Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-15
ECLI:NL:RBROT:2024:3011
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
5,160 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10884183 VV EXPL 24-23
datum uitspraak: 15 maart 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.Y. van Oel.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 5 februari 2024, met bijlagen 1 t/m 19;
de mails van 28 en 29 februari 2024 van mr. Van Oel, met bijlagen 1 t/m 3;
de spreekaantekeningen van mr. Van Oel.
1.2.
Op 1 maart 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met:
S. Blokker (medewerker sociaal beheer) van Woonstad met mr. Lichtenveldt;
[gedaagde] met mr. Van Oel en [naam] (de zoon van [gedaagde]).
1.3.
De kantonrechter heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beslist dat de mail van 29 februari 2024 met bijlage 4 van mr. Van Oel te laat is ingediend en daarom niet tot het dossier behoort.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Deze zaak gaat over de huurovereenkomst van [gedaagde] (78 jaar) voor de woning aan [adres]. Hij huurt de woning al 22 jaar van (nu) Woonstad en woont er met zijn meerderjarige zoon. Woonstad eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen en een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs betaalt tot de datum dat de woning is ontruimd. Woonstad vraagt ook om die veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Woonstad voert kort gezegd aan dat [gedaagde] en zijn zoon al langere tijd ernstige overlast veroorzaken aan omwonenden vanuit en rondom de woning en dat [gedaagde] ondanks een laatste kans in de vorm van een gedragsaanwijzing recent een van de buren heeft aangevallen op de galerij. De maat is voor Woonstad vol en zij wil dat [gedaagde] en zijn zoon zo snel mogelijk vertrekken. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij vindt dat een kort geding niet de gepaste procedure is voor deze kwestie en betwist de overlast die hem en zijn zoon wordt verweten. Hij wijst ook op zijn gezondheidssituatie en de ingrijpende gevolgen voor hem en zijn zoon als de eis wordt toegewezen. Dat is volgens [gedaagde] ook reden om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Wat is het beoordelingskader?
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Woonstad heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Een voorlopige voorziening tot het ontruimen van een woning is een zeer ingrijpende maatregel en zal in de praktijk een definitief karakter kunnen hebben. Daarom moet zo’n maatregel met terughoudendheid worden toegepast.
2.3.
In een gewone procedure kan een eis tot ontbinding van de huurovereenkomst (artikel 6:265 BW) en tot ontruiming van de woning worden toegewezen als [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van zijn verplichtingen als huurder en het gelet op alle omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is om de eisen met alle gevolgen toe te wijzen (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).
Een van de kernverplichtingen van [gedaagde] is dat hij zich als een goed huurder moet gedragen (artikel 9 lid 2 van de algemene voorwaarden en artikel 7:213 BW). Dat houdt onder meer in dat hij geen overlast of hinder mag veroorzaken aan omwonenden. Hij is ook aansprakelijk voor de gedragingen van derden die zich met zijn goedvinden in de woning bevinden (artikel 9 lid 2 van de algemene voorwaarden en artikel 7:219 BW).
De eis wordt toegewezen
2.4.
De eis wordt toegewezen. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van de verplichting om zich als goed huurder te gedragen en dat daardoor zo’n onhoudbare woonsituatie is ontstaan voor omwonenden dat bij deze stand van zaken een eis tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van de woning in een gewone procedure zal worden toegewezen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
2.5.
