Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-18
ECLI:NL:RBROT:2024:2186
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,581 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/642755 / FA RK 22-5509
Beschikking van 18 maart 2024 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam1]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats1] ,
advocaat mr. G.M.H. Vriesde te Rotterdam,
t e g e n
[naam2]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats2] ,
advocaat mr. G.G. Kempenaars te Almere,
ouders van de minderjarigen:
[kind1]
, geboren op [geboortedatum1] 2010 te [geboorteplaats1 ] ;
[kind2]
, geboren op [geboortedatum2] 2015 te [geboorteplaats2] ;
[kind3]
; geboren op [geboortedatum3] 2017 te [geboorteplaats3] .
1
Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 24 november 2022 zijn -voor zover van belang- partijen samen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast, is een voorlopige regeling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld en is de behandeling ten aanzien van de definitieve zorgregeling pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een mediationtraject te volgen.
1.2.
Partijen hebben de rechtbank bericht dat het mediationtraject niet geslaagd is en dat voortzetting van de mondelinge behandeling gewenst is.
1.3.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 28 februari 2024. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam - Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam3] .
2
De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in de tussenbeschikking.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 28 februari 2024 heeft de man zijn verzoek gehandhaafd. Hij stelt dat de zorgregeling met [kind2] en [kind3] al ruim een jaar goed verloopt en dat het tijd is voor uitbreiding op de wijze zoals verzocht. Met [kind1] is er geen omgang. Met haar dient zo spoedig mogelijk contactherstel plaats te vinden, aldus de man.
2.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen uitbreiding van de zorgregeling met betrekking tot [kind2] en [kind3] , omdat deze nog niet goed genoeg verloopt. Met [kind1] is nog geen zorgregeling mogelijk omdat zij zich daartegen verzet, aldus de vrouw.
2.4.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het grootste obstakel tussen partijen lijkt te zitten, niet tussen de man en de minderjarigen. De raad is van mening dat er niets in de weg staat aan uitbreiding van de zorgregeling met [kind2] en [kind3] omdat deze goed verloopt. Met betrekking tot [kind1] heeft de raad aangegeven dat het niet goed is om haar te dwingen maar dat de huidige situatie ook niet goed is voor haar ontwikkeling. Het is in haar belang dat de relatie tussen haar en de man normaliseert. Een kindbehartiger zoals door de vrouw voorgesteld zou een goede oplossing zijn omdat ouders een kind leren om een probleem op te lossen.
[kind2] en [kind3]
2.5.
De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat frequent, structureel en substantieel contact tussen minderjarige kinderen en de niet-verzorgende ouder van essentieel belang is voor een gezonde ontwikkeling van minderjarige kinderen. Slechts indien sprake is van ernstige contra-indicaties moet van dit uitgangspunt worden afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van [kind2] en [kind3] geen sprake is van contra-indicaties voor uitbreiding. De huidige zorgregeling is erg summier en komt naar het oordeel van de rechtbank niet in voldoende mate tegemoet aan voormeld uitgangspunt. Zo is geen sprake van overnachtingen bij de man. Dit is voor kinderen een gemis. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de huidige zorgregeling al meer dan een jaar naar behoren verloopt zodat het tijd is voor uitbreiding. De vrouw benoemt zorgen ten aanzien van de weekendregeling en de vakanties en feestdagen. [kind2] zou na verblijf bij de man last hebben van een allergie, de minderjarigen zouden bij de man te weinig te eten krijgen en [kind2] zou bij de man door een hond zijn gebeten. De man heeft de laatste twee punten betwist. Ten aanzien van de allergie dienen partijen in goed overleg in staat te zijn hier een passende oplossing voor te bedenken. Niets staat in de weg aan een zorgregeling zoals de man die heeft verzocht. De vrouw heeft ook aangegeven dat de man op woensdag met [kind3] mee naar zwemles kan en is akkoord met de bel- of videocontactregeling. Het verzoek zal daarom worden toegewezen met een nuancering. De man heeft namelijk verzocht om een zorgregeling eens per twee weken op woensdag tot 18:00 uur, alsmede wekelijks bel- of videocontact op woensdag om 18:00 uur. Dit laatste is in de week waarin de zorgregeling op de woensdag plaatsvindt uiteraard overbodig, zodat zal worden bepaald dat dit contact alleen in de andere week zal plaatsvinden.
