Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-12-23
ECLI:NL:RBROT:2024:14115
Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 83/148497-23 + 83/015316-23 (TTZGEV) Datum uitspraak: 23 december 2024 Tegenspraak Vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam, in de gevoegde zaken tegen de verdachte rechtspersoon : [rechtspersoon A] . , gevestigd op het adres: [vestigingsadres 1] te ( [postcode] [vestigingsplaats 1] , in deze procedure vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordigster: mevrouw [persoon A] , Raadsman: mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te 's-Hertogenbosch. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 08 november 2024 . Tenlasteleggingen Aan de verdachte rechtspersoon is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de Oproepingen verdachte na ingesteld verzet met de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A.E. Bakker heeft gevorderd: - bewezenverklaring van het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 aan de verdachte rechtspersoon tenlastegelegde; - vernietiging van de aan de verdachte rechtspersoon in de zaken met de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 opgelegde strafbeschikkingen en - veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot: T.a.v. parketnummer 83/148497-23 : een geldboete ter hoogte van 4.500,00 euro en T.a.v. parketnummer 83/015316-23 : een geldboete ter hoogte van 3.000,00 euro. Ontvankelijkheid officier van justitie T.a.v. parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 : Standpunt verdediging Door de raadsman is ter terechtzitting aangevoerd dat interpretatiediscussies over te gebruiken codes (parketnummer 83/148497-23) en administratieve vergissingen (parketnummer 83/015316-23) niet in de strafrechtketen thuishoren. Een afdoening door het bevoegd gezag had eerder in de rede gelegen. Volgens de raadsman heeft de officier van justitie het vervolgingsrecht in de vorm van het aanbieden van een strafbeschikking (te) lichtvaardig ingezet en is strafrechtelijk optreden niet opportuun. Standpunt officier van justitie Door de officier van justitie is aangevoerd dat het in beide zaken niet gaat om incidentele gevallen, maar om structuele overtredingen. Als het om incidentele gevallen zou gaan, dan zouden deze zaken bestuursrechtelijk zijn afgedaan. In de zaak met parketnummer 83/148497-23 gaat het echter om de verdenking dat de verdachte rechtspersoon gedurende een periode van ongeveer twee jaren immobilistaat afkomstig uit 112.962.723 kilogram afvalstoffen niet onder de juiste code heeft afgemeld. En in de zaak met parketnummer 83/015316-23 wordt de verdachte rechtspersoon ervan verdacht gedurende bijna een jaar ruim 50 vrachten bedrijfsafvalstoffen zonder de juiste begeleidingsbrieven in ontvangst te hebben genomen. De officier van justitie is derhalve van mening dat deze zaken wel degelijk in het strafrecht thuishoren. Beoordeling De economische politierechter is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten strafbare feiten zijn die zijn voorzien en strafbaar gesteld bij de Wet op de economische delicten. Te dien aanzien geldt dat de officier van justitie op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid heeft tot vervolging over te gaan. Niet is gesteld of gebleken dat de officier van justitie op een onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van de haar toekomende bevoegdheden. Conclusie De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte rechtspersoon met betrekking tot de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23. Waardering van het bewijs Inleiding De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. T.a.v. parketnummer 83/148497-23 : In de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022 heeft de verdachte Subsidiair Artikel 10.38, derde lid, van de Wet milieubeheer, verplicht de gegevens te vermelden die zijn opgenomen in artikel 10.38, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waaronder de "gebruikelijke benaming". Het verplicht niet tot het melden onder een (juiste) code. Van overtreding van artikel 10.38 van de Wet milieubeheer is -wat er verder ook zij van het al dan niet voeren van een juiste code- geen sprake. Bovendien heeft het gebruik van een Eural-code in plaats van een GN-code niet verhullend gewerkt. Door het doen van een afgiftemelding bij het LMA is de "afvalbalans" (het verschil tussen de ontvangstmelding en de afgiftemelding) niet verstoord. Van een strijdigheid met het doel van de artikelen 10.38 en 10.39 van de Wet milieubeheer is geen sprake. De controleerbaarheid en traceerbaarheid van de afvalstoffen is niet in het geding