Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-05
ECLI:NL:RBROT:2024:14146
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
15,442 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2024:14146 text/xml public 2026-05-12T14:57:17 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2024-12-05 11141112 EL 24-14 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:14146 text/html public 2026-05-12T14:57:08 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2024:14146 Rechtbank Rotterdam , 05-12-2024 / 11141112 EL 24-14 Effectenlease. Dexia. vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Zaaknummer: 11141112 EL 24-14 vonnis van de kantonrechter van 5 december 2024 in de zaak van [lessee] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [lessee] en Dexia genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 mei 2024; de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De feiten 2.1. [lessee] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. 74181084 17-11-1998 WinstVerDriedubbelaar II. 74281201 02-06-1999 WinstVerDriedubbelaar III. 59181424 28-09-1999 Korting Kado IV. 13080538 21-12-1999 Legio I.B. Plan 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 16-11-2001 + € 1.598,31 Ja, door Dexia. II. 03-06-2002 - € 3.290,79 Ja, door [lessee] . III. 08-10-2002 - € 281,52 Ja, door [lessee] , Resultaat na verrekening met betaling van € 16.254,22 door [lessee] IV. 08-10-2002 - € 78,44 Ja, door [lessee] . Resultaat na verrekening met betaling van € 818,48. 2.3. Volgens de meest recente opgave van Dexia heeft [lessee] verder op grond van de overeenkomsten III. en IV. – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.189,74 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessee] verder op grond van die overeenkomsten € 1.845,81 aan dividenden ontvangen en € 2.466,85 aan fiscaal voordeel genoten. Op 17 februari 2012 heeft Dexia op grond van de overeenkomsten III. en IV. een bedrag uitgekeerd van in totaal € 366,53 en op grond van overeenkomst II. een bedrag van € 3.430,56, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. Op het financieel overzicht staat verder nog een niet aan een bepaalde overeenkomst gerelateerde uitkering van een bedrag van € 17.605,13 als ‘ontvangen onverschuldigde betaling’ vermeld. 2.4. De rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Rotterdam heeft op 1 september 2023 tussen partijen een vonnis gewezen dat betrekking heeft op de onderhavige overeenkomsten. In dat vonnis is de vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, afgewezen. Daartoe is – in het kader van de vraag of Dexia op grond van een mogelijke onaanvaardbaar zware financiële last nog iets aan [lessee] verschuldigd was – onder meer het volgende overwogen: ‘’Dit volgend valt niet uit te sluiten dat er mogelijk sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last voor [lessee] . Dat zou betekenen dat Dexia niet alleen 2/3 deel van de restschuld, maar ook 2/3 deel van de inleg als schade moet vergoeden. Dexia heeft gesteld dat zij ook dan al aan haar verplichting heeft voldaan, maar zij heeft dat standpunt onvoldoende toegelicht. Dexia had ten minste een deugdelijke toelichting moeten geven op de door haar bijgevoegde cijfers. Dat heeft zij niet gedaan. Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat Dexia in deze procedure de stelplicht en de bewijslast heeft, omdat zij voor recht wil laten verklaren dat zij niets meer aan [lessee] verschuldigd is. De Hoge Raad heeft beslist dat in zo'n geval de stelplicht en de bewijslast liggen bij de partij die een dergelijke vordering instelt. Dat neemt niet weg dat [lessee] zal moeten stellen - en zo nodig bewijzen - dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, mocht hij een procedure willen starten en schadevergoeding van Dexia vorderen.’’ Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend. 3 De vordering en het verweer in conventie en in reconventie 3.1. [lessee] vordert (samengevat), dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessee] , voor recht zal verklaren dat er ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het Hofmodel, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [lessee] van al datgene dat [lessee] ingevolge de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor recht zal verklaren dat het beding waar Dexia zich bij de overeenkomsten III. en IV. op beriep onredelijk bezwarend is, de bedingen zal vernietigen en Dexia zal veroordelen tot (terug)betaling van de onterecht in rekening gebrachte en betaalde resterende termijnen op de eindafrekeningen van overeenkomsten III. en IV., Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat), dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat: zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessee] gesloten overeenkomsten met contractnummers 13080538, 59181424, 74181084 en 74281201 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, [lessee] zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessee] . 