Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-17
ECLI:NL:RBROT:2024:14103
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
6,451 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/675161 / JE RK 24-522 en C/10/683456 / JE RK 24-1686
Datum uitspraak: 17 oktober 2024
Beschikking van de meervoudige kamer over:
een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (C/10/675161 / JE RK 24-522)
en een schriftelijke aanwijzing (C/10/683456 / JE RK 24-1686)
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.L. Witteveen, kantoorhoudende te Rotterdam,
[de pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de bijzondere curator] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator over [minderjarige] , kantoorhoudende te [plaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van deze rechtbank ten aanzien van C/10/675161 / JE RK 24-522 van 19 april 2024, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het verzoekschrift met bijlagen ten aanzien van C/10/683456 / JE RK 24-1686, ontvangen op 26 juli 2024;
de briefrapportage van de GI ten aanzien van C/10/675161 / JE RK 24-522, ontvangen op 15 augustus 2024;
de brief van de bijzondere curator, ontvangen op 13 september 2024;
twee documenten van Yulius ingestuurd door de GI, ontvangen op 25 september 2024;
de brief van Humane zorg, overgelegd door mr. Witteveen ter zitting op 26 september 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de pleegvader;
twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;
de bijzondere curator.
De rechtbank heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de moeder van Humane zorg, [begeleider] .
1.3.
De pleegmoeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder wel juist is opgeroepen. De pleegmoeder heeft per e-mailbericht van 25 september 2024 kenbaar gemaakt niet aanwezig te zullen zijn.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 april 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 april 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 oktober 2024. Het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voor verdere behandeling en beslissing verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer.
2.5.
De moeder heeft op 12 juli 2024 een schriftelijke aanwijzing gekregen van de GI. Hierin is het volgende opgenomen:
“Wij vragen u om elke 14 dagen in de even weken op woensdagmiddag van 14:00 uur tot 16:00 uur beschikbaar te zijn voor omgang met uw dochter [minderjarige] . Het gaat om begeleide omgang door JBRR, pleegzorg of Agathos. De omgang vindt plaats bij JBRR op kantoor of een nader gekozen locatie door moeder (in afstemming met JBRR). Als de omgang niet door kan gaan door bijvoorbeeld vakanties pleeggezin of andere verplichtingen dan wordt de omgang op een later moment ingehaald in overeenstemming met alle partijen en in het belang van [minderjarige] . Bij ziekte (enkel moeder of [minderjarige] ) wordt de omgang niet ingehaald omdat hierbij sprake is van overmacht.
Elke 3 maanden zullen er omgangsevaluaties plaatsvinden. Bij de evaluaties zullen de volgende partijen uitgenodigd worden:
Moeder
Steunfiguur moeder (als u dit wenst) (bijv. Reclassering, woonbegeleider of advocaat).
Pleegouders
Pleegzorg
JBRR
De omgangsregeling heeft een tijdelijke duur in die zin dat JBRR van mening is dat het nog te vroeg is om een definitieve omgangsregeling vast te leggen in het belang van [minderjarige] . Omdat JBRR van mening is dat haar tempo gevolgd moet worden wat maakt dat per stap gekeken moet worden wat zij aankan. De omgang zal elke 3 maanden worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.”
3De (aangehouden) verzoeken
Ten aanzien van C/10/675161 / JE RK 24-522
3.1.
De GI verzoekt een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar. Thans resteert van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing de periode vanaf 25 oktober tot 25 april 2025, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van C/10/683456 / JE RK 24-1686
3.2.
De moeder verzoekt primair de schriftelijke aanwijzing geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren. De moeder verzoekt subsidiair een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] iedere week voor de duur van twee uur begeleid contact heeft met de moeder bij de GI op kantoor of op een nader gekozen locatie door de moeder (in afstemming met de GI), waarbij iedere acht weken wordt bezien door de GI of uitbreiding dan wel onbegeleid contact tot de mogelijkheden behoort. De moeder verzoekt meer subsidiair een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
4De standpunten
4.1.
