Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-07
ECLI:NL:RBROT:2024:14098
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
13,080 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/667949 / HA ZA 23-941
Vonnis van 7 augustus 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
, in de hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer [erflater] ,
wonende te [plaats 1] ( [land] ),
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. S. Braspenning te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat mr. F. Heidinga te Hilversum.
Partijen zullen hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 20 oktober 2023, met producties;
de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties;
de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;
de akte houdende vermindering van eis in reconventie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2024. [eiser] was hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. S. Braspenning en door J. Bierhoff (tolk in de Portugese taal). [gedaagde] , vergezeld van zijn echtgenote [persoon A] , was aanwezig, bijgestaan door mr. F. Heidinga.
Beoordeling
2.1.
Op [datum] 2018 is in [overlijdensplaats] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). [eiser] heeft ruim twintig jaar een affectieve relatie gehad met erflater en is op 3 mei 2013 een geregistreerd partnerschap met erflater aangegaan. [gedaagde] is de broer van erflater. Erflater heeft bij testament van 12 maart 2018 over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarin [eiser] tot enig erfgenaam benoemd en [gedaagde] tot executeur, die deze benoeming heeft aanvaard. Erflater heeft voorts bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de afwikkeling van zijn nalatenschap.
2.2.
Bij beschikking van 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, op verzoek van [eiser] , [gedaagde] ontslagen in zijn functie van executeur en tot executeur benoemd de heer [persoon B] , registeraccountant (hierna: [persoon B] ).
2.3.
[persoon B] heeft op 31 maart 2022 met zijn ‘Rapport van bevindingen’ rekening en verantwoording afgelegd aan [eiser] . Uit dit rapport volgt onder andere dat [persoon B] van mening is dat [gedaagde] een bedrag van € 150.000,- heeft onttrokken aan de nalatenschap, dat [gedaagde] ten onrechte diverse juridische kosten ten laste van de nalatenschap heeft gebracht en dat [eiser] als enige erfgenaam recht heeft op de persoonlijke bezittingen (laptop, mobiele telefoon en andere objecten) van erflater. De vorderingen van [eiser] in deze procedure zien hierop. [gedaagde] heeft vervolgens een aantal reconventionele vorderingen ingesteld. Hieronder zal eerst op de conventionele vorderingen worden ingegaan en daarna op de reconventionele vorderingen.
in conventie
onttrekking door overboeking € 150.000,-
2.4.
[eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door op 9 maart 2018 zonder recht of titel een bedrag van € 150.000,- naar zichzelf over te boeken van een bankrekening waar spaargeld van erflater op stond, maar waar [gedaagde] als gevolmachtigde van erflater het beheer over had. [eiser] vordert daarom primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het bedrag van € 150.000,- aan hem te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor zover geoordeeld wordt dat sprake is geweest van een mondelinge afspraak tot schenking, stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het verbod op ‘Selbsteintritt’ (artikel 3:68 BW), door als gevolmachtigde over de bankrekening te beschikken en zichzelf te hebben verrijkt, en dat daarom de mondelinge afspraak tot schenking nietig is. [eiser] vordert gelet hierop subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat de (mondelinge) afspraak tot schenking nietig is en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 150.000,- aan [eiser] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.5.