geweest. T.a.v. parketnummer 83/015316-23 : Op de afvalbegeleidingsbrieven is als ontvanger in plaats van de naam van de verdachte rechtspersoon, [rechtspersoon B] vermeld. Het ontvangstadres was wel juist ingevuld. De beide vennootschappen behoren tot de " [naam] -groep". De vergunningen voor het innemen van de afvalstoffen zijn aan de verdachte rechtspersoon verleend, hetgeen bij de toezichthouders bekend is. Een voor de verdachte rechtspersoon geldende vergunning is overigens toegezonden aan [rechtspersoon B] , dus ook het bevoegd gezag is zich van de samenhang tussen beide bedrijven bewust, zie productie 3 (pa. 229) van het proces-verbaal. Van verhulling is geen sprake. Op de begeleidingsbrieven is het adres van de verdachte rechtspersoon vermeld en de afvalstoffen zijn op de locatie van de verdachte rechtspersoon afgegeven. De op de afvalbegeleidingsbrieven gebruikte naam betreft de handelsnaam die de verdachte rechtspersoon naar buiten toe gebruikt. Gelet op artikel 10.38, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, is de naam in combinatie met het adres herleidbaar tot de verdachte rechtspersoon. Er is slechts sprake van een kennelijke verschrijving en deze administratieve vergissing heeft geen afbreuk gedaan aan de controleerbaarheid en traceerbaarheid van de betreffende afvalstoffen. Enig (milieu)belang waarop de artikelen 10.39 en 10.40 van de Wet milieubeheer het oog hebben, is derhalve niet in het geding geweest. Aldus is geen sprake van een overtreding van artikel 10.40, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Beoordeling Alle door de raadsman gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak worden verworpen, nu zij door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen worden weersproken. De economische politierechter overweegt in het bijzonder nog het volgende. T.a.v. parketnummer 83/148497-23 : Centraal staat de vraag of de stof die de verdachte rechtspersoon produceert -het immobilisaat- bij afgifte een afvalstof is of een bouwstof. Ter beantwoording van die vraag zal allereerst het wettelijk kader worden weergegeven, ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Artikel 10.38 van de Wet milieubeheer luidt: 1 Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte: a. de datum van afgifte; b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven; c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen; d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen worden afgegeven; e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen; f. ingeval de afgifte geschiedt door tussenkomst van een ander die opdracht heeft de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze zijn bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens opdracht het vervoer geschiedt. 2 De geregistreerde gegevens worden ten minste vijf jaar bewaard en gedurende die periode door de afvalstoffenhouder ter beschikking gehouden van degenen die zijn belast met het toezicht of de douanecontrole op de naleving van de wet Daarom kan op grond van het dossier niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of toen de goederen al dan niet terecht met een Euralcode zijn afgemeld. De verdachte rechtspersoon wordt daarom vrijgesproken van de haar tenlastegelegde feiten voor zover die betreffen de periode van 1 januari 2020 tot 1 juli 2020. In die periode is 12.689.060 kilogram afvalstoffen in ontvangst genomen. Deze hoeveelheid moet bij de bewezenverklaring in mindering worden gebracht op de hoeveelheid die is tenlastegelegd, zodat 100.273.663 kilogram resteert . De economische politierechter overweegt voorts het volgende. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat de verdachte rechtspersoon uit afvalstoffen immobilisaat produceert. Op het bedrijf van de verdachte rechtspersoon worden afvalstoffen gemengd met andere stoffen, zoals cement, die de schadelijke eigenschappen van de afvalstoffen binden en zo een bouwstof vormen die toepassing vindt als gebonden fundering onder wegen, parkeerterreinen en bedrijfslocaties. De bewerking vindt plaats op het bedrijf, de verwerking vindt plaats op de locatie van toepassing. Of dat immobilisaat nog als afvalstof moet worden aangemerkt moet worden beoordeeld langs de vier cummulatieve criteria van artikel 1.1, achtste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat gold tussen 1 juli 2020 en 1 januari 2024. De verdachte rechtspersoon produceert uit afvalstoffen immobilisaat dat wordt gebruikt als bouwstof. Blijkens de website van de verdachte rechtspersoon is voor het immobilisaat een markt. De stoffen voldoen aan de technische voorschriften als bedoeld in het het genoemde artikellid