Namens en door de moeder is het verzoek tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing gehandhaafd. De moeder heeft zich niet verzet tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar zij is van mening dat het te vroeg is om het perspectief van [minderjarige] te bepalen. Zij heeft daartoe ter zitting het volgende naar voren gebracht. De strafzaak rondom [minderjarige] is afgerond en de moeder is dit jaar veroordeeld. Uit het vonnis kan worden afgeleid dat er sprake was van een verminderde mate van toerekening bij de moeder. Er was sprake van een ernstig trauma bij de moeder, waardoor zij een inadequate coping heeft ontwikkeld. Uit de recidivetaxatie kan worden afgeleid dat er sprake is van een laaggemiddeld recidive risico, wat door behandeling nog verder kan afnemen. Uit de brief van Humane zorg volgt dat de behandeling van de moeder naar verwachting binnen enkele maanden zal worden afgerond. De moeder heeft verschillende therapieën gehad, zoals EMDR en cognitieve gedragstherapie. Het NIKA-traject is een tijd geleden ingezet en de moeder merkt op dat NIKA geen schadelijk oudergedrag heeft waargenomen. Lange tijd is het de bedoeling geweest dat Agathos zou worden ingezet om zicht te krijgen op het opvoedershandelen van de moeder. De moeder staat open voor deze hulp. Totdat Agathos is ingezet, moet dan ook worden gewacht met het bepalen van het perspectief van [minderjarige] . Er moet worden gekeken naar hoe het nu gaat met de moeder. De moeder heeft positieve stappen gezet en is al ver gekomen. De moeder heeft nu nog geen eigen woning, maar kan waarschijnlijk binnenkort doorstromen naar een studio. De moeder vindt het van belang dat er wekelijks contact is met [minderjarige] , om hun band in stand te houden en op basis daarvan te bezien of zij voldoende kan aansluiten bij [minderjarige] . Daarom doet de moeder ook het verzoek om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. De signalen die [minderjarige] laat zien, zoals het slecht slapen of de nachtmerries, spelen al langere tijd. Het is niet duidelijk of deze signalen verband houden met de bezoeken met de moeder. De signalen zijn er op dit moment nog steeds, ook al heeft de moeder nu minder contact met [minderjarige] , en de signalen zijn er niet alleen rondom de bezoeken. Bovendien kan niemand [minderjarige] meer liefde geven dan haar eigen moeder. De moeder benadrukt dat zij niet voor [minderjarige] is opgekomen op het moment dat dit moest, maar dit was omdat zij destijds mentaal onbereikbaar en instabiel was. De moeder is en blijft de moeder. Zij wil de kans krijgen om voor [minderjarige] te zorgen.
4.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en het daarmee verband houdende perspectiefbesluit. De GI verzet zich tegen het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing. De GI licht dit als volgt nader toe. Er heeft naar aanleiding van de schriftelijke aanwijzing een wijziging in de bezoekregeling tussen de moeder en [minderjarige] plaatsgevonden vanaf 24 juli 2024. De bezoeken vinden nu om de week plaats en duren twee uur. De invulling van de bezoeken in een natuurlijke omgeving, zoals een speeltuin, verloopt goed. [minderjarige] is nog heel jong en laat rondom de bezoeken met de moeder zorgelijke signalen zien. [minderjarige] heeft dan bijvoorbeeld last van nachtmerries. [minderjarige] heeft veel tijd nodig om terug te komen in het ritme van het pleeggezin. Het is te zien dat [minderjarige] vermoeid is rondom de bezoekmomenten en de GI acht het daarom in het belang van [minderjarige] om een stap terug te zetten in de bezoeken. [minderjarige] moet zich kunnen focussen op school en de traumatherapie die zij krijgt. Het terugbrengen van het contact is echter een tijdelijke stap. Zodra [minderjarige] er klaar voor is, zal worden bezien of uitbreiding van het contact mogelijk is. Er is door de GI een belangenafweging gemaakt, waarbij het belang van [minderjarige] voorop is gesteld. De GI is dan ook van mening dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen. Agathos zal vanaf 2 oktober 2024 de begeleiding van de bezoeken overnemen en zal ook ouderbegeleiding bieden aan de moeder. Dit sluit aan bij de adviezen uit het NIKA-traject. Uit het NIKA-traject volgt dat de moeder weinig verstoord oudergedrag meer laat zien, mits zij in een veilige omgeving contact met [minderjarige] heeft.