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2024:14146 text/xml public 2026-05-12T14:57:17 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2024-12-05 11141112 EL 24-14 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:14146 text/html public 2026-05-12T14:57:08 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2024:14146 Rechtbank Rotterdam , 05-12-2024 / 11141112 EL 24-14 Effectenlease. Dexia. vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Zaaknummer: 11141112 EL 24-14 vonnis van de kantonrechter van 5 december 2024 in de zaak van [lessee] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, gemachtigde: USG Legal Professionals. Partijen worden hierna [lessee] en Dexia genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 mei 2024; de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie. 1.2. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2 2. De feiten 2.1. [lessee] heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I. 74181084 17-11-1998 WinstVerDriedubbelaar II. 74281201 02-06-1999 WinstVerDriedubbelaar III. 59181424 28-09-1999 Korting Kado IV. 13080538 21-12-1999 Legio I.B. Plan 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 16-11-2001 + € 1.598,31 Ja, door Dexia. II. 03-06-2002 - € 3.290,79 Ja, door [lessee] . III. 08-10-2002 - € 281,52 Ja, door [lessee] , Resultaat na verrekening met betaling van € 16.254,22 door [lessee] IV. 08-10-2002 - € 78,44 Ja, door [lessee] . Resultaat na verrekening met betaling van € 818,48. 2.3. Volgens de meest recente opgave van Dexia heeft [lessee] verder op grond van de overeenkomsten III. en IV. – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 10.189,74 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessee] verder op grond van die overeenkomsten € 1.845,81 aan dividenden ontvangen en € 2.466,85 aan fiscaal voordeel genoten. Op 17 februari 2012 heeft Dexia op grond van de overeenkomsten III. en IV. een bedrag uitgekeerd van in totaal € 366,53 en op grond van overeenkomst II. een bedrag van € 3.430,56, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. Op het financieel overzicht staat verder nog een niet aan een bepaalde overeenkomst gerelateerde uitkering van een bedrag van € 17.605,13 als ‘ontvangen onverschuldigde betaling’ vermeld. 2.4. De rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Rotterdam heeft op 1 september 2023 tussen partijen een vonnis gewezen dat betrekking heeft op de onderhavige overeenkomsten. In dat vonnis is de vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, afgewezen. Daartoe is – in het kader van de vraag of Dexia op grond van een mogelijke onaanvaardbaar zware financiële last nog iets aan [lessee] verschuldigd was – onder meer het volgende overwogen: ‘’Dit volgend valt niet uit te sluiten dat er mogelijk sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last voor [lessee] . Dat zou betekenen dat Dexia niet alleen 2/3 deel van de restschuld, maar ook 2/3 deel van de inleg als schade moet vergoeden. Dexia heeft gesteld dat zij ook dan al aan haar verplichting heeft voldaan, maar zij heeft dat standpunt onvoldoende toegelicht. Dexia had ten minste een deugdelijke toelichting moeten geven op de door haar bijgevoegde cijfers. Dat heeft zij niet gedaan. Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat Dexia in deze procedure de stelplicht en de bewijslast heeft, omdat zij voor recht wil laten verklaren dat zij niets meer aan [lessee] verschuldigd is. De Hoge Raad heeft beslist dat in zo'n geval de stelplicht en de bewijslast liggen bij de partij die een dergelijke vordering instelt. Dat neemt niet weg dat [lessee] zal moeten stellen - en zo nodig bewijzen - dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, mocht hij een procedure willen starten en schadevergoeding van Dexia vorderen.’’ Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend. 3 De vordering en het verweer in conventie en in reconventie 3.1. [lessee] vordert (samengevat), dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessee] , voor recht zal verklaren dat er ten aanzien van de overeenkomsten III. en IV. sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het Hofmodel, Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [lessee] van al datgene dat [lessee] ingevolge de overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor recht zal verklaren dat het beding waar Dexia zich bij de overeenkomsten III. en IV. op beriep onredelijk bezwarend is, de bedingen zal vernietigen en Dexia zal veroordelen tot (terug)betaling van de onterecht in rekening gebrachte en betaalde resterende termijnen op de eindafrekeningen van overeenkomsten III. en IV., Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat), dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat: zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessee] gesloten overeenkomsten met contractnummers 13080538, 59181424, 74181084 en 74281201 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, [lessee] zal veroordelen in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4 4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessee] . 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3.
