Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-26
ECLI:NL:RBROT:2024:2338
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,694 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/750114-20
Datum uitspraak: 26 februari 2024
Tegenspraak (279 Sv)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen in Nederland,
zonder bekende vaste woon-of verblijfplaats in Nederland,
raadsvrouw mr. P. van Dongen, advocaat te Amsterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A.M.F. de Rooij heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie verwijt de verdachte, kort gezegd, dat hij in of omstreeks de periode van 29 februari 2020 tot en met 1 maart 2020 tezamen en vereniging met (twee) anderen bijna 400 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans daartoe voorbereidingen heeft getroffen. De verdachte heeft twee medeverdachten die (onbevoegd) aanwezig waren op het terrein van de ECT Delta Terminal B.V./Hutchison Port (hierna: ECT) op de Maasvlakte, met het doel om pakketten met cocaïne over te laden, in zijn auto vervoerd en geprobeerd hen van het ECT terrein af te brengen. Er was daarom sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten.
4.1.2.
Beoordeling
In een tweetal vonnissen van de rechtbank op de dag van de onderhavige uitspraak, heeft de rechtbank de twee medeverdachten veroordeeld voor de voorbereidingshandelingen. Bewezen is dat zij zich omstreeks de ten laste gelegde periode van 29 februari 2020 tot en met 1 maart 2020 in de desbetreffende containers hebben opgehouden, terwijl in één van die containers bijna 400 kilo cocaïne is gevonden.
De cocaïne is op 1 maart 2020 om 09.30 uur in beslag genomen. Vast staat dat de verdachte, die werkzaam was bij een op het terrein van de ECT gevestigd bedrijf, op 1 maart 2020 rond 23.30 uur de beide medeverdachten in zijn auto over het terrein van de ECT heeft vervoerd. Hij heeft geprobeerd het terrein met zijn auto te verlaten, maar hij en de medeverdachten zijn aangehouden. In de auto is geen cocaïne aangetroffen. Er is geen bewijs dat de verdachte de beide medeverdachten heeft geholpen om omstreeks 29 februari 2020 het terrein op te komen of hen aanwijzingen heeft gegeven, danwel dat de verdachte in één van de containers is geweest. Er is evenmin bewijs dat de verdachte op enige andere manier heeft deelgenomen aan het binnen het grondgebied brengen van de cocaïne of daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en mrs. L.J.M. Janssen en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 29 februari 2020 tot en met 1 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht al dan niet bedoeld als in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 398 kilogram cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 februari 2020 tot en met 1 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 398 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/ of
zich en/of (een) ander (en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat die/feit(en)heeft getracht te verschaffen, en/of
voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (één of meer van zijn) verdachtes, mededader(s)
zich opgehouden in een container [containernummer 1] ) en/of
zich opgehouden in een container ( [containernummer 2] ) met daarin (onder andere) 399 pakketten bevattende ongeveer 398 kilogram cocaïne en/of
met als doel deze pakketten (inhoudende cocaïne) vervolgens over te laden.