Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-21
ECLI:NL:RBROT:2024:2892
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,655 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 21 maart 2024
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 29 november 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van
14 maart 2024. Verzoekster was niet aanwezig.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit WIA-uitkering en verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 477.476,11.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekers dienen te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoekers kunnen worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekers voor wat betreft hun inspanningen de schulden te voldoen of acties hunnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Het overgrote deel van de schuldenlast komt voort uit de onderneming die verzoeker op zijn naam heeft gevoerd. Verzoeker was bestuurder en certificaathouder van een uitzendbureau, [naam uitzendbureau] . tot 1 januari 2022. De aandelen worden gehouden door een stichting ( [naam stichting] ) waarvan verzoeker bestuurder was. Via de onderneming werden tussen 30 en 50 personen uitgezonden. Verzoeker heeft als bestuurder van deze onderneming twee overeenkomsten gesloten met Funding Circle. Verzoeker heeft een particuliere borgtocht afgegeven ten behoeve waarvan hij zich jegens Funding Circle voor maximaal € 257,000.00 borg stelde voor de nakoming van de verplichtingen van [naam uitzendbureau] jegens Funding Circle. Funding Circle heeft bij brief van 23 juli 2020 de hoofdsom van de geldleningen volledig opgeëist bij [naam uitzendbureau] . Op dezelfde datum heeft Funding Circle ook verzoeker aangesproken op grond van de borgtocht overeenkomsten. Verzoeker heeft niet aan dit betalingsverzoek voldaan.
Voorafgaand aan de indiening van dit verzoek heeft verzoeker tijdens het schuldhulpverleningstraject gezwegen over de aanspraak van en de rechtszaak die Funding Circle toen tegen hem voerde. Verzoeker heeft een minnelijke regeling gesloten met zijn overige schuldeisers. Nadien heeft Funding Circle een toewijzend vonnis tegen verzoeker verkregen. Daardoor is de minnelijke regeling mislukt.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard hij de onderneming heeft overgedragen aan een nieuwe bestuurder die verzoeker niet kent, dit is echter niet geregistreerd in het handelsregister. Verzoeker heeft zich als bestuurder uitgeschreven op 11 januari 2022. Verzoeker zegt dat de vennootschap nog bestaat en mogelijk andere schulden zal kunnen hebben. Verzoeker zegt dat hij ook als bestuurder van de [naam stichting] is uitgeschreven. De gang van zaken wekt de indruk dat verzoeker de zeggenschap over [naam uitzendbureau] heeft overgedragen aan een stroman zonder zich te bekommeren over de boekhouding en schuldeisers van de vennootschap. De kans bestaat dat verzoeker aansprakelijk is voor andere schulden van de vennootschap. Verder heeft verzoeker als bestuurder nog geen verantwoording afgelegd voor zijn taakvervulling. Hij heeft over deze gang van zaken gezwegen naar zijn schuldhulpverlener toe. Deze onduidelijkheid maakt dat verzoeker onvoldoende saneringsgezind is en daarmee nog niet klaar is om toegelaten te worden tot de regeling. Verzoeker heeft zijn goede trouw ten aanzien van het ontstaan, althans het onbetaald blijven van de schuld aan Funding Circle niet aannemelijk kunnen maken.
Nakoming verplichtingen
Naast de goede trouw moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekers de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Het naar behoren nakomen van de inspanningsverplichting is nog niet voldoende aannemelijk gemaakt. Verzoeker is deels arbeidsongeschikt waardoor deze verplichting voor hem niet geheel zal gelden, maar deels wel. Verzoekster werkt tot op heden 7.5 uur in de week en heeft, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van hun verzoek, geen sollicitaties of stukken waaruit blijkt dat zij niet in staat is om meer arbeid te verrichten overgelegd. Hierdoor is het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekers zich tijdens de schuldsaneringsregeling zullen inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Feiten
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.