Volledig
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [lessee] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. met betrekking tot overeenkomsten III. en IV. 4.4. Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op: de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld; resterende termijnen; het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel; de eigen schuld (art. 6:101 BW); een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last; de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade; wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is; wettelijke rente en proceskosten. 4.5. Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomsten worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [lessee] de juistheid van de daarop vermelde gegevens, behoudens de daarin weergegeven posten aan restschulden, niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan. Met betrekking tot de restschuld stelt [lessee] dat ten aanzien van beide overeenkomsten een grotere restschuld is ontstaan dan die op de eindafrekeningen vermeld staat. Hij verwijst daartoe naar de eindafrekeningen (productie A3 en A4 bij dagvaarding), waaruit volgt dat [lessee] pro-forma een bedrag van € 16.254,22 (ten aanzien van overeenkomst III.) en een bedrag van € 818,48 (ten aanzien van overeenkomst IV.) betaalde aan restschuld, welke bedragen als ‘tegoeden’ zijn vermeld op de definitieve afrekeningen. Dit betekent volgens [lessee] dat de restschuld van overeenkomst III. in werkelijkheid € 16.535,74 (€ 281,52 + € 16.254,22) bedraagt en die van overeenkomst IV. € 896,92 (€ 78,44 + € 818,48). Ook wijst [lessee] op de tabel ‘waarde effecten en restant hoofdsom beëindiging’ op het financieel overzicht (productie C bij dagvaarding), waaruit blijkt dat er een veel groter verschil zat in de waarde van de aandelen dat de in te lossen hoofdsom. Dexia voert aan dat de pro-forma betalingen vrijwillig en zonder enige verplichting daartoe verricht zijn door [lessee] , zodat zij niet aan te merken zijn als gevolg van de schending van de waarschuwingsplicht van Dexia. Om die reden zouden deze bedragen geen onderdeel uitmaken van de restschulden. Dexia wordt niet gevolgd in haar stellingen. Duidelijk is dat de betalingen geen (termijn)betalingen omvatten. Dat [lessee] ervoor gekozen heeft om die bedragen – welke voortkomen uit het verschil tussen de waarde van de aandelen en de restant hoofdsom, hetgeen door Dexia niet betwist is – eerder te betalen dan op het definitieve moment van eindafrekening, betekent niet dat deze bedragen niet als voldoening van de restschulden moeten worden aangemerkt. Als restschulden hadden dan ook op de eindafrekeningen als volgt moeten worden vermeld: - ter zake overeenkomst III.: € 16.535,74 - ter zake overeenkomst IV.: € 896,92. de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld 4.6. De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [lessee] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld. 4.7. De schade die dan mogelijk als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door [lessee] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige in rekening gebrachte termijnen, en uit een (eventuele) restschuld. resterende termijnen 4.8. Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij de) overeenkomsten bij de eindafrekeningen bedragen van € 9.492,84 (overeenkomst III.) en € 749,76 (overeenkomst IV.) bij [lessee] in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten. [lessee] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn). 4.9. Ten aanzien van overeenkomst III. geldt dat Dexia kennelijk de resterende termijnen in rekening heeft gebracht op grond van het bepaalde in artikel 2 van de overeenkomst. Nu partijen over dit beding niet afzonderlijk hebben onderhandeld, valt dit beding ook onder de reikwijdte van genoemde Richtlijn. 4.10. In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere voorwaarden aanspraak worden gemaakt. 4.11. De vraag of de beëindiging van de overeenkomsten moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht. 4.12. Evenmin wordt relevant geacht of de beëindiging van de overeenkomsten is geschied door Dexia of door [lessee] . Dit is immers niet van invloed op de kwalificatie van de bedingen, op grond waarvan Dexia aanspraak heeft gemaakt op betaling wegens resterende termijnen, als zijnde ‘oneerlijk’ als bedoeld in de Richtlijn. 4.13. Dit leidt tot de conclusie dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op na beëindiging van de overeenkomsten nog resterende termijnen dienen te worden vernietigd. 4.14. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomsten Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden. 4.15. Uit het voorgaande volgt dat de posten die zien op de resterende termijnen in de eindafrekeningen komen te vervallen. Nu [lessee] de restschulden heeft betaald, dient Dexia de onverschuldigd betaalde resterende termijnen aan [lessee] in beginsel terug te betalen, onder verrekening van het door Dexia in verband met het voorgaande onverschuldigd betaalde bedrag aan schadevergoeding. De wettelijke rente over de nog te betalen bedragen is verschuldigd vanaf de datum van dagvaarding, derhalve vanaf 24 mei 2024, tot aan de dag der algehele voldoening, nu gesteld of gebleken is dat [lessee] eerder aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de in rekening gebrachte termijnen.
