Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-04-16
ECLI:NL:RBROT:2024:3280
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/4223 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2024 in de zaak tussen Compaxo Vlees Zevenaar B.V., uit Zevenaar, eiseres (gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters), en De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. P.M.M. van Bennekom en mr. R.R. Berkhout). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een boete voor een overtreding van de Wet dieren. Met het besluit van 14 januari 2022 heeft verweerder eiseres een boete van € 1.500,- opgelegd. 1.1. Met het bestreden besluit van 29 juli 2022 op het bezwaar van eiser heeft verweerder deze boete gehandhaafd. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 1], toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het besluit 2.1. Op 27 januari 2021 heeft een toezichthoudend dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een rapport van bevindingen opgemaakt. In dat rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende: “Bevinding(en): Datum en tijdstip van de bevinding: 27 januari 2021 omstreeks 10:00 uur. In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam 2] en [naam 3], functie: kwaliteitsdienstmedewerkers. De kwaliteitsdienst is het aanspreekpunt vanuit Compaxo voor constateringen binnen het bedrijf. Op 27 januari 2021, omstreeks 10.00 uur, is gebleken dat er 1136 overliggende varkens op stal aanwezig waren, zie bijlage stallijst Compaxo 26-01-2021 en 27- 01-2021. Deze varkens waren volgens de stallijst op 26 januari 2021 ten laatste omstreeks 14.00 uur gelost. Zodoende hebben de varkens bijgevolg meer dan 12 uur op stal gelegen. Daarnaast zijn er volgens de stallijst op 26 januari 2021 tussen 23.00 uur en 23.55 uur nog 686 varkens gelost en op stal ondergebracht. Waardoor er vanaf toen 1822 varkens op stal hebben gelegen. Het betroffen slachtvarkens. Deze varkens hebben in Nederland een leeftijd tussen de 6 en de 8 maanden. Varkens van die leeftijd hebben een gemiddeld slachtgewicht van 98 kilogram. Het levend gewicht van een varken is gemiddeld genomen 25% meer, waardoor het gemiddelde levend gewicht van een varken 123 kilogram is. Dit houdt in dat, volgens artikel 2.17, lid 2, onder punt f van het Besluit houders van dieren, per varken 1 m2 ter beschikking moet zijn. Er is bij Compaxo Vlees Zevenaar B.V. een maximale staloppervlak van 869 m2 beschikbaar, zie fotobijlage. Dit betekent dat maximaal ruimte was voor 869 varkens; hieruit blijkt dat de 1136 overliggende varkens niet genoeg ruimte tot hun beschikking hadden. Daarnaast lagen er vanaf 23.55 uur 1822 varkens op stal. Ondanks meerdere mondelinge waarschuwingen en het bespreken hiervan tijdens bedrijfsoverleggen, zie bijlage notulen overleg NVWA Compaxo 15-01-2020 en 20-01-2021, en een eerdere schriftelijke waarschuwing, waren er toch, gezien de capaciteit van de stal, te veel overliggende varkens. Vanaf 23.55 uur waren er te veel varkens op stal voor de capaciteit van de stal. Dit hadden er volgens eigen procedures maximaal 1742 mogen zijn, zie fotobijlage. Hieruit bleek mij dat gehandeld werd in strijd met het Besluit houders van dieren: Artikel 2.17 lid 2, de voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden geiten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht van meer dan 110 kg ten minste: onder punt f: 1,0 m2.” 2.2. Op grond van het rapport van bevindingen van 27 januari 2021 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De slachtvarkens in de stal beschikten niet over voldoende totale vloeroppervlakte tijdens het overliggen.” Volge Dit betekent dat de Transportverordening niet meer van toepassing is nadat de dieren zijn uitgeladen bij het slachthuis. Verweerder heeft vervolgens toegelicht waarom in dit geval niet is aangesloten bij punt 2.1 van Bijlage III van Verordening 1099/2009. In die bepaling staat dat elk dier over voldoende ruimte dient te beschikken om op te kunnen staan, te gaan liggen, en met uitzondering van afzonderlijk gehouden vee, rond te draaien. Het ging hier, zoals blijkt uit het rapport van bevindingen, om een administratieve controle en niet om een visuele vaststelling door de toezichthouder dat de dieren niet over genoeg ruimte zouden hebben beschikt. Daarom is volgens verweerder aangesloten bij de norm van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren en is een (lagere) boete van € 1.500 - opgelegd in plaats van een boete van € 2.500,-. Onder verwijzing naar artikel 3.107 van het BW merkt verweerder eiseres als houder van dieren aan. Ook meent verweerder dat het hier gaat om het houden van varkens voor productie in de zin van artikel 2.17 van het Besluit houders van dieren. Verder gaat het hier ook om varkens voor de mesterij, als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit houders van dieren. De varkens zijn immers bestemd voor voedselvoorziening. Omdat het ging om varkens met een de gemiddelde leeftijd tussen 6 en 8 maanden konden deze dieren ook als gebruiksvarkens als bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit houders van dieren worden gezien. Verder heeft verweerder erop gewezen dat paragraaf 4 van hoofdstuk 2 van het Besluit houders van dieren een implementatie is van Richtlijn 2008/120/EG (de Varkensrichtlijn), waarin minimumnormen zijn vastgesteld ter bescherming van varkens die voor de fokkerij of de mesterij opgesloten moeten worden gehouden. Uit artikel 3, eerste lid, van de Varkensrichtlijn kan worden afgeleid dat de oppervlaktenormen die in deze Richtlijn worden genoemd, voor alle bedrijven gelden waar varkens voor de fokkerij of de mesterij opgesloten worden gehouden. In dit geval gaat het om het onderbrengen van varkens voor de duur van langer dan 12 uur. In die situatie wordt bekeken of wordt voldaan aan de norm van het Besluit houders van dieren. 3.5. De rechtbank volgt verweerder, gelet op de toelichting in het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting, dat in dit geval de norm van artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren als uitgangspunt is en kon worden genomen. Nu eiseres ten minste 1136 overliggende varkens met een gewicht van meer dan 110 kilogram voor langer dan 12 uur in de stal had ondergebracht, terwijl er slechts ruimte was voor 869 varkens, is er sprake van een overtreding van artikel 2.2, tiende lid, onder c, ten vijfde, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder f, van het Besluit houders van dieren. 3.6. De rechtbank is het ook met verweerder eens dat de bevoegdheid bestond om vanwege deze overtreding een boete aan eiseres op te leggen op grond van het geldende interventiebeleid. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting kenbaar gemaakt dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangesloten bij het Specifiek interventiebeleid Dierenwelzijn (IB02-SPEC72). Dit interventiebeleid geldt echter niet voor slachthuizen. Voor slachthuizen geldt het Algemeen interventiebeleid. Nu ook op basis van het Algemeen interventiebeleid ingeval van een categorie B-overtreding eerst een waarschuwing dient te worden gegeven voordat een boete wordt opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om geen consequenties aan dit gebrek te verbinden. Eiseres heeft eerder op 6 januari 2021 een waarschuwing ontvangen voor eenzelfde soort overtreding. Dit betekent dat op basis van het rapport van bevindingen van 27 januari 2021 een boete aan eiseres kon worden opgelegd. 3.7. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de boete dient te worden ge