[gedaagde] heeft eind oktober 2023 van Woonstad een gedragsaanwijzing gekregen met een laatste kans en de waarschuwing dat Woonstad een rechtszaak begint als [gedaagde] de gedragsaanwijzing niet nakomt. Zoals ook in de gedragsaanwijzing is opgenomen was de aanleiding daarvoor dat [gedaagde] en zijn zoon sinds enige tijd ontoelaatbare overlast hebben veroorzaakt die onder meer bestaat uit geluidsoverlast en het bedreigen van buren. [gedaagde] betwist in deze procedure de overlast die hem en zijn zoon wordt verweten en stelt dat hij vanwege verslechterd zicht en slechte beheersing van de Nederlandse taal niet heeft begrepen wat hij heeft ondertekend. De kantonrechter volgt [gedaagde] daar niet in. Hij heeft de gedragsaanwijzing volgens Woonstad in aanwezigheid van Woonstad en de coördinator woonoverlast, maar ook van een politieagent die Portugees (de taal van [gedaagde]) sprak en goed met hem kon communiceren, getekend. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Wat betreft de bedreiging van buren staat bovendien vast dat de zoon van [gedaagde] in juli 2023 een buurvrouw in haar gezicht heeft gespuugd en haar hordeur heeft vernield. Ook is de politie in september 2023 naar de woning gekomen naar aanleiding van een melding over geschreeuw vanuit de woning, omdat de zoon van [gedaagde] in een psychose bleek te verkeren, waarbij hulpverlening door [gedaagde] werd geweigerd en [gedaagde] zich bedreigend heeft uitgelaten over de buren (hij zou ze wat aan gaan doen omdat ze de politie hadden gebeld).
2.6.
Na ondertekening van de gedragsaanwijzing op 27 oktober 2023 is [gedaagde] nog geen maand later door de politie aangehouden op verdenking van mishandeling van een buurvrouw. Volgens hem was het geen mishandeling maar hij erkent wel dat hij de buurvrouw een duw heeft gegeven.
2.7.
[gedaagde] stelt dat álle klachten uit de koker van deze ene buurvrouw komen en dat sprake is van een uit de hand gelopen burenruzie. De advocaat van Woonstad heeft echter verklaard dat de klachten afkomstig zijn van drie omwonenden en niet slechts van één klager.
2.8.
Dat sprake is van (klachten van) meerdere buren volgt ook uit de door de politie opgestelde bestuurlijke rapportage van 28 november 2023 met daarin een sfeerimpressie van de wijkagent over het afgelopen jaar. In die rapportage wordt beschreven dat de wijkagent in verband met de vele overlastmeldingen meerdere keren in gesprek is gegaan met [gedaagde] en zijn zoon en dat zij daarbij ook richting hem zeer agressief gedrag hebben vertoond. Onder andere heeft [gedaagde] daarbij – onder het pakken en boven zijn hoofd houden van een stalen steigerbuis die hij naast de achterdeur had staan – gezegd: ‘hier ga ik mee slaan’ (doelend op de buurvrouw). De wijkagent maakt zich ernstig veel zorgen om de directe omgeving van de familie [gedaagde] en schrijft van mening te zijn dat “een hele galerij ‘gegijzeld’ wordt door 1 huisnummer”. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de rapportage.
Dat er volgens [gedaagde] zestien buren zijn die zeggen geen overlast van [gedaagde] en zijn zoon te ervaren en een goede verstandhouding met hen hebben, neemt niet weg dat er omwonenden zijn die wél overlast ervaren. [gedaagde] mag aan niemand overlast veroorzaken en zich tegenover niemand agressief, intimiderend of bedreigend gedragen. Medische of psychische aandoeningen zijn ook geen rechtvaardiging voor het vertonen van zulk gedrag.
2.9.
Uit het voorgaande komt naar voren dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van zijn kernverplichting om zich als goed huurder te gedragen. De laatste kans in de vorm van een gedragsaanwijzing heeft er niet toe geleid dat [gedaagde] zijn gedrag heeft aangepast. Het evidente woonbelang van [gedaagde] en zijn zoon om in de woning te kunnen blijven wonen weegt niet op tegen het belang van Woonstad om het woongenot van haar huurders te beschermen. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op zijn medische situatie en de gezondheidstoestand van zijn zoon. Die lijken op basis van de stukken inmiddels stabiel te zijn.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met alle daarin zich bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad te betalen de maandelijkse huurprijs en servicekosten van totaal € 590,18 per maand vanaf 1 februari 2024 tot de datum waarop de woning is ontruimd;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.215,72;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
34286
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10884183 VV EXPL 24-23
datum uitspraak: 15 maart 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.Y. van Oel.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 5 februari 2024, met bijlagen 1 t/m 19;
de mails van 28 en 29 februari 2024 van mr. Van Oel, met bijlagen 1 t/m 3;
de spreekaantekeningen van mr. Van Oel.
