Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-09
ECLI:NL:RBROT:2024:1537
Civiel recht
Beschikking
1,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/670485 / JE RK 23-2853
Datum uitspraak: 9 februari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering
,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[kind01]
,
geboren op [geboortedatum01] 2017 in [geboorteplaats01] , hierna te noemen: [kind01] ,
[kind02]
,
geboren op [geboortedatum02] 2019 in [geboorteplaats02] , hierna te noemen: [kind02] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats01] ,
[naam02]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats02] ,
[naam03] en [naam04]
,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1
Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 28 november 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 7 december 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 februari 2024. Daarbij waren aanwezig:
de pleegvader;
een vertegenwoordiger van de GI, [naam05] .
De ouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de ouders wel juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind01] en [kind02] .
2.2.
[kind01] en [kind02] verblijven in een perspectief biedend pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 27 januari 2023 is de ondertoezichtstelling van [kind01] en [kind02] verlengd tot 18 februari 2024. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] en [kind02] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 18 februari 2024.
3
Het verzoek
De GI verzoekt een verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind01] en [kind02] voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tevens een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] en [kind02] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4
Het standpunt van de GI
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het volgende toe. Ondanks de inzet van de jeugdbeschermer en de pleegouders, lukt het de ouders niet om een betrokken te zijn bij de kinderen. De ouders komen stelselmatig niet naar de bezoeken of de verjaardagen van de kinderen en hebben hun leven niet op orde. De moeder is welwillend, maar het lukt haar niet, terwijl de vader boos is. De onvoorspelbaarheid van de ouders is belastend voor de kinderen, met name voor [kind01] , mede als gevolg waarvan de bezoekregeling nu is teruggedraaid en de Raad is verzocht om onderzoek te doen naar een gezag beëindigende maatregel.
5
Het standpunt van de pleegvader
De pleegvader stemt in met het verzoek. Het gaat goed met de kinderen, het zijn echte broers. [kind02] gaat nu naar school en hij gedijt goed bij de structuur. [kind01] wordt ouder en stelt steeds meer vragen over de situatie en zijn perspectief. Hij heeft het lastig en hij wil graag duidelijkheid.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
6.2.
Er zijn nog altijd zorgen om de ontwikkeling van de kinderen. Deze zorgen zijn voornamelijk gelegen in de onvoorspelbaarheid en de instabiliteit van de beide ouders. De ouders hebben hun leven niet op orde, als gevolg waarvan zij minimaal betrokken zijn in het leven van de kinderen. Zij komen (bezoek)afspraken geregeld niet na en zij zijn niet op de verjaardagen van de kinderen verschenen. Dit werkt belastend voor de kinderen. Met name [kind01] heeft hier last van. Ondanks de inzet van de jeugdbeschermer en de pleegouders, is het niet gelukt om de situatie voor de kinderen te verbeteren. Ook de hulpverlening komt onvoldoende van de grond vanwege de ambivalente houding van de ouders. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de betrokkenheid van de jeugdbeschermer nog altijd nodig en wenselijk is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [kind01] en [kind02] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Het is in het belang van de kinderen dat er aandacht blijft voor de omgang tussen de ouders en de kinderen. Hiervoor is het noodzakelijk dat de ouders in contact te blijven met de jeugdbeschermer en hun medewerking te verlenen.
6.3.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende. Uit de overgelegde stukken de behandeling ter zitting blijkt dat de problematiek van de ouders op de voorgrond staat, als gevolg waarvan zij nu niet in staat zijn om de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen. Een thuisplaatsing is derhalve niet in het belang van de kinderen. De kinderrechter is van oordeel dat de huidige verblijfsplek van de kinderen voor nu geborgd moet blijven. De kinderen verblijven al geruime tijd bij de pleegouders en zij ontwikkelen zich goed; zij gaan naar school en zijn gehecht aan de pleegouders. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] en [kind02] is derhalve noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW) en wel voor de duur van een jaar.
6.4.
De kinderen, met name [kind01] , hebben een sterke behoefte aan duidelijkheid over het perspectief. De kinderrechter zal zich daar op dit moment niet over uitlaten, gelet op het onderzoek van de Raad naar noodzaak van het beëindigen van het gezag van de ouders en de zitting die hierover binnenkort zal plaatsvinden. Een beslissing over het perspectief van de kinderen zal daar genomen moeten worden, waarbij de kinderrechter de hoop uitspreekt dat de ouders dan wel ter zitting zullen verschijnen.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [kind01] en [kind02] tot 18 februari 2025;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] en [kind02] in een voorziening voor pleegzorg tot 18 februari 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Lankhaar als griffier, en op schrift gesteld op 16 februari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.