van de Wet milieubeheer. Daartoe is zij in het bezit van een productiecertificaat op basis van BRL 9322. Dit productiecertificaat betreft de Nationale beoordelingsrichtlijn voor het NL BSB-productcertificaat voor mengsels van cementgebonden minerale reststoffen. In paragraaf 3.1.1. van BRL 9322 wordt aangegeven: De BRL richt zich alleen op producten die vallen onder de reikwijdte van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. De BRL borgt de milieuhygiënische kwaliteit op samenstelling van stoffen, de uitloging van stoffen en de duurzame vormvastheid van het uitgeharde immobilisaat. De BRL richt zich op vormgegeven bouwstoffen die voornamelijk buiten worden toegepast en mogelijk in contact kunnen komen met water. Paragraaf 6.7 BRL 9322 luidt: 6.7. Transport en toepassing De cementgebonden minerale reststof krijgt pas in zijn toepassing de gewenste producteigenschappen. Bij toepassing van een minerale reststof als gebonden fundering onder wegen, parkeerterreinen en bedrijfslocaties onder een verhardingslaag en als constructief vormgegeven ophoog materiaal wordt het niet-uitgeharde immobilisaat uit de menger getransporteerd naar de toepassingslocatie en daar in het werk gebracht. De producent dient zorg te dragen voor een duidelijke verwerkingsinstructie aan de toepasser aangaande het transport en het in het werk brengen van de cementgebonden minerale reststof. Hiertoe gebruikt hij de verwerkingsinstructie, zoals aangegeven in 5.8. Bij voorkeur zal de producent zelf de toepassing van het immobilisaat in het werk en de uitharding begeleiden. De producent dient te beschikken over deskundigheid ten aanzien van de toepassing van het immobilisaat in het werk . Van belang is de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer (noot EPR: was voor wijziging artikel 1.1, achtste lid), dat luidt als volgt: Met deze aanpassing van voorwaarde a) is tevens verduidelijkt dat de einde-afvalstatus niet pas wordt bereikt op het moment dat door recycling of andere nuttige toepassing uit afvalstoffen verkregen stoffen, mengsels of voorwerpen daadwerkelijk voor een specifiek doel worden gebruikt, maar al op het moment dat deze stoffen, mengsels of voorwerpen zijn bestemd om daarvoor te worden gebruikt .(onderstreping EPR) Samen met voorwaarde b) dat er een m Artikel 10.38, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt, voor zover hier van belang: 1 Degene die zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen ontdoet door deze af te geven aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a tot en met f, registreert met betrekking tot zodanige afgifte: a. de datum van afgifte; b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen worden afgegeven; c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen De economische politierechter stelt vast dat de begeleidingsbrieven als locatie van bestemming aangeven [rechtspersoon B] , terwijl de afvalstoffen in ontvangst zijn genomen door [rechtspersoon A] ., zodat er geen sprake was van begeleidingsbrieven die voldeden aan de wettelijke vereisten. Derhalve is niet voldaan aan de eisen van artikel 10.38 van de Wet milieubeheer. Dat [rechtspersoon B] tot hetzelfde concern behoort als [rechtspersoon A] . en [rechtspersoon B] ook wel als handelsnaam voor [rechtspersoon A] . wordt gebruikt, maakt dat niet anders. Conclusie Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen is de economische politierechter van oordeel, dat de onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De economische politierechter heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de economische politierechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: T.a.v. parketnummer 83/148497-23 : Zij, in of omstreeks 1 januari juli 2020 tot en met 31 december 2022, te Gorinchem, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, als een persoon als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, opzettelijk, zich van stoffen, mengsels (preparaten) of producten, te weten immobilisaat afkomstig uit in totaal ten minste 112.962.723 100.273.663 kilogram afvalstoffen met Euralcode 17 05 04, althans een hoeveelheid aan producten, niet zijnde bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, heeft ontdaan door afgiften aan andere personen (afnemers pagina 66 tot en met 382), immers hebben diverse anderen deze producten afgenomen ter inzet als bouwstof en/of grondstof, terwijl zij, verdachte, als een persoon als bedoeld in artikel 10.37 tweede lid onder a of b van de Wet Milieubeheer, met betrekking tot deze afgiften niet de gegevens (de gebruikelijke benaming van dat product, door vermelding van de GN-code) als bedoeld in artikel 