Volledig
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld; [lessee] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. met betrekking tot overeenkomsten III. en IV. 4.4. Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op: de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld; resterende termijnen; het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel; de eigen schuld (art. 6:101 BW); een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last; de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade; wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is; wettelijke rente en proceskosten. 4.5. Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomsten worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [lessee] de juistheid van de daarop vermelde gegevens, behoudens de daarin weergegeven posten aan restschulden, niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan. Met betrekking tot de restschuld stelt [lessee] dat ten aanzien van beide overeenkomsten een grotere restschuld is ontstaan dan die op de eindafrekeningen vermeld staat. Hij verwijst daartoe naar de eindafrekeningen (productie A3 en A4 bij dagvaarding), waaruit volgt dat [lessee] pro-forma een bedrag van € 16.254,22 (ten aanzien van overeenkomst III.) en een bedrag van € 818,48 (ten aanzien van overeenkomst IV.) betaalde aan restschuld, welke bedragen als ‘tegoeden’ zijn vermeld op de definitieve afrekeningen. Dit betekent volgens [lessee] dat de restschuld van overeenkomst III. in werkelijkheid € 16.535,74 (€ 281,52 + € 16.254,22) bedraagt en die van overeenkomst IV. € 896,92 (€ 78,44 + € 818,48). Ook wijst [lessee] op de tabel ‘waarde effecten en restant hoofdsom beëindiging’ op het financieel overzicht (productie C bij dagvaarding), waaruit blijkt dat er een veel groter verschil zat in de waarde van de aandelen dat de in te lossen hoofdsom. Dexia voert aan dat de pro-forma betalingen vrijwillig en zonder enige verplichting daartoe verricht zijn door [lessee] , zodat zij niet aan te merken zijn als gevolg van de schending van de waarschuwingsplicht van Dexia. Om die reden zouden deze bedragen geen onderdeel uitmaken van de restschulden. Dexia wordt niet gevolgd in haar stellingen. Duidelijk is dat de betalingen geen (termijn)betalingen omvatten. Dat [lessee] ervoor gekozen heeft om die bedragen – welke voortkomen uit het verschil tussen de waarde van de aandelen en de restant hoofdsom, hetgeen door Dexia niet betwist is – eerder te betalen dan op het definitieve moment van eindafrekening, betekent niet dat deze bedragen niet als voldoening van de restschulden moeten worden aangemerkt. Als restschulden hadden dan ook op de eindafrekeningen als volgt moeten worden vermeld:- ter zake overeenkomst III.: € 16.535,74- ter zake overeenkomst IV.: € 896,92. de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld 4.6. De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [lessee] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld. 4.7. De schade die dan mogelijk als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door [lessee] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige in rekening gebrachte termijnen, en uit een (eventuele) restschuld. resterende termijnen 4.8. Tussen partijen is in geschil of Dexia op grond van bedingen in de (Bijzondere voorwaarden bij de) overeenkomsten bij de eindafrekeningen bedragen van € 9.492,84 (overeenkomst III.) en € 749,76 (overeenkomst IV.) bij [lessee] in rekening mocht brengen wegens de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten. [lessee] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van bovenbedoelde bedingen, onder meer omdat dit volgens hem ‘oneerlijk bedingen’ vormen als bedoeld in de Richtlijn 93/13 EEG (hierna: de Richtlijn). 4.9. Ten aanzien van overeenkomst III. geldt dat Dexia kennelijk de resterende termijnen in rekening heeft gebracht op grond van het bepaalde in artikel 2 van de overeenkomst. Nu partijen over dit beding niet afzonderlijk hebben onderhandeld, valt dit beding ook onder de reikwijdte van genoemde Richtlijn. 4.10. In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:773) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beding in de algemene voorwaarden van Dexia op grond waarvan Dexia in het geval van een tussentijdse beëindiging van de overeenkomst wegens nalatigheid van de zijde van de wederpartij bevoegd is om zonder meer het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom(men) op te eisen, een beding is dat op grond van de Richtlijn als oneerlijk moet worden beschouwd. Om die reden is de rechter gehouden om een dergelijk beding op grond van artikel 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op termijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die termijnen kan dan niet langer op grond van de contractuele Bijzondere voorwaarden aanspraak worden gemaakt. 4.11. De vraag of de beëindiging van de overeenkomsten moet worden aangemerkt als een beëindiging op grond van contractuele bepalingen, dan wel als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant voor de vraag of het beding in de Bijzondere Voorwaarden op grond waarvan Dexia aanspraak maakt op resterende termijnen ‘oneerlijk’ is in de zin van de Richtlijn (vergelijk Hof Den Bosch 12 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:515). Bovenbedoelde beslissing van de Hoge Raad wordt ook in de onderhavige zaak van toepassing geacht. 