[gedaagde] heeft de overboeking van € 150.000,- niet betwist, maar heeft betoogd dat het een gift was door erflater aan hem. In het concept testament van 26 februari 2018 van erflater had erflater zijn woning aan [adres] in [plaats 3] (hierna: de woning) gelegateerd aan [gedaagde] (zonder inbreng). In het definitieve testament van 12 maart 2018 is de woning aan [gedaagde] gelegateerd onder de verplichting om bij de afgifte van het legaat de waarde van de woning te vergoeden aan de nalatenschap, waarbij moet worden uitgegaan van de waarde (vrij van gebruik en verhuur) in het economische verkeer op het moment van overlijden van erflater. [gedaagde] heeft verklaard dat hij de door erflater en hem toen geschatte marktwaarde van de woning van € 450.000,- te hoog vond en dat hij slechts bereid en in staat was om € 300.000,- te betalen. Tegen die achtergrond hebben erflater en [gedaagde] , in aanwezigheid van de echtgenote van [gedaagde] , mevrouw [persoon A] , mondeling afgesproken dat [gedaagde] voor die hogere waarde werd gecompenseerd door een schenking, althans gift, aan hem van € 150.000,-. Dat bedrag heeft [gedaagde] op 9 maart 2018, in aanwezigheid van erflater, daarom naar zichzelf overgeboekt.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] deze door [gedaagde] voldoende gemotiveerde afspraak, waarover erflater en [gedaagde] niets op papier hebben gezet, eveneens voldoende gemotiveerd heeft betwist, met name door te wijzen op het ontbreken van die gift in het enkele dagen later opgemaakte testament en in de aangifte erfbelasting voor [gedaagde] . Aan [gedaagde] zal daarom het bewijs van de gestelde schenking, althans gift, van de € 150.000,- worden opgedragen, aangezien hij degene is die een beroep doet op die schenking, althans gift, als rechtsgrond voor de overboeking van de € 150.000,-. De zaak zal daarom worden verwezen naar de rol, zodat [gedaagde] zich bij akte kan uitlaten over de bewijslevering.
juridische kosten ten laste van de nalatenschap
2.7.
[eiser] stelt dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur diverse advocaat- en notariskosten heeft gemaakt die in redelijkheid niet ten laste van de nalatenschap behoren te komen, nu deze zien op juridisch advies ten gunste van [gedaagde] zelf en niet ten gunste zijn gekomen van de nalatenschap van erflater. [eiser] vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 12.606,55, welk bedrag volgens hem bestaat uit facturen van [advocatenkantoor 1] advocaten ten bedrage van in totaal € 6.011,68, uit een factuur van [notariskantoor] van € 742,94 en uit facturen van [advocatenkantoor 2] van € 5.851,93. [eiser] vordert tevens dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de wettelijke rente te betalen over de gevorderde bedragen.
2.8.
De rechtbank stelt voorop dat de kosten van de executele schulden zijn van de nalatenschap en voor rekening komen van de erfgenamen (artikel 4:7 lid 1 onder d BW). Indien de executeur gelet op zijn taak en de vervulling daarvan in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen, kan er aanleiding zijn te oordelen dat de executeur deze kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet dragen. Daarbij zijn in elk geval van belang de aard van deze kosten, de reden voor het ontstaan daarvan, de verwijtbaarheid en de vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap. In hoeverre de kosten van executele voor rekening van de executeur komen zal in het algemeen aan de orde komen bij de rekening en verantwoording door de executeur (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1587).
- facturen van [advocatenkantoor 1] inzake ontslagprocedure
2.9.
[eiser] stelt dat de factuur van [advocatenkantoor 1] van 10 juli 2020 voor een deel, namelijk voor de bestede tijd van 24 februari 2020 tot en met 21 juni 2020 (12 uur, 33% van de gehele factuur, door hem onbetwist berekend op € 2.795,10), ziet op de ontslagprocedure van [gedaagde] als executeur en dat de factuur van 26 oktober 2020 (€ 1.324,95) hier volledig op ziet, totaal dus € 4.120,05. Volgens [eiser] komen de kosten die [gedaagde] heeft gemaakt in verband met de ontslagprocedure niet voor rekening van de nalatenschap, omdat deze kosten niet ten goede zijn gekomen aan de nalatenschap.
2.10.
[gedaagde] heeft, onder verwijzing naar een brief van [persoon C 1] van 17 mei 2022, betwist dat de door [persoon C 1] in rekening gebrachte advieswerkzaamheden zagen op de ontslagprocedure. [eiser] heeft er tijdens de zitting echter op gewezen dat uit de tekst van de specificaties bij de facturen anders blijkt, omdat daarin onder andere wordt gesproken over een verweerschrift, pleitaantekeningen en een brief naar de kantonrechter. [gedaagde] heeft daarop erkend dat er geen andere procedure dan de ontslagprocedure was waarop deze werkzaamheden betrekking kunnen hebben gehad en dat [persoon C 1] hem bij de ontslagprocedure wel van advies heeft voorzien.
