Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-12
ECLI:NL:RBROT:2024:3406
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,833 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10856700 CV EXPL 23-33768
datum uitspraak: 12 april 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A]
,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J.B. Craanen,
tegen
[persoon B]
,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. P.H.A. de Boer.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 21 december 2023, met bijlagen;
het antwoord met tegeneis, met bijlagen;
de akte van [persoon A] , met bijlagen.
1.2.
Op 12 maart 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[persoon A] , met haar moeder en tante;
mr. Craanen;
mr. De Boer.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[persoon A] huurt vanaf 1 september 2020 de woning aan de [adres] in Rotterdam. [persoon A] en [persoon B] hadden tussen april 2022 en oktober 2023 een affectieve relatie. Op 4 april 2022 is [persoon B] medehuurder geworden van de woning. [persoon A] eist dat voor recht wordt verklaard dat zij alleen, met uitsluiting van [persoon B] , gerechtigd zal zijn tot het voortgezette gebruik van de woning en dat [persoon B] wordt veroordeeld de huurovereenkomst ten aanzien van hemzelf zo snel mogelijk op te zeggen. Daarnaast eist [persoon A] een bedrag van € 4.098,16, met rente en kosten. [persoon B] voert verweer en eist zelf dat [persoon A] een aantal zaken aan hem teruggeeft.
Conclusie
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat [persoon B] de huur vanaf vandaag niet zal voortzetten. Hij moet ook een bedrag van € 2.730,16 aan [persoon A] betalen. [persoon A] moet de oude houten gereedschapskist, het luchtbed, het sumurai zwaard en de kledingkast aan [persoon B] teruggeven. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[persoon B] zal de huur niet langer voortzetten
2.3.
[persoon A] en [persoon B] zijn contractueel medehuurders. Zij hebben dus allebei dezelfde rechten en plichten. Bij een geschil over toewijzing van het huurrecht, kan een contractueel medehuurder een beroep doen op artikel 7:267 lid 7 BW (ECLI:NL:HR:2021:1964). De eis van [persoon A] begrijpt de kantonrechter dan ook zo dat zij vordert dat de kantonrechter bepaalt dat [persoon B] de huur niet langer zal voortzetten op grond van dat artikellid.
2.4.
Bij de vraag wie in de woning mag blijven en wie de woning moet verlaten, gaat het om een belangenafweging, waarbij alle omstandigheden van het geval meewegen. De belangenafweging valt in het voordeel van [persoon A] uit. Daarbij is van belang dat [persoon B] de woning kort na het verbreken van de relatie heeft verlaten en daarna ook geen aanspraak meer heeft gemaakt op het gebruik van de woning. Bovendien heeft [persoon A] onweersproken gesteld dat [persoon B] , in tegenstelling tot zijzelf, de huur niet alleen kan opbrengen en dat het voor haar ondoenlijk is om een andere woning te vinden. [persoon B] heeft slechts gewezen op het belang van zijn eenmanszaak die is ingeschreven op de [adres] , maar inmiddels is gebleken dat zijn eenmanszaak is ingeschreven op een ander adres. Dat belang is dus weggevallen en [persoon B] heeft geen andere belangen aangevoerd.
2.5.
De kantonrechter zal dan ook bepalen dat [persoon B] de huur vanaf vandaag niet voortzet. Dat betekent dat de huurovereenkomst met [persoon B] wordt beëindigd door deze beslissing. De beslissing werkt ook tegenover de verhuurder.
[persoon B] moet € 2.730,16 aan [persoon A] betalen
2.6.
[persoon A] eist dat [persoon B] € 2.730,16 aan haar terugbetaalt. Volgens [persoon A] heeft zij tijdens de relatie bedragen geleend aan [persoon B] . Dat betwist [persoon B] op zichzelf niet, maar hij betwist wel de hoogte van het bedrag dat [persoon A] eist. De kantonrechter oordeelt dat [persoon B] het geëiste bedrag van € 2.730,16 aan [persoon A] moet terugbetalen.
2.7.
Vast staat dat tijdens de relatie de afspraak bestond dat [persoon B] de huur betaalde en [persoon A] de overige vaste lasten. Het verschil daartussen (€ 133,- tot 1 juli 2023 en daarna € 150,-) moest [persoon A] maandelijks aan [persoon B] betalen. Volgens [persoon A] heeft zij in totaal € 6.896,76 aan [persoon B] geleend. Het bedrag van € 6.896,76 onderbouwt [persoon A] met een overzicht waarop bedragen staan die zij aan [persoon B] heeft betaald en bedragen die zij van [persoon B] heeft ontvangen, met daarachter een doorlopend overzicht van alle banktransacties (productie 4 bij dagvaarding). Het bedrag van € 6.896,76 is berekend door alle bedragen die [persoon A] aan [persoon B] heeft betaald (volgens [persoon A] € 8.019,76) te verminderen met € 1.123,- (acht keer het verschil tussen de vaste lasten en de huur).