1.2.
Op 1 maart 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met:
S. Blokker (medewerker sociaal beheer) van Woonstad met mr. Lichtenveldt;
[gedaagde] met mr. Van Oel en [naam] (de zoon van [gedaagde]).
1.3.
De kantonrechter heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beslist dat de mail van 29 februari 2024 met bijlage 4 van mr. Van Oel te laat is ingediend en daarom niet tot het dossier behoort.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Deze zaak gaat over de huurovereenkomst van [gedaagde] (78 jaar) voor de woning aan [adres]. Hij huurt de woning al 22 jaar van (nu) Woonstad en woont er met zijn meerderjarige zoon. Woonstad eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen en een bedrag gelijk aan de maandelijkse huurprijs betaalt tot de datum dat de woning is ontruimd. Woonstad vraagt ook om die veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Woonstad voert kort gezegd aan dat [gedaagde] en zijn zoon al langere tijd ernstige overlast veroorzaken aan omwonenden vanuit en rondom de woning en dat [gedaagde] ondanks een laatste kans in de vorm van een gedragsaanwijzing recent een van de buren heeft aangevallen op de galerij. De maat is voor Woonstad vol en zij wil dat [gedaagde] en zijn zoon zo snel mogelijk vertrekken. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij vindt dat een kort geding niet de gepaste procedure is voor deze kwestie en betwist de overlast die hem en zijn zoon wordt verweten. Hij wijst ook op zijn gezondheidssituatie en de ingrijpende gevolgen voor hem en zijn zoon als de eis wordt toegewezen. Dat is volgens [gedaagde] ook reden om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Wat is het beoordelingskader?
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Woonstad heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. Een voorlopige voorziening tot het ontruimen van een woning is een zeer ingrijpende maatregel en zal in de praktijk een definitief karakter kunnen hebben. Daarom moet zo’n maatregel met terughoudendheid worden toegepast.
2.3.
In een gewone procedure kan een eis tot ontbinding van de huurovereenkomst (artikel 6:265 BW) en tot ontruiming van de woning worden toegewezen als [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van zijn verplichtingen als huurder en het gelet op alle omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is om de eisen met alle gevolgen toe te wijzen (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).
Een van de kernverplichtingen van [gedaagde] is dat hij zich als een goed huurder moet gedragen (artikel 9 lid 2 van de algemene voorwaarden en artikel 7:213 BW). Dat houdt onder meer in dat hij geen overlast of hinder mag veroorzaken aan omwonenden. Hij is ook aansprakelijk voor de gedragingen van derden die zich met zijn goedvinden in de woning bevinden (artikel 9 lid 2 van de algemene voorwaarden en artikel 7:219 BW).
De eis wordt toegewezen
2.4.
De eis wordt toegewezen. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van de verplichting om zich als goed huurder te gedragen en dat daardoor zo’n onhoudbare woonsituatie is ontstaan voor omwonenden dat bij deze stand van zaken een eis tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van de woning in een gewone procedure zal worden toegewezen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
2.5.