Dictum
De rechtbank
in conventie
3.1.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat erflater het bedrag van € 150.000,- aan [gedaagde] heeft geschonken ter compensatie van de hogere waarde van het legaat van de woning (rechtsoverweging 2.6.);
3.2.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat erflater zijn laptop aan [gedaagde] heeft geschonken (rechtsoverweging 2.22.);
3.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 11 september 2024 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte schriftelijk uit te laten of, en zo ja hoe, hij bewijs wenst te leveren in verband met de twee hiervoor genoemde bewijsopdrachten;
3.4.
bepaalt dat als [gedaagde] schriftelijk bewijs wil leveren, dit bewijs direct bij de akte gevoegd moet worden;
3.5.
bepaalt dat als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij bij zijn akte het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven, alsmede de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden december 2024, januari 2025, februari 2025 en maart 2025; [gedaagde] moet na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen oproepen;
3.6.
bepaalt dat als [gedaagde] op een andere manier bewijs wil leveren, hij in zijn akte moet laten weten hoe hij dat wil doen;
3.7.
verzoekt [gedaagde] zich in de hiervoor genoemde akte ook uit te laten over zijn zoektocht naar en het eventueel aan [eiser] afgegeven hebben van de mobiele telefoon, de permanent resident card en het paspoort van erflater (rechtsoverweging 2.21) alsmede over het eventueel aan [eiser] afgegeven hebben van de laptop (rechtsoverweging 2.22);
3.8.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
3.9.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
3120
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/667949 / HA ZA 23-941
Vonnis van 7 augustus 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser]
, in de hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de heer [erflater] ,
wonende te [plaats 1] ( [land] ),
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. S. Braspenning te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat mr. F. Heidinga te Hilversum.
Partijen zullen hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 20 oktober 2023, met producties;
de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties;
de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;
de akte houdende vermindering van eis in reconventie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2024. [eiser] was hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. S. Braspenning en door J. Bierhoff (tolk in de Portugese taal). [gedaagde] , vergezeld van zijn echtgenote [persoon A] , was aanwezig, bijgestaan door mr. F. Heidinga.
Beoordeling
2.1.
Op [datum] 2018 is in [overlijdensplaats] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater). [eiser] heeft ruim twintig jaar een affectieve relatie gehad met erflater en is op 3 mei 2013 een geregistreerd partnerschap met erflater aangegaan. [gedaagde] is de broer van erflater. Erflater heeft bij testament van 12 maart 2018 over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarin [eiser] tot enig erfgenaam benoemd en [gedaagde] tot executeur, die deze benoeming heeft aanvaard. Erflater heeft voorts bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de afwikkeling van zijn nalatenschap.
2.2.
Bij beschikking van 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam, op verzoek van [eiser] , [gedaagde] ontslagen in zijn functie van executeur en tot executeur benoemd de heer [persoon B] , registeraccountant (hierna: [persoon B] ).
2.3.
[persoon B] heeft op 31 maart 2022 met zijn ‘Rapport van bevindingen’ rekening en verantwoording afgelegd aan [eiser] . Uit dit rapport volgt onder andere dat [persoon B] van mening is dat [gedaagde] een bedrag van € 150.000,- heeft onttrokken aan de nalatenschap, dat [gedaagde] ten onrechte diverse juridische kosten ten laste van de nalatenschap heeft gebracht en dat [eiser] als enige erfgenaam recht heeft op de persoonlijke bezittingen (laptop, mobiele telefoon en andere objecten) van erflater. De vorderingen van [eiser] in deze procedure zien hierop. [gedaagde] heeft vervolgens een aantal reconventionele vorderingen ingesteld. Hieronder zal eerst op de conventionele vorderingen worden ingegaan en daarna op de reconventionele vorderingen.
in conventie
onttrekking door overboeking € 150.000,-
2.4.
