Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-08
ECLI:NL:RBROT:2024:2205
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,467 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10614140 CV EXPL 23-20308
datum uitspraak: 8 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser1]
,
woonplaats: [woonplaats1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. J. Landman,
tegen
[gedaagde1] ,
die handelt onder de naam
[handelsnaam1]
,
woonplaats: [woonplaats2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser1] ’ en ‘ [gedaagde1] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 6 juli 2023, met bijlagen;
het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de e-mail van [gedaagde1] van 21 januari 2023, met bijlagen.
1.2.
Op 31 januari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser1] en zijn gemachtigde en [gedaagde1] , vergezeld door zijn echtgenote.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiser1] en [gedaagde1] hebben samengewerkt in een vennootschap onder firma, onder de naam [handelsnaam1] . Dit is vastgelegd in een vennootschapsovereenkomst. De samenwerking is in december 2022 geëindigd, op initiatief van [eiser1] . [gedaagde1] heeft de onderneming voortgezet. [eiser1] vordert in deze procedure een aantal verklaringen voor recht en een bedrag van € 13.137,81 plus rente en incassokosten.
2.2.
[eiser1] vordert in reconventie een bedrag van € 77.424,- van [gedaagde1] . Hij baseert die vordering op overtreding van het concurrentiebeding in de vennootschapsovereenkomst door [eiser1] . Hij maakt aanspraak op de contractuele boete en daarnaast op vergoeding voor de schade die hij lijdt.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser1] zich mocht uitschrijven als vennoot en de vennootschapsovereenkomst per 1 december 2022 mocht beëindigen. [eiser1] moet, na verrekening, nog een bedrag van € 7.474,19 aan [gedaagde1] betalen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
Bevoegdheid van de kantonrechter
2.4.
[eiser1] heeft een aantal verklaringen voor recht gevorderd, terwijl er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat die vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,-. [gedaagde1] heeft in reconventie een bedrag gevorderd dat hoger is dan € 25.000,-. Op de zitting heeft de kantonrechter partijen voorgehouden dat dit betekent dat zij niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. Partijen hebben er beide voor gekozen om op basis van artikel 96 Rv een beslissing van de kantonrechter te vragen. Zij hebben zich beide het recht op hoger beroep voorbehouden.
[eiser1] mocht de vennootschap onder firma ontbinden
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser1] de vennootschap onder firma per 1 december 2022 mocht ontbinden. Artikel 14 lid 1 vijfde bullet van de vennootschapsovereenkomst geeft [eiser1] in geval van een niet behoorlijke nakoming van de bepalingen van de overeenkomst door [gedaagde1] het recht om te ontbinden. [gedaagde1] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de vennootschapsovereenkomst. Toen [eiser1] op 4 november 2022 een voorstel deed om de samenwerking te beëindigen, heeft hij direct de toegang van [eiser1] tot de accounts van de onderneming geblokkeerd. Daarmee werd het gezamenlijk exploiteren van de onderneming, het doel van de vennootschap onder firma (artikel 2 lid 2 van de overeenkomst), onmogelijk door toedoen van [gedaagde1] .
2.6.
Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser1] zich mocht uitschrijven als vennoot uit de vennootschap onder firma en de vennootschapsovereenkomst mocht ontbinden per 1 december 2022 toegewezen.
[eiser1] heeft aanspraak op een bedrag van € 13.137,81
2.7.
[eiser1] maakt aanspraak op de helft van het banksaldo van 30 november 2022 (€ 5.604,25), 25% van het debiteurensaldo per 30 november 2022 (€ 6.783,56) en de fee over december 2022 (€ 750,-). Dit is in totaal € 13.137,81. [gedaagde1] heeft erkend dat [eiser1] recht heeft op dit bedrag, zij het dat hij vindt dat hij het een en ander te verrekenen heeft met dit bedrag. Gelet op de erkenning van [gedaagde1] staat de aanspraak van [eiser1] op dit bedrag vast. Of er iets te verrekenen is, wordt hierna beoordeeld. Bij de gevorderde verklaring voor recht dat ‘ [gedaagde1] de onderneming heeft voortgezet en aan [eiser1] de waarde van zijn aandeel in het vermogen van de vennootschap moet uitkeren’ heeft [eiser1] geen belang (meer). Deze verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen.
De geldigheid van de bepalingen uit de vennootschapsovereenkomst
2.8.
[eiser1] vordert een verklaring voor recht dat voor de financiële afwikkeling van de vennootschap onder firma de bepalingen van de vennootschapsovereenkomst buiten aanmerking dienen te worden gelaten, voor zover deze de afwikkeling zoals door [eiser1] voorgesteld doorkruisen en/of hem in een nog nadeliger positie brengen dan waarin hij nu reeds door [gedaagde1] is gebracht. Meer in het bijzonder moeten volgens [eiser1] buiten toepassing worden gelaten de bepalingen omtrent opzegging van de vennootschap, het concurrentiebeding en de boetebedingen.