4.12. Evenmin wordt relevant geacht of de beëindiging van de overeenkomsten is geschied door Dexia of door [lessee] . Dit is immers niet van invloed op de kwalificatie van de bedingen, op grond waarvan Dexia aanspraak heeft gemaakt op betaling wegens resterende termijnen, als zijnde ‘oneerlijk’ als bedoeld in de Richtlijn. 4.13. Dit leidt tot de conclusie dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op na beëindiging van de overeenkomsten nog resterende termijnen dienen te worden vernietigd. 4.14. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat bij vernietiging van het beding in de (Bijzondere voorwaarden bij) de overeenkomsten Dexia evenmin op grond van de wet aanspraak heeft op (gehele of gedeeltelijke) vergoeding van de schade die zij door de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten heeft geleden. 4.15. Uit het voorgaande volgt dat de posten die zien op de resterende termijnen in de eindafrekeningen komen te vervallen. Nu [lessee] de restschulden heeft betaald, dient Dexia de onverschuldigd betaalde resterende termijnen aan [lessee] in beginsel terug te betalen, onder verrekening van het door Dexia in verband met het voorgaande onverschuldigd betaalde bedrag aan schadevergoeding. De wettelijke rente over de nog te betalen bedragen is verschuldigd vanaf de datum van dagvaarding, derhalve vanaf 24 mei 2024, tot aan de dag der algehele voldoening, nu gesteld of gebleken is dat [lessee] eerder aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de in rekening gebrachte termijnen.
Volledig
Dit betekent verder dat de door [lessee] gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de in rekening gebrachte resterende termijnen, als na te melden, zal worden toegewezen. De betreffende termijnen maken dus ook geen onderdeel meer uit van de restschulden. het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel 4.16. Op de door [lessee] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen. 4.17. Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht. 4.18. Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [lessee] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend. de eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last 4.19. Op grond van artikel 6:101 BW dient [lessee] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. 4.20. Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomsten had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [lessee] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [lessee] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [lessee] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [lessee] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen. 4.21. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [lessee] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval 4.22. Tussen partijen is (onder meer) in geschil of door het aangaan van de overeenkomsten voor [lessee] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of [lessee] voldoende onderbouwd heeft dat uitgegaan dient te worden van een gezinssamenstelling van een alleenstaande en of om die reden niet ook het (totale) gezinsinkomen meegenomen dient te worden in de berekening. gezinssamenstelling en gezag van gewijsde oordeel eerdere procedure 4.23. [lessee] heeft ter onderbouwing van de door hem in de berekening gehanteerde gezinssamenstelling een beroep gedaan op artikel 236 Rv, nu tussen partijen op 1 september 2023 in een eerdere procedure vonnis is gewezen (zie productie B5 bij dagvaarding), waarin volgens [lessee] geoordeeld is dat [lessee] als alleenstaande aangemerkt moet worden. Nu geen rechtsmiddel is aangewend tegen het vonnis, heeft de inhoud van het vonnis volgens [lessee] bindende kracht. 4.24. In reactie daarop voert Dexia aan dat de kantonrechter concludeerde (in rechtsoverwegingen 3.1 en 3.3 van het vonnis) dat mogelijk sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. De kantonrechter stelt dus niet vast dat er daadwerkelijk sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dexia beroept zich daarbij meer specifiek op het bepaalde in r.o. 3.4. in het eerder tussen partijen gewezen vonnis: ‘Dat neemt niet weg dat [lessee] zal moeten stellen – en zo nodig bewijzen – dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, mocht hij een procedure willen starten en schadevergoeding van Dexia vorderen ’. De kantonrechter laat er dus volgens Dexia geen enkel misverstand over bestaan dat het oordeel voor wat betreft de mogelijke onaanvaardbaar zware financiële last geen gezag van gewijsde toekomt, zodat dit oordeel daarmee logischerwijs dus ook geen dragend oordeel vormt voor het dictum van het betreffende vonnis, aldus Dexia. 4.25. [lessee] stelt daarop vervolgens dat de kantonrechter de knoop over de onaanvaardbaar zware last nog niet in zijn geheel doorhakte, maar die knoop wel doorhakte ten aanzien van factor Y in de rekenformule. Over dat geschilpunt in het hofmodel is een beslissing gegeven. Uit rechtsoverweging 3.2 van de boordeling volgt dat de kantonrechter de door [lessee] gestelde en onderbouwde ‘alleenstaande-situatie’ als vaststaand aanmerkt nu Dexia haar verweer daarop ontoereikend had onderbouwd. Anders dan Dexia meent is dit wel als een dragende overweging in de zin van artikel 236 Rv te beschouwen nu de kantonrechter op basis van deze vaststelling heeft geoordeeld dat er mogelijk sprake is van een onaanvaardbaar zware last en op die grond de waiver-vordering van Dexia heeft afgewezen. 