Beoordeling
Ten aanzien van C/10/675161 / JE RK 24-522
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
5.2.
[minderjarige] is een vierjarig meisje dat op 1 februari 2022, destijds een jaar oud, is opgenomen in het Maasstad Ziekenhuis vanwege zeer ernstige brandwonden aan haar beide handen. Het letsel werd vermoed te zijn toegebracht. Uit het medisch onderzoek dat werd verricht kwam naar voren dat [minderjarige] ook andere (oudere) verwondingen had. Bovendien bleek [minderjarige] ernstig ondervoed. [minderjarige] was destijds aan de zorg van de moeder toevertrouwd, die met [minderjarige] bij een familielid woonde. [minderjarige] is vervolgens middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij een pleeggezin ondergebracht. [minderjarige] verblijft daar nu al twee en een half jaar. [minderjarige] ontwikkelt zich positief in het perspectiefbiedende pleeggezin en is gehecht aan haar pleegouders.
5.3.
De strafzaak tegen de moeder is inmiddels afgerond en de moeder is op 14 mei 2024 veroordeeld voor het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [minderjarige] . De moeder heeft [minderjarige] , samen met het familielid bij wie zij was ingetrokken, gedurende een periode van vijf maanden stelselmatig mishandeld en verwaarloosd. Hierdoor heeft [minderjarige] niet alleen letsel, maar ook een flinke ontwikkelingsachterstand opgelopen. De moeder heeft onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen met een proeftijd van vijf jaar. De reden voor de lange proeftijd is mede gelegen in het feit dat de moeder behandeling van ernstige PTSS moet ondergaan, wat - ook vanwege haar eigen belaste verleden - naar verwachting langere tijd zal duren. Het recidivegevaar is zeer beperkt geacht, vooral omdat de moeder niet langer de zorg draagt voor [minderjarige] . De rechtbank heeft bij de strafoplegging zwaar laten meewegen dat de moeder niet meer voor [minderjarige] mag zorgen.
5.4.
[minderjarige] is sinds kort gestart met traumabehandeling in de vorm van speltherapie. Hieruit komt naar voren dat zij signalen van ernstig trauma laat zien. Voor [minderjarige] is het van belang dat zij haar traumabehandeling kan voortzetten terwijl zij verblijft bij haar pleegouders, waar zij een trauma sensitieve opvoeding geboden krijgt en zij op een veilig manier contact heeft met haar moeder. De moeder verzet zich ook niet tegen het langer verblijven van [minderjarige] bij de pleegouders, maar wel tegen het op 2 november 2023 door de GI genomen opvoedbesluit. Daarin is bepaald dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. De GI is van mening dat de moeder een zeer belast verleden heeft, er sprake is van complexe PTSS en de behandeling hiervan mogelijk nog jaren in beslag neemt. De onbehandelde trauma’s uit het verleden beïnvloeden het dagelijks leven van de moeder ernstig en het is niet realistisch om van de moeder te verwachten dat zij op korte termijn dusdanig behandeld en hersteld is van haar trauma’s dat zij de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De rechtbank kan deze lijn van de GI volgen en acht de periode waarin [minderjarige] onzekerheid kan ervaren over haar toekomstperspectief verstreken. De rechtbank onderschrijft dan ook de visie van de GI en de bijzondere curator, die inhoudt dat [minderjarige] bij het pleeggezin zal opgroeien en niet meer aan terugplaatsing bij de moeder wordt gewerkt. Gelet op de ontwikkeling van [minderjarige] , is het van belang dat zij niet wordt blootgesteld aan het onderzoeken van de mogelijkheden die de moeder nog heeft in het zelfstandig kunnen opvoeden van [minderjarige] . Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] door alles wat zij - mede door toedoen van de moeder - heeft meegemaakt in haar jonge leven, zeer ernstig beschadigd is geraakt. [minderjarige] zal naar verwachting langdurige behandeling nodig hebben en heeft een forse achterstand in haar ontwikkeling opgelopen. [minderjarige] heeft om deze reden een verzwaarde opvoedvraag. De omstandigheid dat de moeder het afgelopen jaar een individueel behandeltraject heeft gevolgd om met haar PTSS om te gaan is weliswaar positief voor de moeder en de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , maar niet valt te verwachten dat de moeder ook binnen afzienbare termijn voor [minderjarige] kan zorgen. De rechtbank acht het niet in het belang van [minderjarige] wanneer [minderjarige] nog veel langer in onzekerheid moet verkeren over waar zij uiteindelijk kan opgroeien. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] , de lange periode waarin zij reeds bij het pleeggezin woont, de positieve ontwikkeling die zij daar doormaakt en gezien de extra zorg die [minderjarige] nodig heeft door de ernstige schade die zij in de periode dat zij wel door de moeder werd verzorgd heeft opgelopen, acht de rechtbank het in haar belang is dat zij in het pleeggezin kan opgroeien waar zij inmiddels gehecht is.
5.5.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 25 april 2025.
Ten aanzien van C/10/683456 / JE RK 24-1686
5.6.
Op verzoek van een met het gezag belaste ouder kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren (artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek). Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat kader moet de kinderrechter beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, of de relevante belangen kenbaar zijn afgewogen en of het besluit deugdelijk is gemotiveerd.
5.7.
De moeder verzoekt om de schriftelijke aanwijzing die zij op 12 juli 2024 van de GI heeft gekregen en die het contact tussen haar en [minderjarige] beperkt, (deels) vervallen te verklaren. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [minderjarige] zeer ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en dat zij meer dan gemiddeld gebaat is bij een veilige en stabiele opvoedomgeving. De afgelopen periode komt naar voren dat [minderjarige] signalen laat zien van trauma gerelateerde klachten na de bezoeken met de moeder. [minderjarige] heeft daarna last van vermoeidheid, nachtmerries en komt moeilijk terug in de structuur van het pleeggezin. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] op zich positief verloopt en de moeder goed meewerkt met de hulpverlening. Er wordt echter veel van [minderjarige] gevraagd nu zij naar school gaat, traumabehandeling volgt en bezoeken heeft met haar moeder. Om te voorkomen dat [minderjarige] wordt overvraagd en haar behandeling stagneert, is het volgens de GI nodig om de wekelijkse bezoekmomenten met de moeder terug te brengen naar tweewekelijkse bezoekmomenten. Dit wordt onderschreven door de bijzondere curator. De GI heeft daarbij benoemd dat de regeling van tijdelijke duur is en dat per stap moet worden gekeken wat [minderjarige] aankan. De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 12 juli 2024 gedegen is gemotiveerd, zorgvuldig tot stand is gekomen en alle belangen kenbaar zijn afgewogen. De rechtbank acht de bezoekregeling zoals door de GI is vastgesteld bij de schriftelijke aanwijzing gelet op de huidige omstandigheden in het belang van [minderjarige] . Het verzoek van de moeder zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
Ten aanzien van C/10/675161 / JE RK 24-522
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 25 april 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Ten aanzien van C/10/683456 / JE RK 24-1686
6.3.
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Riege, mr. J.C.M. Persoon en mr. L.W.M. Hendriks, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg en S.L. Bulte als griffiers.
