Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-05
ECLI:NL:RBROT:2024:2771
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
994 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4020 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2024 op het verzet van
[opposant], te [plaatsnaam], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 juli 2023 in het geding tussen
opposant
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college.
Inleiding
1. Opposant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 12 juli 2023, waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 21 maart 2024 op zitting uitgeroepen. Partijen zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.
De uitspraak van 12 juli 2023
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat te laat beroep (meer dan een jaar te laat) is ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het college van 17 mei 2022, en dat het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank heeft verder overwogen dat opposant in het beroep met zaaknummer ROT 22/2806 eveneens beroep had ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 17 mei 2022, maar dat dat beroep door eiser per e-mail is ingetrokken.
Het verzet van opposant
3. Opposant ontkent in verzet de intrekking van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 17 mei 2022. Opposant betoogt verder dat het college zijn uitkering ten onrechte heeft beëindigd. Eiser heeft geen inkomen.
Beoordeling
4. In deze procedure moet de verzetrechter de vraag beantwoorden of het beroep van opposant terecht zonder zitting is afgedaan, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de beoordeling van de verzetrechter beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de buiten-zittinguitspraak. Als dat het geval is, dan is het verzet gegrond en komt de buiten-zittinguitspraak te vervallen. Het onderzoek wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
5. De verzetrechter overweegt het volgende. Op 17 mei 2022 heeft het college een beslissing op bezwaar genomen met kenmerk [nummer]. Hiertegen heeft opposant op een voorlopige voorziening zitting van 7 juni 2022 beroep ingesteld, zoals blijkt uit een brief van de rechtbank van 16 juni 2022. Op 16 augustus 2022 heeft opposant de rechtbank per e-mail meegedeeld: “Hierbij doe ik de zaak sluiten. Dus hoef geen zaak meer.” De rechtbank heeft dit opgevat als een intrekking van het beroep. Dit is door de rechtbank vervolgens schriftelijk aan opposant bevestigd bij brief van 17 augustus 2022. Opposant heeft niet meer op deze brief gereageerd. Met wat opposant in verzet heeft aangevoerd, is geen twijfel ontstaan over de buiten-zittinguitspraak.
Conclusie
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaaknummer ROT 22/2396