[gedaagde] heeft eind oktober 2023 van Woonstad een gedragsaanwijzing gekregen met een laatste kans en de waarschuwing dat Woonstad een rechtszaak begint als [gedaagde] de gedragsaanwijzing niet nakomt. Zoals ook in de gedragsaanwijzing is opgenomen was de aanleiding daarvoor dat [gedaagde] en zijn zoon sinds enige tijd ontoelaatbare overlast hebben veroorzaakt die onder meer bestaat uit geluidsoverlast en het bedreigen van buren. [gedaagde] betwist in deze procedure de overlast die hem en zijn zoon wordt verweten en stelt dat hij vanwege verslechterd zicht en slechte beheersing van de Nederlandse taal niet heeft begrepen wat hij heeft ondertekend. De kantonrechter volgt [gedaagde] daar niet in. Hij heeft de gedragsaanwijzing volgens Woonstad in aanwezigheid van Woonstad en de coördinator woonoverlast, maar ook van een politieagent die Portugees (de taal van [gedaagde]) sprak en goed met hem kon communiceren, getekend. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Wat betreft de bedreiging van buren staat bovendien vast dat de zoon van [gedaagde] in juli 2023 een buurvrouw in haar gezicht heeft gespuugd en haar hordeur heeft vernield. Ook is de politie in september 2023 naar de woning gekomen naar aanleiding van een melding over geschreeuw vanuit de woning, omdat de zoon van [gedaagde] in een psychose bleek te verkeren, waarbij hulpverlening door [gedaagde] werd geweigerd en [gedaagde] zich bedreigend heeft uitgelaten over de buren (hij zou ze wat aan gaan doen omdat ze de politie hadden gebeld).
2.6.
Na ondertekening van de gedragsaanwijzing op 27 oktober 2023 is [gedaagde] nog geen maand later door de politie aangehouden op verdenking van mishandeling van een buurvrouw. Volgens hem was het geen mishandeling maar hij erkent wel dat hij de buurvrouw een duw heeft gegeven.
2.7.
[gedaagde] stelt dat álle klachten uit de koker van deze ene buurvrouw komen en dat sprake is van een uit de hand gelopen burenruzie. De advocaat van Woonstad heeft echter verklaard dat de klachten afkomstig zijn van drie omwonenden en niet slechts van één klager.
2.8.
Dat sprake is van (klachten van) meerdere buren volgt ook uit de door de politie opgestelde bestuurlijke rapportage van 28 november 2023 met daarin een sfeerimpressie van de wijkagent over het afgelopen jaar. In die rapportage wordt beschreven dat de wijkagent in verband met de vele overlastmeldingen meerdere keren in gesprek is gegaan met [gedaagde] en zijn zoon en dat zij daarbij ook richting hem zeer agressief gedrag hebben vertoond. Onder andere heeft [gedaagde] daarbij – onder het pakken en boven zijn hoofd houden van een stalen steigerbuis die hij naast de achterdeur had staan – gezegd: ‘hier ga ik mee slaan’ (doelend op de buurvrouw). De wijkagent maakt zich ernstig veel zorgen om de directe omgeving van de familie [gedaagde] en schrijft van mening te zijn dat “een hele galerij ‘gegijzeld’ wordt door 1 huisnummer”. De kantonrechter ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de rapportage.
Dat er volgens [gedaagde] zestien buren zijn die zeggen geen overlast van [gedaagde] en zijn zoon te ervaren en een goede verstandhouding met hen hebben, neemt niet weg dat er omwonenden zijn die wél overlast ervaren. [gedaagde] mag aan niemand overlast veroorzaken en zich tegenover niemand agressief, intimiderend of bedreigend gedragen. Medische of psychische aandoeningen zijn ook geen rechtvaardiging voor het vertonen van zulk gedrag.
2.9.
Uit het voorgaande komt naar voren dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in het nakomen van zijn kernverplichting om zich als goed huurder te gedragen. De laatste kans in de vorm van een gedragsaanwijzing heeft er niet toe geleid dat [gedaagde] zijn gedrag heeft aangepast. Het evidente woonbelang van [gedaagde] en zijn zoon om in de woning te kunnen blijven wonen weegt niet op tegen het belang van Woonstad om het woongenot van haar huurders te beschermen. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op zijn medische situatie en de gezondheidstoestand van zijn zoon. Die lijken op basis van de stukken inmiddels stabiel te zijn.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, met alle daarin zich bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad te betalen de maandelijkse huurprijs en servicekosten van totaal € 590,18 per maand vanaf 1 februari 2024 tot de datum waarop de woning is ontruimd;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.215,72;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
34286