Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-28
ECLI:NL:RBROT:2024:1929
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,062 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/638967 / FA RK 22-3691
Beschikking van 28 februari 2024 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam01]
, hierna: de moeder,
wonende te [woonplaats01] ,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,
t e g e n
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[naam02]
, de grootmoeder van vaderszijde, hierna: de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats02] .
Procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van 2 maart 2023;
het bericht met bijlage van de moeder van 29 augustus 2023;
het bericht met bijlagen van de GI van 22 september 2023;
het bericht van de moeder van 17 oktober 2023.
1.2.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 31 januari 2024. Daarbij zijn verschenen:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [naam03] en [naam04] ;
de pleegmoeder, vergezeld door [naam05] , pleegzorgbegeleider;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam06] .
Beoordeling
2.1.
Omgangsregeling
2.1.1.
De moeder verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 1:265g lid 2 BW een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast te stellen c.q. de bestaande regeling te wijzigen in die zin dat moeder gedurende drie maanden één keer per maand twee uur contact heeft met de minderjarige en vervolgens vier uur per maand contact heeft met de minderjarige [minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2019 te [geboorteplaats01]
2.1.2.
Bij beschikking van 2 maart 2023 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de minderjarige een keer in de drie weken anderhalf uur begeleide omgang heeft met de moeder. De behandeling van de zaak is voor het overige aangehouden in afwachting van berichtgeving van de advocaat van de moeder en de GI over de laatste stand van zaken. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat ten aanzien van de omgangsregeling is opgenomen in die beschikking.
2.1.3.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind.
2.1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling komt naar voren dat de moeder de duur van de omgang wil uitbreiden, de locatie van de omgang wil wijzigen en dat zij omgang wil zonder aanwezigheid van de pleegmoeder. De GI heeft aangegeven dat het wijzigen van deze drie onderdelen tegelijk teveel onrust voor de minderjarige zal opleveren. De wijzigingen dienen zo mogelijk na elkaar plaats te vinden. De huidige professional van Agathos die de omgang begeleidt is pas sinds het najaar van 2023 betrokken en voor de minderjarige nog geen hechtingsfiguur. De pleegmoeder is van mening dat anderhalf uur voor de minderjarige op dit moment het maximaal haalbare is. De raad heeft aangegeven dat moeder een eerlijke kans moet krijgen om tijdens de omgang zoveel mogelijk contact te kunnen hebben met de minderjarige en dat om die reden de omgang zonder aanwezigheid van de pleegmoeder dient plaats te vinden.
2.1.5.
De rechtbank kan zich het verzoek van de moeder heel goed voorstellen. Zij wil zo lang mogelijk en zoveel mogelijk contact met haar dochter. Het is de minderjarige die de grens aangeeft van wat mogelijk is. Zoals de GI heeft aangegeven is het niet in belang van de minderjarige dat alles opeens anders wordt. De minderjarige is een kwetsbaar meisje en het is niet in haar belang dat er teveel veranderingen tegelijk zijn. Het moet in stapjes gaan. De rechtbank zal overeenkomstig het advies van de raad een omgangsregeling vaststellen zonder aanwezigheid van de pleegmoeder waarbij zij de minderjarige wel brengt en na anderhalf uur weer ophaalt. Om de minderjarige hieraan te laten wennen, mede gelet op de betrokkenheid van een nog niet vertrouwde professionele omgangsbegeleider, zal de rechtbank bepalen dat de pleegmoeder tot de 5e verjaardag van de minderjarige maximaal 30 minuten bij het omgangsmoment aanwezig is en dat zij er vanaf de 5e verjaardag van de minderjarige niet meer bij is. Als de moeder zonder aanwezigheid van de pleegmoeder omgang heeft met de minderjarige, zal hopelijk de spanning rondom de omgang verminderen. De rechtbank is het met de raad eens dat de professionals de regie moeten nemen bij de begeleide omgang. Er zullen voortdurend veranderingen in het leven van de minderjarige zijn. Als de GI, in overleg met Agathos, mogelijkheden ziet voor uitbreiding van de omgang in tijd of wijziging van de locatie van de omgang, dan moeten zij daarop inspelen.
2.2.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
stelt vast dat de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht zal zijn als
volgt:
de minderjarige heeft een keer in de drie weken begeleide omgang met de moeder, waartoe de pleegmoeder de minderjarige brengt en na anderhalf uur weer ophaalt;
de pleegmoeder is tot de 5e verjaardag van de minderjarige maximaal 30 minuten aanwezig bij de omgang en zij is vanaf de 5e verjaardag van de minderjarige niet meer aanwezig bij de omgang;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.A.J. Ysebaert, griffier, op 28 februari 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.