10.38 lid 1 van de Wet Milieubeheer heeft gemeld bij een door onze minister aan te wijzen instantie , . immers heeft zij de afgifte van dit product niet gemeld bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, zijnde de door de minister van Infrastructuur en Milieu, thans de minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen instantie; T.a.v. parketnummer 83/015316-23 : Zij, in of omstreeks 18 februari 2021 tot en met 23 november 2021 te Gorinchem, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, als een persoon, als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, onder a of b van de Wet milieubeheer, al dan niet opzettelijk, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten: - 22 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer X] , en /of - 31 vrachten bodemas behorende bij afvalstroomnummer [nummer Y] in ontvangst heeft genomen zonder dat haar daarbij een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39, eerste lid, onder a en b van voornoemde Wet werd verstrekt, immers voldeden de verstrekte documenten niet aan de eisen van artikel 10.38 nu deze niet de correcte naam bevatte van degene aan wi Hierdoor is door de verdachte rechtspersoon ten onrechte de indruk gewekt, dat het door haar geproduceerde product een afvalstof is. Voorts heeft de verdachte rechtspersoon in het jaar 2021 meermalen bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen -te weten ruim 50 vrachten bodemas- in ontvangst genomen, terwijl de bijbehorende begeleidingsbrieven niet aan de wettelijke vereisten voldeden, aangezien op die begeleidingsbrieven niet de juiste naam stond vermeld van degene aan wie de afvalstoffen werden afgegeven. Door aldus te handelen heeft de verdachte rechtspersoon de regelgeving die geldt voor het in ontvangst nemen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen geschonden. Door de raadsman is bepleit dat ten aanzien van de verdachte rechtspersoon toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel). Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten zal aan de verdachte rechtspersoon echter een geldboete van na te noemen hoogte worden opgelegd. De economische politierechter heeft er bij de strafoplegging enerzijds rekening mee gehouden dat de verdachte rechtspersoon een professionele marktspeler is, van wie bij uitstek verwacht mag worden dat zij de geldende regels in acht neemt en zich goed laat informeren om de juiste regels te kunnen toepassen. Anderzijds heeft de economische politierechter er rekening mee gehouden dat er in het geval van de foutieve afmeldcodes sprake was van een onjuiste interpretatie door de verdachte rechtspersoon van de geldende regelgeving en dat is gebleken, dat de verdachte rechtspersoon met betrekking tot de begeleidingsbrieven inmiddels een aanpassing heeft doorgevoerd, waardoor nu wel voldaan wordt aan de administratieve verplichtingen. De economische politierechter heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2024, waaruit blijkt, dat de verdachte rechtspersoon in de afgelopen vijf jaren niet ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld. Tevens is rekening gehouden met de relatieve ouderdom van de bewezenverklaarde feiten en met de omstandigheid, dat niet is gebleken dat de bewezenverklaarde gedragingen enig financieel voordeel voor de verdachte rechtspersoon hebben opgeleverd. Gelet op het bovenstaande en teneinde de verdachte rechtspersoon ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de op te leggen geldboete geheel voorwaardelijk worden opgelegd. Alles afwegend komt de economische politierechter tot een (fors) lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De na te noemen voorwaardelijke geldboete wordt in het onderhavige geval passend en geboden geacht. Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 23, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; 10.38, 10.39 en 10.40 van de Wet milieubeheer; 7 en 12 van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen; 6 van de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen; 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen golden ten tijde van het plegen van de feiten. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. Beslissing De economische politierechter: - verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte rechtspersoon met betrekking tot de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23; - verklaart bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte rechtspersoon onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij; - stelt vast dat het onder de parketnummers 83/148497-23 en 83/015316-23 bewezenverklaarde oplevert de hiervoor