Hoger beroep tegen deze beschikking voor zover dat ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Feiten
Dit gaat om situaties zonder stress. Er kon gedurende het NIKA-traject niet meer stress worden toegevoegd, omdat dat niet verantwoord was gezien de trauma’s die bij de moeder getriggerd kunnen worden. De moeder is bij stress niet in staat om sensitief en responsief te reageren op [minderjarige] . Agathos kan onderzoeken wat haalbaar is in de omgang en wat de moeder nog kan leren om beter bij [minderjarige] aan te sluiten. De moeder zal daarbij worden ondersteund in haar rol als moeder op afstand, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] kan behouden. [minderjarige] heeft echter heel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt in de periode dat zij aan de zorg van de moeder was toevertrouwd. De moeder blijkt een zeer belast verleden te hebben en dat is van invloed geweest op haar opvoedvaardigheden. [minderjarige] heeft een grotere zorgbehoefte vanwege de trauma’s die zij heeft opgedaan. De moeder wordt niet in staat geacht om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn aan de zorgbehoefte van [minderjarige] te voldoen. Het perspectief van [minderjarige] ligt naar mening van de GI daarom bij het pleeggezin waar [minderjarige] al langere tijd woont en zich goed ontwikkelt. De GI stelt dat alle betrokkenen recht hebben op duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] .
4.3.
De bijzondere curator heeft ter zitting het volgende standpunt naar voren gebracht. Het is positief dat [minderjarige] contact met de moeder heeft en de bezoeken goed verlopen. Het perspectief van [minderjarige] ligt echter naar mening van de bijzondere curator niet bij de moeder. De moeder heeft de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie niet kunnen waarborgen en er is [minderjarige] groot leed aangedaan. In de strafprocedure die hierop is gevolgd is de moeder veroordeeld voor het samen met een ander toebrengen van letsel aan [minderjarige] . Gedurende de behandeling van de strafzaak is medegedeeld dat [minderjarige] er niet meer was geweest, als de situatie van [minderjarige] bij de moeder nog een paar dagen langer had voortgeduurd. De rechtbank heeft bij de strafoplegging aan de moeder zwaar laten meewegen dat zij niet meer voor haar dochter mag zorgen. De bijzondere curator acht het van belang dat dit wordt meegenomen bij de perspectiefbepaling van [minderjarige] . De moeder is verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege haar eigen verleden. [minderjarige] kan niet nog eens aan dit risico worden blootgesteld. Het recidiverisico van de moeder is laag omdat zij nu de zorg voor [minderjarige] niet heeft. De moeder heeft nog een lange weg te gaan en moet nog veel aan haar eigen ontwikkeling doen. Het perspectief van [minderjarige] ligt daarom niet bij de moeder. Er zal een langdurig traject voor [minderjarige] volgen om de trauma’s te behandelen. Deze behandeling is voorliggend. [minderjarige] moet daarnaast ook nog naar school. Dit alles bij elkaar is veel en als zij dan ook nog het huidige tweewekelijks contact heeft met de moeder, zal er veel in haar hoofd omgaan. De bijzondere curator hoopt dat [minderjarige] dit kan volhouden, maar zij geeft steeds meer signalen dat het veel voor haar is. De bijzondere curator acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat het contact met de moeder door middel van een schriftelijke aanwijzing is ingeperkt. De bijzondere curator is verder van mening dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden toegewezen en dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. Het zou bovendien goed zijn als de Raad gaat onderzoeken of een gezagsbeëindiging van de moeder in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Lange tijd werd gedacht dat kon worden overgedragen naar het vrijwillig kader, maar het lijkt nu dat de moeder voor haar eigen belangen opkomt en deze belangen lopen niet parallel met die van [minderjarige] .
4.4.
De pleegvader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het goed gaat met [minderjarige] . Zij hecht zich goed aan het pleeggezin en voelt zich veilig. De pleegvader merkt wel dat het hoofdje van [minderjarige] vol zit en dat alle drukte van de afgelopen tijd lastig is voor [minderjarige] . De pleegouders vinden het belangrijk dat de band tussen de moeder en [minderjarige] goed blijft. Ook hechten de pleegouders aan een goede samenwerking met de moeder van [minderjarige] .