4.26. Met Dexia is de kantonrechter van oordeel dat in het vonnis van 1 september 2023 geen gezag van gewijsde toekomt aan de overweging omtrent de door [lessee] daarin gestelde gezinssituatie nu de kantonrechter uitdrukkelijk heeft overwogen dat – in het geval [lessee] een procedure zou willen starten en schadevergoeding van Dexia zou vorderen – [lessee] moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dit betekent echter nog niet dat [lessee] zijn gezinssituatie onvoldoende gemotiveerd onderbouwd heeft. [lessee] heeft bij dagvaarding een toelichting op de uitkomst van de Hof formule (productie B), een uittreksel van de basisregistratie personen (productie B.3) en een verklaring van hemzelf en [naam 2] van 14 september 2023 (productie B.6) overgelegd. Daarbij stelt [lessee] dat zijn echtgenote ( [naam 2] ) pas in 2001 (derhalve in de periode na het afsluiten van de overeenkomsten) naar Nederland is verhuisd en dat in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 verschillende mensen tijdelijk bij [lessee] ingewoond hebben.
Volledig
Dit betekent verder dat de door [lessee] gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de in rekening gebrachte resterende termijnen, als na te melden, zal worden toegewezen. De betreffende termijnen maken dus ook geen onderdeel meer uit van de restschulden. het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel 4.16. Op de door [lessee] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen. 4.17. Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht. 4.18. Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [lessee] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend. de eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last 4.19. Op grond van artikel 6:101 BW dient [lessee] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. 4.20. Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomsten had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [lessee] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [lessee] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [lessee] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient de afnemer de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [lessee] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen. 4.21. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [lessee] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval 4.22. Tussen partijen is (onder meer) in geschil of door het aangaan van de overeenkomsten voor [lessee] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of [lessee] voldoende onderbouwd heeft dat uitgegaan dient te worden van een gezinssamenstelling van een alleenstaande en of om die reden niet ook het (totale) gezinsinkomen meegenomen dient te worden in de berekening. gezinssamenstelling en gezag van gewijsde oordeel eerdere procedure 4.23. [lessee] heeft ter onderbouwing van de door hem in de berekening gehanteerde gezinssamenstelling een beroep gedaan op artikel 236 Rv, nu tussen partijen op 1 september 2023 in een eerdere procedure vonnis is gewezen (zie productie B5 bij dagvaarding), waarin volgens [lessee] geoordeeld is dat [lessee] als alleenstaande aangemerkt moet worden. Nu geen rechtsmiddel is aangewend tegen het vonnis, heeft de inhoud van het vonnis volgens [lessee] bindende kracht. 4.24. In reactie daarop voert Dexia aan dat de kantonrechter concludeerde (in rechtsoverwegingen 3.1 en 3.3 van het vonnis) dat mogelijk sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. De kantonrechter stelt dus niet vast dat er daadwerkelijk sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dexia beroept zich daarbij meer specifiek op het bepaalde in r.o. 3.4. in het eerder tussen partijen gewezen vonnis: ‘Dat neemt niet weg dat [lessee] zal moeten stellen – en zo nodig bewijzen – dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, mocht hij een procedure willen starten en schadevergoeding van Dexia vorderen ’. De kantonrechter laat er dus volgens Dexia geen enkel misverstand over bestaan dat het oordeel voor wat betreft de mogelijke onaanvaardbaar zware financiële last geen gezag van gewijsde toekomt, zodat dit oordeel daarmee logischerwijs dus ook geen dragend oordeel vormt voor het dictum van het betreffende vonnis, aldus Dexia. 4.25. [lessee] stelt daarop vervolgens dat de kantonrechter de knoop over de onaanvaardbaar zware last nog niet in zijn geheel doorhakte, maar die knoop wel doorhakte ten aanzien van factor Y in de rekenformule. Over dat geschilpunt in het hofmodel is een beslissing gegeven. Uit rechtsoverweging 3.2 van de boordeling volgt dat de kantonrechter de door [lessee] gestelde en onderbouwde ‘alleenstaande-situatie’ als vaststaand aanmerkt nu Dexia haar verweer daarop ontoereikend had onderbouwd. Anders dan Dexia meent is dit wel als een dragende overweging in de zin van artikel 236 Rv te beschouwen nu de kantonrechter op basis van deze vaststelling heeft geoordeeld dat er mogelijk sprake is van een onaanvaardbaar zware last en op die grond de waiver-vordering van Dexia heeft afgewezen. 