[kind1]
2.6.
De rechtbank overweegt dat [kind1] dusdanige weerstand vertoont tegen contact met de man dat het opleggen van zorgregeling op dit moment niet haalbaar is. Dat neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat contactherstel, gezien het uitgangspunt genoemd in rechtsoverweging 2.5, wel in haar belang is. De vrouw heeft voorgesteld om hulpverlening in te schakelen, bijvoorbeeld een kindbehartiger via het Wijkteam om [kind1] hierbij te helpen. De man kan zich daar ook in vinden maar maakt zich zorgen over de vrijblijvendheid daarvan. De rechtbank meent dat de vrouw een goed voorstel heeft gedaan, dat met beide handen aangegrepen dient te worden. Met de man is de rechtbank het eens dat de inzet van een kindbehartiger ook wel echt van de grond moet komen. De rechtbank zal om die reden een bijzondere curator benoemen op grond van artikel 1:250 BW om de belangen van de minderjarige in dit verband te behartigen en haar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen. De behandeling van het verzoek zal daartoe worden aangehouden.
2.7.
[naam4], advocaat, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe ambtshalve door de rechtbank worden benoemd, met als opdracht de belangen van de minderjarige ter zake te behartigen en
te onderzoeken waarin de weerstand, die [kind1] heeft ten opzichte van (het contact met) haar vader, is gelegen. Ook moet de bijzondere curator onderzoeken of er nu of in de toekomst mogelijkheden zijn voor contacten tussen [kind1] en de vader. Als dit mogelijk is, zou de bijzondere curator de minderjarige wellicht kunnen ondersteunen bij het hervatten van dit contact. Verder kan de bijzondere curator in kaart brengen wat de minderjarige nodig heeft om uit het loyaliteitsconflict waarin zij mogelijk verkeert, te komen en niet langer last te hebben van de onderlinge strijd tussen haar ouders. Als de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar vrij ook een advies uit te brengen over benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige.
2.8.
Verder verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen.
2.9.
De bijzondere curator richt het onderzoek in op de manier die zij passend en nodig vindt. Voor het uitvoeren van de opdracht is het noodzakelijk dat ouders meewerken aan het onderzoek van de bijzondere curator. De rechtbank vertrouwt er op dat, in eerste instantie de vrouw, de medewerking van [kind1] ook zal bevorderen.
2.10.
De rechtbank heeft tweemaal van [kind1] een brief ontvangen waarin zij haar mening geeft. De rechtbank oordeelt dat het in deze zaak van belang is dat de rechtbank aan [kind1] uitlegt wat de beslissing is en waarom. De volgende tekst zal per post aan [kind1] worden gestuurd.
‘
Beste [kind1] ,
Dictum
De rechtbank:
3.1.
stelt vast dat [kind2] en [kind3] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn als volgt:
eens per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de man hen bij de vrouw ophaalt en terugbrengt;
eens per twee weken op woensdagmiddag, waarbij de man hen uit school ophaalt, met hen in de omgeving van Rotterdam verblijft en hen om 18.00 uur weer terugbrengt bij de vrouw;
de helft van de vakantie- en feestdagen;
eens per twee weken bel- of videocontact op woensdag om 18.00 uur;
3.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
benoemt tot bijzondere curator teneinde [kind1] te vertegenwoordigen:
[naam4], kantoorhoudende aan [adres1] ;
3.4.
bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk twee weken voor na te melden datum van de mondelinge behandeling schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt inneemt over de omgang tussen [kind1] en haar vader;
en voor verder te beslissen:
3.5.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van
donderdag 6 juni 2024 te 12:00 uur
. De behandeling zal, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden voortgezet door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter;
3.6.
bepaalt dat een kopie van de beschikking zal gelden als oproep voor partijen, hun advocaten, de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.W. Panhuizen, griffier, op 18 maart 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.