Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-06
ECLI:NL:RBROT:2024:2248
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,696 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 6 maart 2024
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 18 januari 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 januari 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 31 januari 2024.
Ter zitting van 31 januari 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw M. Kimpese, vriendin van verzoeker;
de heer mr. J. Pearson, advocaat.
Ter zitting van 31 januari 2024 heeft de rechtbank de zaak aangehouden tot 28 januari 2024.
De heer J.A. Wesdijk, werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V. (hierna: GGN) heeft namens Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster) op 26 februari 2024 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De advocaat van verzoeker heeft op 28 februari 2024 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2019 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Met behulp van de schuldhulpverlener is verzoeker bezig om zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Verzoeker ontvangt inkomen uit zijn onderneming. Verzoeker laat zijn inkomen over maken op de betalingsrekening van de schuldhulpverlener, waardoor voldoende aannemlijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig worden betaald. Ook blijkt uit de aanvullende stukken van 28 februari 2024 dat de huur van januari en februari 2024 op 8 februari 2024 zijn betaald en dat de huur van maart 2024 op 28 februari 2024 is betaald.
3Het verweer
Verweerster heeft in haar verweerschrift van 26 februari 2024 aan de rechtbank te kennen gegeven akkoord te gaan met het toewijzen van het verzoek. Verweerster is akkoord onder de voorwaarde dat het moratorium komt te vervallen wanneer de lopende termijnen niet tijdig worden betaald.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2019 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 4 december 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 januari 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 18 oktober 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker laat zijn inkomen over maken op de betalingsrekening van de schuldhulpverlener, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig worden betaald. Daarnaast is uit de stukken naar voren gekomen dat de huur van januari, februari en maart 2024 is voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 18 oktober 2019 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 19 januari 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024.