2.9.
De kantonrechter oordeelt dat het eerste deel van de gevraagde verklaring voor recht te ruim omschreven is om deze te kunnen toewijzen. In dat deel van de vordering is immers onduidelijk wat wordt bedoeld met “de bepalingen van de vennootschapsovereenkomst (…) die…”.
2.10.
Waar [eiser1] vordert om voor recht te verklaren dat de bepalingen over opzegging van de overeenkomst buiten toepassing moeten blijven, heeft hij geen belang (meer) bij die vordering, omdat hiervoor al is geoordeeld dat hij de overeenkomst per 1 december 2022 mocht ontbinden.
2.11.
Blijven staan het concurrentiebeding en de boetebepalingen. De kantonrechter oordeelt dat er geen reden is om die bedingen buiten toepassing te verklaren, zodat ook wat dit betreft de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Voor het buiten toepassing laten van het concurrentiebeding en de boetebepalingen zou sprake moeten zijn van een situatie waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde1] zich op deze bepalingen kan beroepen. Dat is hier niet het geval. Uit de door [eiser1] geschetste gang van zaken en de door hem overgelegde stukken volgt dat de samenwerking niet is verlopen zoals partijen hadden gewenst en verwacht. Er is echter geen sprake van zodanige gedragingen van [gedaagde1] dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het mislukken van de samenwerking. Hier is sprake van twee ondernemers die qua werkwijze – en ook qua persoonlijkheid – niet matchen. De kantonrechter ziet niet dat de ene partij hierin een zwaarder verwijt valt te maken dan de andere en in ieder geval niet zoveel zwaarder dat het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de tussen partijen overeengekomen bepalingen te handhaven. Daarbij speelt ook een rol dat het hier gaat om een zakelijke overeenkomst, waarbij partijen nu juist voor het geval de samenwerking eindigt bepalingen hebben opgenomen waaraan zij zich dan moeten houden.
Overtreding van het concurrentiebeding
2.12.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser1] het concurrentiebeding van artikel 17 lid 1 van de vennootschapsovereenkomst heeft overtreden. Hij is immers in het eerste jaar na beëindiging van de vennootschap onder firma werkzaam geweest bij een soortgelijke onderneming, zonder dat [gedaagde1] daarvoor toestemming heeft gegeven.
2.13.
Het verbod van lid 1 van artikel 17 van de overeenkomst ziet alleen op het ‘werkzaam zijn bij een andere soortgelijke onderneming’. Er is geen apart verbod opgenomen voor het bedienen van (voormalige) klanten van [handelsnaam1] en/of het gebruiken van intellectueel eigendom. Dit betekent dat de boete die in lid 3 van artikel 17 van de overeenkomst is opgenomen, maar één keer door [gedaagde1] gevorderd kan worden. De boete bedraagt (in beginsel) € 5.000,- plus 1% van dit bedrag per dag dat de overtreding voortduurt. [eiser1] heeft de berekening van [gedaagde1] dat het om een periode van 181 dagen gaat niet weersproken. Daarmee komt de boete in beginsel op € 14.050,-.
2.14.
Lid 3 van artikel 17 van de overeenkomst geeft [gedaagde1] ook aanspraak op schadevergoeding (“onverminderd alle verdere rechten…”). Die schade is volgens [gedaagde1] € 9.037,- door het verlies van klant [klant1] en € 12.187,- voor klant [klant2] . Deze bedragen zijn, zo heeft [gedaagde1] toegelicht, gebaseerd op de bedragen die op de offertes voor deze beide klanten zijn vermeld.
2.15.
[eiser1] heeft gesteld dat [klant1] de campagne bij [handelsnaam1] heeft ‘uitgedraaid’. [gedaagde1] zou de omzet van [klant1] dus gewoon hebben ontvangen. Het bedrag dat voor [klant2] wordt genoemd, heeft [eiser1] niet specifiek betwist. Hij heeft wel opgemerkt dat hij de door [gedaagde1] genoemde bedragen niet kan volgen en dat nergens een goede kostprijsberekening uit blijkt.
2.16.
Dictum
De kantonrechter:
In conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [eiser1] zich mocht uitschrijven als vennoot uit de vennootschap onder firma en de vennootschapsovereenkomst mocht ontbinden per 1 december 2022;
In reconventie
3.2.
veroordeelt [eiser1] om aan [gedaagde1] te betalen € 7.474,19 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 augustus 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;
In conventie en in reconventie
3.4.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
51909