Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-01
ECLI:NL:RBROT:2024:2591
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,087 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10643578 CV EXPL 23-21936
datum uitspraak: 1 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Waterweg Wonen,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Rademaker.
De partijen worden hierna ‘Waterweg’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 24 juli 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de aanvullende producties van Waterweg;
de ter zitting namens Waterweg overgelegde stukken;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Waterweg;
1.2.
Op 2 februari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig:
namens Waterweg mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] , wijkconsulenten, bijgestaan door de gemachtigde;
[gedaagde] met de gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 2006 de woning aan de [adres] in Vlaardingen van Waterweg. Waterweg wil de huurovereenkomst ontbinden, omdat zij vermoedt dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft en de woning onderverhuurt en/of in gebruik heeft gegeven aan derden. [gedaagde] is namelijk niet ingeschreven op het adres van de woning, is niet thuis als er huisbezoeken worden afgelegd, heeft een koopwoning en laat zijn post bezorgen op een ander adres.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Het klopt dat hij vanwege omstandigheden niet meer staat ingeschreven op het adres van het gehuurde, maar hij heeft daar wel zijn hoofdverblijf. Met de inschrijving van andere bewoners, zoals zijn ex-partner en het gezin van zijn broer, is Waterweg akkoord gegaan. Na het eindigen van de relatie met zijn ex-partner is zij nog enige tijd in de woning gebleven. Toen bleek dat zij belangrijke post van [gedaagde] had weggegooid, heeft hij zijn adres gewijzigd. Verder is [gedaagde] niet altijd thuis omdat hij mantelzorger is van zijn moeder, die in Capelle aan den IJssel woont. Waterweg was daarvan op de hoogte en heeft daar eerder geen probleem van gemaakt. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [gedaagde] foto’s van de inrichting van de woning en e-mail-correspondentie met Waterweg overgelegd.
De uitkomst
2.3.
De kantonrechter neemt nog geen beslissing over de eis en stelt [gedaagde] in de gelegenheid om bewijs van zijn stellingen te leveren. Hierna wordt toegelicht waarom.
Het bewijsbeding in de huurvoorwaarden is niet onredelijk bezwarend
2.4.
In deze zaak moet beoordeeld worden of [gedaagde] zijn hoofverblijf in het gehuurde heeft en of hij de woning zonder toestemming van Waterweg heeft onderverhuurd of in gebruik gegeven aan derden. Waterweg stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] , in afwijking van de wet, op grond van artikel 6.5 van de toepasselijke huurvoorwaarden de bewijslast draagt van zijn stellingen. Volgens [gedaagde] is dit beding echter oneerlijk en nietig, omdat het de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van partijen verstoort. Het betreffende beding luidt, voor zover hierbij van belang, als volgt:
“(…) Indien verhuurder vermoedt dat huurder niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde houdt, dan wel het gehuurde onderverhuurt of in gebruik geeft aan derden, dan is het aan huurder om te bewijzen dat hij wel onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning houdt, dan wel dat hij de woning niet onderverhuurt of in gebruik geeft aan derden. (…)”
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding niet onredelijk bezwarend is, omdat de omstandigheden waarop de wijziging van de bewijslast in het artikel betrekking heeft, geheel in de sfeer van de huurder liggen. Een dergelijke wijziging van de bewijslast wordt aanvaardbaar geacht, omdat de huurder op de hoogte is, of in ieder geval behoort te zijn, van wat er zich in het gehuurde afspeelt aangezien hij daarover voortdurend de beschikking heeft terwijl dat niet geldt voor de verhuurder.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht
2.6.
Gelet op het voorgaande ligt het op de weg van [gedaagde] om te bewijzen dat hij onafgebroken zijn hoofdverblijf houdt in de woning houdt, dan wel dat hij de woning niet onderverhuurt of in gebruik geeft aan derden. Hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd is echter ontoereikend om tot deze conclusie te komen. Op de door [gedaagde] overgelegde foto’s is weliswaar een ingerichte en gestoffeerde woning te zien, maar daarmee is niet gezegd dat hij (de enige is die) in het gehuurde verblijft. Verder heeft hij bijvoorbeeld geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat Waterweg toestemming heeft gegeven voor de inschrijving van andere personen op het adres van de woning. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] nieuwe stellingen aangevoerd die niet in zijn antwoord aan de orde zijn gekomen. Zo heeft hij verklaard dat hij zelf niet op het adres van de woning staat ingeschreven in verband met het naturalisatieproces van zijn huidige partner. Dat proces zou in 2018 of 2019 zijn gestart en is inmiddels afgerond. De gemeente Capelle aan den IJssel heeft [gedaagde] geadviseerd om zich gedurende het naturalisatieproces niet bij een andere gemeente in te schrijven, aldus [gedaagde] . Ook deze stellingen, die door Waterweg worden betwist, heeft hij onvoldoende onderbouwd.
2.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] meermaals een uitdrukkelijk bewijsaanbod gedaan. De kantonrechter geeft hem daarom een bewijsopdracht zoals omschreven in de beslissing van dit vonnis. Als [gedaagde] daarin slaagt, wordt de eis van Waterweg in beginsel afgewezen. Slaagt hij daarin niet, dan wordt de huurovereenkomst in beginsel ontbonden en moet [gedaagde] de woning verlaten.
2.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat hij onafgebroken zijn hoofdverblijf houdt in de woning houdt, dan wel dat hij de woning niet onderverhuurt of in gebruik geeft aan derden;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als [gedaagde] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van dinsdag 2 april 2024 om 11:30 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden mei tot en met augustus 2024;
3.4.
wijst erop dat [gedaagde] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als [gedaagde] op een andere manier bewijs wil leveren, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
43416
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1443