Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-29
ECLI:NL:RBROT:2024:3179
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,668 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10780446 \ CV EXPL 23-29370
datum uitspraak: 29 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 25 oktober 2023, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, met bijlagen.
1.2.
Op 13 februari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was mr. J.A. Wesdijk namens de gemachtigde van [eiseres] aanwezig. [gedaagde] is, hoewel zij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft bij [eiseres] een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] elke maand premie aan [eiseres] betalen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] zorgpremies over de maanden oktober en november 2022 en januari tot en met juni 2023 niet betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] deze premies betaalt. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, vordert [eiseres] ook buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. [eiseres] vordert van [gedaagde] in totaal € 1.039,26. Verder wil [eiseres] dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.
2.2.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] te kennen gegeven dat zij na dagvaarding € 320,- van [gedaagde] heeft ontvangen en dat dit bedrag in mindering komt op de vordering. [eiseres] vordert thans € 719,26.
2.3.
[gedaagde] heeft de vordering gedeeltelijk erkend. Zij voert als verweer dat zij voor de openstaande betalingsachterstand een betalingsregeling heeft getroffen van € 80,- per maand. Zij voert aan dat zij daarom nog niet de gehele vordering hoeft te betalen.
2.4.
De vorderingen van [eiseres] worden toegewezen. [gedaagde] moet € 719,26 aan [eiseres] betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet de openstaande premies betalen
2.5.
[gedaagde] moet de openstaande premies over de maanden oktober en november 2022 en januari tot en met juni 2023 betalen. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de premies niet en stelt ook niet dat zij die al heeft betaald. Weliswaar had [gedaagde] met [eiseres] een betalingsregeling getroffen, maar [eiseres] heeft hiertegenover gesteld dat deze regeling is vervallen omdat [gedaagde] de regeling niet is nagekomen. Dit tegenweer slaagt.
2.6.
[eiseres] heeft uitgelegd dat de betalingsregeling van € 80,- per maand was afgesproken voor de betalingsachterstand tot en met april 2023. [eiseres] stelt dat een voorwaarde van de betalingsregeling was dat aflossingen en nieuwe premies tijdig zouden worden betaald. Als aan die voorwaarde niet zou zijn voldaan, zou de regeling vervallen en was het hele bedrag ineens opeisbaar. [gedaagde] heeft het voorgaande niet weersproken. [eiseres] heeft bij repliek en op de zitting uitgelegd dat [gedaagde] de premies van mei en juni 2023 niet heeft betaald. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. Hierdoor is de ontbindende voorwaarde vervuld en is de betalingsregeling komen te vervallen. Het gehele bedrag van de achterstand is daardoor ineens opeisbaar geworden. De gevorderde premie van € 1.200,50 is dus toewijsbaar.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente betalen
2.7.
Het gevorderde bedrag van € 143,02 aan incassokosten (inclusief btw) is toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente is ook toewijsbaar omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet € 719,26 aan [eiseres] betalen
2.8.
[gedaagde] heeft in totaal € 660,66 betaald. Dit bedrag komt eerst in mindering op de buitengerechtelijke kosten, daarna op de verschenen rente en tot slot op de hoofdsom (artikel 6:44 BW). Met de betaling van € 660,66 heeft [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten (€ 143,02 inclusief btw) en de rente (€ 36,40) voldaan. De hoofdsom is € 1200,50 en het resterende bedrag van € 499,51 gaat daar nog van af. [gedaagde] moet dus nog € 719,26 betalen aan [eiseres]. De wettelijke rente zal worden toegewezen over het bedrag van € 719,26 aangezien er voor toewijzing over een hoger bedrag geen deugdelijke grondslag is gesteld.
Proceskosten
2.9.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres] tot vandaag vast op € 130,49 aan dagvaardingskosten, € 322,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 135,-) en € 67,50 aan nakosten (½ punt × € 135,- ). Dit is totaal € 789,99. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1039,26 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf 25 oktober 2023 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] tot vandaag worden vastgesteld op € 789,99;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954