Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-06-10
ECLI:NL:RBROT:2024:14141
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 71/192332-21 Raadkamernummers: 23-014697 en 23-014698 Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker] (verzoeker), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, wonende te ([postcode]) [plaatsnaam], aan de [adres], raadsman mr. S. Weening, advocaat te Maastricht. 1 Procedure De verzoeken zijn op 8 juni 2023 ingediend. De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens raadsman mr. S.J.F. van Merm, advocaat te Maastricht en waarnemend voor mr. Weening. 2 Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie 2.1 Verzoek artikel 533 Sv Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 132.616,51 bestaande uit: een bedrag van € 95.550,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 10.100,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis; een bedrag van € 26.966,51 als vergoeding voor materiële schade, te weten de vergoeding voor loonderving en de kosten voor behandeling van PTSS. Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: het voorbereiden van terroristische misdrijven, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond. Ten tijde van zijn aanhouding was zijn vriendin zwanger, maar verzoeker mocht gedurende de eerste dagen van detentie geen contact met haar opnemen, terwijl hij zich zorgen maakte over haar welzijn na de traumatische inval van het arrestatieteam in hun woning. Door detentie heeft verzoeker een sollicitatie moeten afbreken, maar ook na detentie is verzoeker meerdere banen misgelopen door de blijvende afwijzing van een voor zijn beoogde baan benodigde Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG), ondanks de vrijspraak van verzoeker. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker behandeling nodig heeft voor zijn PTSS-klachten. Deze klachten worden versterkt door het schuldgevoel van verzoeker naar zijn jongere broertje. Verzoeker nam hem soms mee als hij had afgesproken met zijn vrienden, de eveneens ook vrijgesproken medeverdachten in deze strafzaak. Gelet op hetgeen aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 3 toewijsbaar maakt. De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. De schorsingsvoorwaarden hebben de vrijheid van verzoeker beperkt, maar de vrijheidsbeperking was niet dusdanig dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Ook deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De officier van justitie acht verder dat de gevorderde gederfde in De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn. a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen: verblijf in een politiecel 6 dgn x € 130,- € 780,- verblijf op de TA van een huis van bewaring 239 dgn x € 130,- € 31.070,- beperkingen 7 dgn x € 30,- € 210,- totaal € 32.060,- Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt. Ten aanzien van verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat zijn vrouw ten tijde van zijn aanhouding zwanger was en dat hij gedurende detentie weinig contact met haar heeft kunnen hebben, door het regime van de TA waar verzoeker zat opgesloten. Voorts ondervindt verzoeker ook na detentie nadelige gevolgen hiervan. De VOG-aanvragen van verzoeker worden, ondanks de vrijspraak en zijn blanco strafblad, steeds afgewezen, waardoor hij moeilijk werk op zijn oude niveau kan vinden. Dit heeft aanzienlijke gevolgen voor nieuwe arbeidsbetrekkingen en zijn carrièrepad. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van de lange duur in detentie. Verzoeker is tot op heden onder behandeling voor PTSS-klachten. Ook de schuldgevoelens richting zijn broertje, eveneens vrijgesproken verdachte in de onderliggende strafzaak, drukken zwaar op hem. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd. Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest een vergoeding ter hoogte van € 64.120,- worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. b) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van schorsingsvoorwaarden De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 533 Sv slechts voor vergoeding in aanmerking komt de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 Euro Gelet op het nettosalaris (€ 2.428,25 per maand) dat verzoeker zou verdienen, heeft hij recht op een vergoeding voor gederfde inkomsten voor de periode november 2021 tot en met juli 2022 van in totaal € 21.854,25. In september 2022 is verzoeker vervolgens in dienst getreden bij Ciratum, maar is hij vervolgens ontslagen, omdat hij geen VOG kon overleggen als gevolg van de detentie en de verdenking die daaraan ten grondslag lag. Zijn salaris is doorbetaald tot en met 31 december 2022. Verzoeker is in maart 2023 in dienst getreden bij een nieuwe werkgever, maar is hij in januari 2023 en februari 2023 salaris van Ciratum misgelopen vanwege zijn ontslag. Gelet op het nettosalaris (€ 1.990,32 per maand) dat verzoeker zou verdienen, heeft hij recht op een vergoeding voor gederfde inkomsten voor die periode van in totaal € 3.980,64. Het totaal aan gederfde inkomsten bedraagt daarmee € 25.834,89. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade is tot een bedrag van € 25.834,89 voldoende onderbouwd en de rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid het totaal aan verzochte gederfde inkomsten toe. Conclusie Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 26.966,51 (€ 1.131,62 + € 25.834,89) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Besluit Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 91.086,51 (€ 64.120,- + € 26.966,51) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. 5.2. Verzoek artikel 530 Sv Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zodat de verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. a. a) reiskosten De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de dertien zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 898,80,- voor toekenning in aanmerking. b) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 4.235,-, gelet op de complexiteit van het verzoek. De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen. Besluit Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 1.578,80 (€ 898,80,- + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. 7 Beslissing De rechtbank: t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv: kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 91.086,51 (zegge: éénennegentigduizend en zesentachtig euro en éénenvijftig eurocent); verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte. t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv: kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas