schuldenares heeft de bewindvoerder niet geïnformeerd over haar werkzaamheden tussen juni 2023 en december 2023, waardoor er vanuit gegaan wordt dat niet is voldaan aan de inspanningsverplichting. Er is in die periode geen loon en/of sollicitatie informatie ontvangen. Schuldenares zou per 1 januari 2024 een nieuwe baan hebben, maar dit is niet doorgegaan. Ook is er sprake van een nieuwe schuld voor de leaseauto die schuldenares gebruikte voor haar (toenmalige) werk ten bedrage van € 2.325,07. De leaseauto is inmiddels, volgens schuldenares, ingeleverd. Daarnaast zijn er ook nog enkele verkeersboetes, veroorzaakt door de dochter van schuldenares, toen zij de auto leende. Naar schatting is er een boedelvoorstand van € 507,07, maar dit kan niet met zekerheid gesteld worden, omdat veel informatie ontbreekt. Kortom, naast de inspanningsverplichting en de plicht om geen nieuwe schulden te maken, is schuldenares ook in de informatieverplichting tekortgeschoten.
Schuldenares
In de laatste stand van zaken van 18 maart 2024 staat een bericht van schuldenares aan haar bewindvoerder. Ze stelt hierin zich te realiseren dat ze momenteel niet aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling kan voldoen, omdat het niet goed met haar gaat en de sollicitaties niet van de grond komen. Ze geeft aan uit de regeling te willen stappen, met behoud van haar beschermingsbewindvoerder, en later opnieuw een aanvraag te willen doen wanneer zij stabiel is.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet langer wenselijk acht. De toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt daarom beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder g van de Faillissementswet.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De rechtbank stelt verder vast dat er onvoldoende baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
Dictum
De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 2.308,72;
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van L.M. Heinis, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.