Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-01-15
ECLI:NL:RBROT:2024:241
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,273 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/670639 / JE RK 23-2907
Datum uitspraak: 15 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige01]
, geboren op [geboortedatum01] 2006 in [plaats01] ,
hierna te noemen [minderjarige01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats01] ,
[naam02]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats01] .
1
Het verloop van de procedure
2. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 12 december 2023.
2.1.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI, te weten [naam03] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
Aan de moeder is in het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand als advocaat
mr. R. van Noord aangewezen. Mr. R. van Noord heeft echter aangegeven dat hij uitsluitend [minderjarige01] bijstaat.
2.2.
De kinderrechter heeft [minderjarige01] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige01] heeft hierover in aanwezigheid van mr. R. van Noord een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige01] heeft verteld.
Feiten
3.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] .
3.2.
[minderjarige01] verblijft bij [instelling01] .
3.3.
Bij beschikking van 6 juli 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] verlengd tot
1 juni 2024 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten in een kamertrainingscentrum, verleend van 6 juli 2023 tot
1 juni 2024.
4
Het verzoek
4.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot meerderjarigheid, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
5
De standpunten
5.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd.
5.2.
De vader heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige01] op zijn plek zit bij [instelling01] .
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek).
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige01] gedragsproblemen laat zien. Hij heeft moeite met het accepteren van gezag, heeft een zelfbepalende houding en gaat om met antisociale jongeren, die een negatieve invloed op hem hebben. Daardoor is [minderjarige01] betrokken geraakt bij het plegen van strafbare feiten, waarvoor hij is veroordeeld. Ook wordt hij opnieuw verdacht van betrokkenheid bij het plegen van strafbare feiten, waarvoor de zitting al is geweest maar de uitspraak nog wordt afgewacht. Op 18 december 2023 is [minderjarige01] bij [instelling01] geplaatst. Hij heeft inmiddels een dagbesteding in de vorm van een opleiding. [minderjarige01] gaat naar school en is bezig met sport. Dit is een prille positieve ontwikkeling.
Door de eerdere vermissing van [minderjarige01] en zijn verblijf binnen de jeugddetentie is de eerder verleende machtiging uithuisplaatsing door de GI niet binnen drie maanden ten uitvoer gelegd. Daarom is het in het belang van [minderjarige01] om opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, zodat hij bij [instelling01] verder begeleid kan worden naar zelfstandigheid. Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen tot aan zijn meerderjarigheid.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 15 januari 2024 tot 1 juni 2024;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2024 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 18 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.