4.26. Met Dexia is de kantonrechter van oordeel dat in het vonnis van 1 september 2023 geen gezag van gewijsde toekomt aan de overweging omtrent de door [lessee] daarin gestelde gezinssituatie nu de kantonrechter uitdrukkelijk heeft overwogen dat – in het geval [lessee] een procedure zou willen starten en schadevergoeding van Dexia zou vorderen – [lessee] moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dit betekent echter nog niet dat [lessee] zijn gezinssituatie onvoldoende gemotiveerd onderbouwd heeft. [lessee] heeft bij dagvaarding een toelichting op de uitkomst van de Hof formule (productie B), een uittreksel van de basisregistratie personen (productie B.3) en een verklaring van hemzelf en [naam 2] van 14 september 2023 (productie B.6) overgelegd. Daarbij stelt [lessee] dat zijn echtgenote ( [naam 2] ) pas in 2001 (derhalve in de periode na het afsluiten van de overeenkomsten) naar Nederland is verhuisd en dat in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 verschillende mensen tijdelijk bij [lessee] ingewoond hebben.
Volledig
Hij stelt dat hij zijn zus en kennissen, die door omstandigheden dakloos waren geworden, uit barmhartigheid een onderkomen aangeboden heeft en hij van geen van deze huisgenoten huur ontvangen heeft. Dexia heeft de stellingen van [lessee] omtrent de gezinssituatie enkel algemeen betwist. Het verweer van Dexia omtrent de gezinssituatie van [lessee] wordt om die reden als onvoldoende onderbouwd verworpen, zodat uitgegaan wordt van een gezinssituatie van een alleenstaande. Dit betekent voorts dat er geen inkomens- en vermogensgegevens van andere personen dan [lessee] van belang zijn, zodat ook het verweer van Dexia ten aanzien van factor X. wordt verworpen. Hiermee staat vast dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last (verwezen wordt naar productie B4. bij dagvaarding). Dit betekent dat de door [lessee] gevorderde verklaring voor recht toegewezen zal worden, in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat er ten aanzien van overeenkomsten III. en IV. sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. de consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade. 4.27. Uit het voorgaande volgt dat zowel de resterende schade wegens verschuldigde termijnen als de resterende schade wegens de nog resterende restschuld voor 1/3 deel voor rekening van [lessee] blijft. wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is 4.28. Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [lessee] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt. 4.29. Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten zullen partijen in staat zijn te berekenen: a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld; b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert; c. of en zo ja tot welk bedrag [lessee] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen; d. wat [lessee] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten in totaal aan Dexia verschuldigd is. 4.30. [lessee] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [lessee] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). de wettelijke rente 4.31. Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). met betrekking tot overeenkomsten I. en II. 4.32. [lessee] heeft geen standpunten ingenomen op grond waarvan hij op basis van deze twee overeenkomsten nog een vordering op Dexia zou hebben. Dit betekent dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot deze overeenkomsten zal worden toegewezen. met betrekking tot alle overeenkomsten vordering Dexia 4.33. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Dexia zal worden toegewezen met betrekking tot de overeenkomsten I. en II. Nu Dexia met betrekking tot overeenkomsten III. en IV. niet aan al haar verplichtingen heeft voldaan, zal de vordering van Dexia met betrekking tot die overeenkomsten worden afgewezen. proceskosten 4.34. Dexia is als de in overwegende mate als de in het ongelijk te stellen partij aan te merken. Dexia zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [lessee] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [lessee] in conventie worden begroot op: - dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 87,00 - salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 899,97. 5 Beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. verklaart voor recht dat de bedingen op basis waarvan Dexia bij beëindiging van de overeenkomsten III. en IV. resterende termijnen in rekening bracht onredelijk bezwarend zijn en vernietigt deze, 5.2. veroordeelt Dexia om aan [lessee] te betalen de volgens r.o. 4.15. te vergoeden bedragen aan in rekening gebrachte resterende termijnen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, 5.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [lessee] heeft gehandeld, 5.4. veroordeelt Dexia om aan [lessee] te betalen ter zake de overeenkomsten III. en IV. het bedrag aan schade dat Dexia volgens r.o. 4.30. nog verschuldigd is aan [lessee] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.31. tot de dag van algehele voldoening, 5.5. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 899,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 5.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.7. verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de overeenkomsten I. en II. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, 5.8. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [lessee] gevallen, tot op heden begroot op nihil, in conventie en in reconventie 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier. typ: FM In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
