Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-06-10
ECLI:NL:RBROT:2024:14137
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 71/174389-21 Raadkamernummers: 23-014608 en 23-014609 Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker] , verzoeker geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsvrouw, mr. T.M.D. Buruma, advocaat te [adres]. 1 Procedure De verzoeken zijn op 8 juni 2023 ingediend en op 5 december 2023 aangevuld. De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en mr. S.K.S. Toelsie, advocaat te Amsterdam en waarnemend voor mr. Buruma zijn gehoord. 2 Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie 2.1 Verzoek artikel 533 Sv Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 1.218.050,29 bestaande uit: een bedrag van € 63.400,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 1.154.650,29 als vergoeding voor materiële schade (inclusief de vergoeding voor loonderving). Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: het voorbereiden van terroristische misdrijven,. Verzoeker zat als enige van de negen verdachten in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie, wat gedurende zeven maanden op de terrorisme afdeling (hierna: TA) een isolerend effect had. De detentie vond bovendien plaats op een transitief moment in zijn leven, waarbij hij aan een nieuwe studie was begonnen en zou gaan trouwen. Ten tijde van de aanhouding nam verzoeker deel aan een tweejarig, voltijd post-master programma dat leidt tot de graad van Professional Doctorate in Engineering (PDEng). Vanwege de langdurige detentie heeft cliënt deze studie niet kunnen afronden, waardoor hij belangrijke carrièremogelijkheden heeft misgelopen. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker behandeling nodig heeft gehad voor zijn PTSS-klachten. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 2 toewijsbaar maakt. De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen. De reiskosten van familieleden zijn geen kosten die verzoeker zelf heeft gemaakt. De officier van justitie acht verder dat de gevorderde gederfde inkomsten – hoewel een gevolg van de detentie van verzoeker en voldoende onderbouwd – voor rekening van verzoeker dienen te blijven, gelet op het laakbare gedrag van verzoeker en De officier van justitie heeft bij sommige materiële schadeposten tot afwijzing geconcludeerd vanwege het “laakbare gedrag” van de verzoeker en verwezen naar de overweging van de rechtbank in het vonnis over de voorlopige hechtenis. Maar over welk laakbaar gedrag het dan gaat is onduidelijk gebleven. Nu zelfs oplegging van een straf of maatregel, zij het voor een ander feit, op zich aan toekenning van een schadevergoeding niet in de weg staat, kan “laakbaar gedrag” hoe dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van de aanspraak op zich. En de overweging van de rechtbank in het vonnis behelst slechts dat er steeds ernstige bezwaren zijn geweest en dat er sprake is geweest van een verdenking die noopte tot strafrechtelijk onderzoek. Dat onderbouwt slechts de rechtmatigheid van het overheidsoptreden en juist daarvoor is de onderhavige regeling van schadevergoeding in het leven geroepen. De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn. a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen: verblijf in een politiecel 6 dgn x € 130,- € 780,- verblijf op de TA van een huis van bewaring 237 dgn x € 130,- € 30.810,- beperkingen 7 dgn x € 30,- € 210,- totaal € 31.800,- Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt. Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het ontslag van verzoeker bij zijn werkgever direct gevolg is geweest van de bekendmaking in de media van de verdenking waarvoor verzoeker in detentie is geplaatst. Ook na detentie heeft dit gevolgen gehad voor arbeidsbetrekkingen en zijn carrièrepad. De verdachte heeft ten gevolge van detentie zijn woning verloren en heeft zijn bruiloft moeten uitstellen. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van de lange duur in detentie. Verzoeker is onder behandeling geweest voor PTSS-klachten. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen, als verzocht, met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 63.600,-. b) vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorar De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat verzoeker schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten. Deze schade is tot een bedrag van € 101.530,- voldoende onderbouwd, met dien verstande dat niet het bruto, maar het netto (geschat op 2/3) inkomensverlies als schade is te beschouwen. Dit is immers het bedrag dat verzoeker in de situatie zonder detentie zou hebben ontvangen. De rechtbank wijst daarom op gronden van billijkheid een vergoeding toe tot het bedrag van € 67.686,67. Ten aanzien van de inkomensschade van 2024 tot de AOW-leeftijd van verzoeker oordeelt de rechtbank dat dit toekomstige schade betreft en valt daarmee ook buiten de reikwijdte van artikel 533 Sv. Deze kosten van de verzochte vergoeding worden niet toegekend. Reiskosten voor bezoek door familieleden De rechtbank is van oordeel dat kosten die zijn familieleden hebben gemaakt om verzoeker te bezoeken tijdens zijn detentie, niet zijn aan te merken als schade die verzoeker zelf ten gevolge van het ondergane voorarrest heeft geleden. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Kosten deskundigenonderzoek Wegens de omvang van de geleden schade als gevolg van de detentie en vervolging heeft verzoeker een deskundige op het gebied van letselschade ingeschakeld om passende schadebedragen vast te stellen. Hiervoor heeft verzoeker een factuur ontvangen ter hoogte van € 6.098,40. De rechtbank is van oordeel dat door verzoeker voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij ten gevolge van zijn detentie, de gestelde kosten heeft moeten maken en dat hij die kosten zonder detentie niet had gehad. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en het totale bedrag van € 6.098,40 zal worden toegewezen. Conclusie Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 76.248,13 (€ 1.901,59 + € 561,47 + € 67.686,67 + € 6.098,40) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Besluit Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 533 Sv een schadevergoeding ter hoogte van € 139.848,13 (€ 63.600,-. + € 76.248,13) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. 5.2. Verzoek artikel 530 Sv Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zodat verzoeker op grond van artikel 530 juncto artikel 534 Sv in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, zulks voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. a. a) reiskosten De reiskosten die verzoeker heeft gemaakt ten behoeve van de 10 zittingsdagen komen voor vergoeding in aanmerking. Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 490,- voor toekenning in aanmerking. b) Schade als gevolg van tijdverzuim Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor schade als gevolg van tijdverzuim voor 7 zittingsdagen op basis van het bruto salaris dat verzoeker verdiende ten tijde van de zittingsdagen met een totaalbedrag van € 1.303,- De gestelde schade is aan te merken als schade, die verzoeker werkelijk heeft geleden als gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak op de terechtzitting. Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker voor de schade als gevolg van het tijdverzuim door de behandeling van de zaak op de terechtzitting (7 dagen) een vergoeding toe te kennen, met dien verstande dat niet het bruto, maar het netto (geschat op 2/3) inkomensverlies als werkelijke schade is te beschouwen. De rechtbank wijst de vergoeding voor schade als gevolg van tijdverzuim toe tot een bedrag van (€ 1.303,- * 2/3 =) € 868,67. c) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen