Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-22
ECLI:NL:RBROT:2024:3181
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,740 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10819801 \ CV EXPL 23-32029
datum uitspraak: 22 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 21 november 2023, met bijlagen;
de conclusie van antwoord;
de conclusie van repliek met een eisvermindering, met bijlagen;
de conclusie van dupliek.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft bij [eiseres] een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] elke maand premie aan [eiseres] betalen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] € 265,25 aan zorgpremies voor december 2022 en april 2023 niet betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] deze premies betaalt. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald vordert [eiseres] ook buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Verder wil [eiseres] dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.
2.2.
[gedaagde] voert als verweer dat zij de premie voor december 2022 al heeft betaald. Zij erkent dat zij de premie voor april 2023 nog moet betalen.
2.3.
De vordering van [eiseres] wordt toegewezen. [gedaagde] moet € 273,53 aan [eiseres] betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet de premie voor december 2022 en april 2023 betalen
2.4.
[gedaagde] heeft de premie voor december 2022 nog niet betaald. [gedaagde] heeft weliswaar in december 2022 een bedrag betaald, maar zij heeft bij die betaling geen betalingskenmerk vermeld. [eiseres] mocht daarom op basis van artikel 7 lid 3 van haar polisvoorwaarden bepalen op welke openstaande vordering de betaling wordt afgeboekt.
2.5.
[eiseres] en [gedaagde] hebben beiden een overzicht van betalingen bijgevoegd. Het betaaloverzicht van [gedaagde] gaat alleen over de maanden juli tot en met december 2022. [eiseres] heeft een overzicht van het hele jaar 2022 ingediend. Uit het overzicht van [eiseres] blijkt dat [gedaagde] in 2022 elf keer de maandelijkse zorgpremie heeft betaald. [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij in 2022 meer heeft betaald dan uit het overzicht van [eiseres] blijkt. Dit betekent dat [gedaagde] over het jaar 2022 nog voor één maand premie moet betalen. Uit het overzicht van [eiseres] blijkt ook dat [gedaagde] de premie over april 2022 niet heeft betaald. [eiseres] heeft uitgelegd dat zij de bedragen die [gedaagde] in de maanden daarna heeft betaald, steeds heeft toegerekend aan de maand ervoor. De premie die [gedaagde] in december 2022 heeft betaald, heeft [eiseres] toegerekend aan de maand november 2022. Daarom moet [gedaagde] de premie over december 2022 nog betalen. Dit geldt ook voor de premie over april 2023, omdat [gedaagde] heeft erkend dat die nog niet is betaald. Het bedrag van € 265,25 aan zorgpremies is dus toewijsbaar.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente betalen
2.6.
Het gevorderde bedrag van € 48,40 aan incassokosten (inclusief btw) is toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente is ook toewijsbaar omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet € 273,53 aan [eiseres] betalen
2.7.
[gedaagde] heeft na dagvaarding al € 50,- aan [eiseres] betaald. Dit bedrag komt eerst in mindering op de kosten, daarna op de verschenen rente en tot slot op de hoofdsom (artikel 6:44 BW). Met de betaling van € 50,- heeft [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten (€ 48,40 inclusief btw) en een deel van de rente (€ 1,60) voldaan. Het resterende bedrag aan rente van € 8,28 en de hoofdsom van € 265,25, bij elkaar opgeteld € 273,53, moet [gedaagde] aan [eiseres] betalen.
Partijen hebben een betalingsregeling
2.8.
[gedaagde] mag het bedrag van € 273,53 in termijnen van € 50,- per maand betalen. Partijen hebben namelijk op 12 december 2023 – na het uitbrengen van de dagvaarding – een betalingsregeling afgesproken en [eiseres] heeft gevraagd om deze afspraak op te nemen in dit vonnis.
Proceskosten
2.9.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres] tot vandaag vast op € 130,49 aan dagvaardingskosten, € 128,- aan griffierecht, € 164,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 82,-) en € 41,- aan nakosten (½ punt × € 82,-). Dit is totaal € 463,49. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 273,53 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 265,25 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] tot vandaag worden vastgesteld op € 463,49;
3.3.
bepaalt dat [eiseres] de hiervoor genoemde bedragen niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand voor de 19e van de maand € 50,- aflost;
en, als [gedaagde] een maandelijkse aflossingstermijn niet of te laat betaalt:
3.4.
bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan [eiseres] moet betalen;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
53954