Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-06-10
ECLI:NL:RBROT:2024:14136
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 71/174345-21 Raadkamernummers: 23-016275 en 23-016276 Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker] , verzoeker, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, voor deze zaak domicilie kiezende op het postadres van zijn gemachtigde mr. E.P.W.A. Bink te [adres],tevens bijgestaan door zijn raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam. 1 Procedure De verzoeken zijn op 27 juni 2023 ingediend. De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens gemachtigde en advocaat zijn gehoord. 2 Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie 2.1 Verzoek artikel 533 Sv Het verzoek, zoals gewijzigd ter zitting, strekt ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 266.442,73 bestaande uit: een bedrag van € 95.100,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 12.658,42 als vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 156.022,31 als vergoeding voor loonderving en pensioenschade; een bedrag van € 2.662,- als vergoeding voor het laten berekenen van de loonderving en de pensioenschade. Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: terroristische misdrijven. Verzoeker heeft zich op de terrorisme afdeling (hierna: TA) van de gevangenis staande moeten houden tussen mensen met een radicaal gedachtengoed. Hiervan en van de onderhavige vervolging heeft hij extreem veel nadeel en schade ondervonden, waaronder het verlies van zijn zeer goed betaalde baan en psychische klachten die als PTSS (kunnen) worden gekwalificeerd. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Voor verzoeker valt dat des te zwaarder, omdat de Verenigde Staten van Amerika de bakermat van zijn werkveld is. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker thans nog onder behandeling is van een gedragsdeskundige. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 3 toewijsbaar maakt. Ten aanzien van de materiële schade, de schade als gevolg van loonderving en pensioenschade is aangevoerd dat deze schade een direct gevolg is van de voorlopige hechtenis en de daarop volgende vervolging van verzoeker, voldoende onderbouwd is en daarom voor toekenning vatbaar. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,- en van de kosten voor de noodzakelijke rechtsbijstand in de civiele procedure tegen de voormalig werkgever van verzoeker. De officier van j De officier van justitie heeft bij sommige materiële schadeposten tot afwijzing geconcludeerd vanwege het “laakbare gedrag” van de verzoeker. Maar over welk laakbaar gedrag het dan gaat is onduidelijk gebleven. Nu zelfs oplegging van een straf of maatregel, zij het voor een ander feit, op zich aan toekenning van een schadevergoeding niet in de weg staat, kan “laakbaar gedrag” hoe dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van de aanspraak op zich. De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn. a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen: verblijf in een politiecel 6 dgn x € 130,- € 780,- verblijf op de TA van een huis van bewaring 236 dgn x € 130,- € 30.680,- beperkingen 7 dgn x € 30,- € 210,- totaal € 31.670,- Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt. Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het ontslag van verzoeker bij het chipbedrijf ASML het direct gevolg is geweest van de voortdurende detentie van verzoeker op grond van de verdenking van terroristische misdrijven. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van zijn aanhouding en de lange duur in detentie. Verzoeker is nog steeds onder behandeling bij een gedragsdeskundige. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd. Gelet op het voorgaande zal aan verzoeker voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest een vergoeding ter hoogte van € 63.340,- worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. b) vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor kosten een PTSS-traject € 5.000,- schade aan de woning € 5.283,42 schade als gevolg van een civiele procedure € 2.375,- Kosten PTSS-traject Verzoeker heeft als gevolg van de onderhavige hechtenis (en de onderhavige vervolging) en de daarop ondervonden nadelige gevolgen psychische klachten opgelopen die als PTSS (kunnen) worden gekwalificeerd. Het daadwerkelijke bedrag kan