Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-07
ECLI:NL:RBROT:2024:1886
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,860 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] – [nummer02]
uitspraakdatum: 7 februari 2024
[verzoeker01]
,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 10 januari 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 januari 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 januari 2024.
Ter zitting van 24 januari 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker;
P.M. Hoornweg, werkzaam bij stichting Veritas (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Mr. J.A. Wesdijk, werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V., heeft namens stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In het verweerschrift is tevens aangegeven dat er namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
De advocaat van verzoeker heeft op 31 januari 2024 aanvullende stukken toegezonden. De advocaat van verzoeker heeft deze stukken tevens aan verweerster toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2
Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 december 2019 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
De advocaat van verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat verzoeker niet in staat is zijn eigen administratie en financiën te beheren en hulp nodig heeft. Op 18 januari 2024 is verzoeker wederom onder bewind gesteld. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat hij al een gesprek heeft gehad met verzoeker en orde op zaken probeert te stellen. Verzoeker heeft of recht op een WW-uitkering, dan wel een Participatiewet-uitkering. De beschermingsbewindvoerder is bezig om hierover duidelijkheid te verkrijgen. De inkomsten uit uitkering zouden in ieder geval voldoende moeten zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen. Uit de op 31 januari 2024 toegezonden stukken blijkt dat de huur over de maand februari 2024 op 26 januari 2024 is voldaan.
3
Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek afgewezen dient te worden. De lopende huurbetalingen zijn sinds augustus 2023 niet meer voldaan. De huurachterstand is na het gewezen vonnis van de kantonrechter van 10 december 2019 met bijna € 10.000,-- toegenomen. De ontruiming is al driemaal aangezegd, te weten op 6 januari 2020, in
23 februari 2023 en op 15 november 2023. De ontruiming van de woning is diverse malen geannuleerd onder de voorwaarde dat verzoeker voor stipte betaling van de lopende huurtermijnen zou zorg dragen. Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Mocht het verzoek toch worden toegewezen, dan verzoekt verweerster in het vonnis op te nemen dat, mocht de lopende huur niet tijdig worden voldaan, het vonnis van 10 december 2019 alsnog ten uitvoer kan worden gelegd.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 december 2019 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 15 november 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 januari 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 december 2019 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Ten aanzien van verzoeker is bij beschikking van 18 januari 2024 beschermingsbewind uitgesproken. De beschermingsbewindvoerder is bezig orde op zaken te stellen en zal voor betaling van de vaste lasten van verzoeker zorg dragen. Verzoeker zal of inkomsten uit een WW-uitkering of een Participatiewet-uitkering ontvangen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Op
31 januari 2024 is er een betaalbewijs aan de rechtbank toegezonden, waaruit blijkt dat de huur over de maand februari 2024 op 26 januari 2024 is voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 10 december 2019 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres01] te [woonplaats01] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
10 januari 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2024.