2.8.
[persoon B] betwist dat [persoon A] in totaal € 8.019,76 aan hem heeft betaald. [persoon B] heeft het doorlopende overzicht echter onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij legt namelijk alleen een vage foto van zijn bankapp over, waaruit volgt dat [persoon A] slechts € 5.659,16 aan hem zou hebben betaald. Dat bedrag is niet gespecificeerd met een doorlopend overzicht van alle banktransacties, terwijl [persoon A] een dergelijk overzicht wel heeft overgelegd. Voldoende is dus komen vast te staan dat [persoon A] € 8.019,76 aan [persoon B] heeft betaald.
2.9.
Van dat bedrag moet, zoals [persoon A] ook heeft gedaan, € 1.123,- worden afgetrokken, omdat [persoon A] dat bedrag niet heeft uitgeleend aan [persoon B] , maar aan hem heeft betaald op grond van een financiële afspraak over de verdeling van de vaste lasten (zie 2.7). [persoon B] heeft de stelling van [persoon A] dat het verschil tussen de vaste lasten en de huur voor de overige maanden is verrekend, niet concreet betwist. Dat betekent dat [persoon A] voldoende heeft onderbouwd dat zij aan [persoon B] een bedrag van € 6.896,76 heeft uitgeleend.
2.10.
Volgens [persoon A] heeft [persoon B] in totaal € 4.166,60 aan haar terugbetaald. Voor zover [persoon B] zich op het standpunt stelt dat hij een hoger bedrag heeft terugbetaald, al dan niet deels in natura(bijvoorbeeld door het geven van een flesje parfum), geldt dat hij daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De conclusie is dan ook dat [persoon B] nog een bedrag van € 2.730,16 (€ 6.896,76 - € 4.166,60) aan [persoon A] moet terugbetalen.
2.11.
[persoon A] heeft haar eis vermeerderd met € 1.368,-, te weten 50% van de huur over de maanden december 2023 en januari tot en met maart 2024. Dit bedrag wijst de kantonrechter af. Weliswaar is [persoon B] tegenover de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de huur over die maanden, maar dat betekent niet zonder meer dat [persoon B] ook 50% van de huur aan [persoon A] moet betalen. Hoofdelijke schuldenaren, zoals [persoon A] en [persoon B] , zijn ieder voor het gedeelte van de schuld dat elk van hen in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht bij te dragen aan die schuld (artikel 6:10 BW). [persoon A] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat [persoon B] voor 50% moet bijdragen aan de huur, terwijl hij in die periode niet meer in de woning verbleef.
[persoon B] moet rente betalen
2.12.
De rente over € 2.730,16 wordt toegewezen, omdat [persoon A] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [persoon B] dat niet heeft betwist.
[persoon B] hoeft geen incassokosten te betalen
2.13.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [persoon A] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [persoon B] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). In de brief die aan [persoon B] is gestuurd staat een uiterste betaaldatum, terwijl niet vast staat dat [persoon B] de brief vijftien dagen daarvoor heeft ontvangen (ECLI:NL:HR:2016:2704). De brief voldoet dus niet aan de wet.
[persoon B] moet de proceskosten in conventie betalen
2.14.
[persoon B] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De dagvaarding vermeldt dat [persoon A] een toevoeging heeft aangevraagd. Aangezien [persoon A] geen toevoeging meer heeft overgelegd, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij die niet heeft gekregen. De kantonrechter begroot de kosten in conventie aan de kant van [persoon A] op € 129,86 aan dagvaardingskosten, € 244,- aan griffierecht en € 476,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,-). Voor kosten die [persoon A] maakt na deze uitspraak moet [persoon B] een bedrag betalen van € 119,-. Dat is in totaal € 968,86. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
3.1.
bepaalt dat [persoon B] de huur van de woning aan de [adres] in Rotterdam met ingang van vandaag niet langer voortzet, zodat het huurrecht van deze woning alleen aan [persoon A] toekomt;
3.2.
veroordeelt [persoon B] om aan [persoon A] te betalen € 2.730,16 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 november 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 968,86;
in reconventie
3.4.
veroordeelt [persoon A] om binnen veertien dagen na dit vonnis de oude houten gereedschapskist, het luchtbed, het sumurai zwaard en de kledingkast aan [persoon B] af te geven;
3.5.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
in conventie en in reconventie
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
49039