Volledig
Hij stelt dat hij zijn zus en kennissen, die door omstandigheden dakloos waren geworden, uit barmhartigheid een onderkomen aangeboden heeft en hij van geen van deze huisgenoten huur ontvangen heeft. Dexia heeft de stellingen van [lessee] omtrent de gezinssituatie enkel algemeen betwist. Het verweer van Dexia omtrent de gezinssituatie van [lessee] wordt om die reden als onvoldoende onderbouwd verworpen, zodat uitgegaan wordt van een gezinssituatie van een alleenstaande. Dit betekent voorts dat er geen inkomens- en vermogensgegevens van andere personen dan [lessee] van belang zijn, zodat ook het verweer van Dexia ten aanzien van factor X. wordt verworpen. Hiermee staat vast dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last (verwezen wordt naar productie B4. bij dagvaarding). Dit betekent dat de door [lessee] gevorderde verklaring voor recht toegewezen zal worden, in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat er ten aanzien van overeenkomsten III. en IV. sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. de consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade. 4.27. Uit het voorgaande volgt dat zowel de resterende schade wegens verschuldigde termijnen als de resterende schade wegens de nog resterende restschuld voor 1/3 deel voor rekening van [lessee] blijft. wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is 4.28. Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [lessee] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt. 4.29. Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten zullen partijen in staat zijn te berekenen: a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld; b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert; c. of en zo ja tot welk bedrag [lessee] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen; d. wat [lessee] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten in totaal aan Dexia verschuldigd is. 4.30. [lessee] heeft in verband met de onderhavige overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [lessee] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). de wettelijke rente 4.31. Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). met betrekking tot overeenkomsten I. en II. 4.32. [lessee] heeft geen standpunten ingenomen op grond waarvan hij op basis van deze twee overeenkomsten nog een vordering op Dexia zou hebben. Dit betekent dat de door Dexia gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot deze overeenkomsten zal worden toegewezen. met betrekking tot alle overeenkomsten vordering Dexia 4.33. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Dexia zal worden toegewezen met betrekking tot de overeenkomsten I. en II. Nu Dexia met betrekking tot overeenkomsten III. en IV. niet aan al haar verplichtingen heeft voldaan, zal de vordering van Dexia met betrekking tot die overeenkomsten worden afgewezen. proceskosten 4.34. Dexia is als de in overwegende mate als de in het ongelijk te stellen partij aan te merken. Dexia zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [lessee] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [lessee] in conventie worden begroot op: - dagvaarding € 135,97 - griffierecht € 87,00 - salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00) - nakosten € 135,00 Totaal € 899,97. 5 Beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. verklaart voor recht dat de bedingen op basis waarvan Dexia bij beëindiging van de overeenkomsten III. en IV. resterende termijnen in rekening bracht onredelijk bezwarend zijn en vernietigt deze, 5.2. veroordeelt Dexia om aan [lessee] te betalen de volgens r.o. 4.15. te vergoeden bedragen aan in rekening gebrachte resterende termijnen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, 5.3. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [lessee] heeft gehandeld, 5.4. veroordeelt Dexia om aan [lessee] te betalen ter zake de overeenkomsten III. en IV. het bedrag aan schade dat Dexia volgens r.o. 4.30. nog verschuldigd is aan [lessee] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.31. tot de dag van algehele voldoening, 5.5. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 899,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 5.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.7. verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van de overeenkomsten I. en II. aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, 5.8. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [lessee] gevallen, tot op heden begroot op nihil, in conventie en in reconventie 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2024 in tegenwoordigheid van de griffier. typ: FM In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).