[eiser] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door op 9 maart 2018 zonder recht of titel een bedrag van € 150.000,- naar zichzelf over te boeken van een bankrekening waar spaargeld van erflater op stond, maar waar [gedaagde] als gevolmachtigde van erflater het beheer over had. [eiser] vordert daarom primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het bedrag van € 150.000,- aan hem te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor zover geoordeeld wordt dat sprake is geweest van een mondelinge afspraak tot schenking, stelt [eiser] zich op het standpunt dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met het verbod op ‘Selbsteintritt’ (artikel 3:68 BW), door als gevolmachtigde over de bankrekening te beschikken en zichzelf te hebben verrijkt, en dat daarom de mondelinge afspraak tot schenking nietig is. [eiser] vordert gelet hierop subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat de (mondelinge) afspraak tot schenking nietig is en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 150.000,- aan [eiser] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.5.
[gedaagde] heeft de overboeking van € 150.000,- niet betwist, maar heeft betoogd dat het een gift was door erflater aan hem. In het concept testament van 26 februari 2018 van erflater had erflater zijn woning aan [adres] in [plaats 3] (hierna: de woning) gelegateerd aan [gedaagde] (zonder inbreng). In het definitieve testament van 12 maart 2018 is de woning aan [gedaagde] gelegateerd onder de verplichting om bij de afgifte van het legaat de waarde van de woning te vergoeden aan de nalatenschap, waarbij moet worden uitgegaan van de waarde (vrij van gebruik en verhuur) in het economische verkeer op het moment van overlijden van erflater. [gedaagde] heeft verklaard dat hij de door erflater en hem toen geschatte marktwaarde van de woning van € 450.000,- te hoog vond en dat hij slechts bereid en in staat was om € 300.000,- te betalen. Tegen die achtergrond hebben erflater en [gedaagde] , in aanwezigheid van de echtgenote van [gedaagde] , mevrouw [persoon A] , mondeling afgesproken dat [gedaagde] voor die hogere waarde werd gecompenseerd door een schenking, althans gift, aan hem van € 150.000,-. Dat bedrag heeft [gedaagde] op 9 maart 2018, in aanwezigheid van erflater, daarom naar zichzelf overgeboekt.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] deze door [gedaagde] voldoende gemotiveerde afspraak, waarover erflater en [gedaagde] niets op papier hebben gezet, eveneens voldoende gemotiveerd heeft betwist, met name door te wijzen op het ontbreken van die gift in het enkele dagen later opgemaakte testament en in de aangifte erfbelasting voor [gedaagde] . Aan [gedaagde] zal daarom het bewijs van de gestelde schenking, althans gift, van de € 150.000,- worden opgedragen, aangezien hij degene is die een beroep doet op die schenking, althans gift, als rechtsgrond voor de overboeking van de € 150.000,-. De zaak zal daarom worden verwezen naar de rol, zodat [gedaagde] zich bij akte kan uitlaten over de bewijslevering.
juridische kosten ten laste van de nalatenschap
2.7.
[eiser] stelt dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur diverse advocaat- en notariskosten heeft gemaakt die in redelijkheid niet ten laste van de nalatenschap behoren te komen, nu deze zien op juridisch advies ten gunste van [gedaagde] zelf en niet ten gunste zijn gekomen van de nalatenschap van erflater. [eiser] vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 12.606,55, welk bedrag volgens hem bestaat uit facturen van [advocatenkantoor 1] advocaten ten bedrage van in totaal € 6.011,68, uit een factuur van [notariskantoor] van € 742,94 en uit facturen van [advocatenkantoor 2] van € 5.851,93. [eiser] vordert tevens dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de wettelijke rente te betalen over de gevorderde bedragen.
2.8.
De rechtbank stelt voorop dat de kosten van de executele schulden zijn van de nalatenschap en voor rekening komen van de erfgenamen (artikel 4:7 lid 1 onder d BW). Indien de executeur gelet op zijn taak en de vervulling daarvan in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen, kan er aanleiding zijn te oordelen dat de executeur deze kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet dragen. Daarbij zijn in elk geval van belang de aard van deze kosten, de reden voor het ontstaan daarvan, de verwijtbaarheid en de vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap. In hoeverre de kosten van executele voor rekening van de executeur komen zal in het algemeen aan de orde komen bij de rekening en verantwoording door de executeur (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1587).
- facturen van [advocatenkantoor 1] inzake ontslagprocedure
2.9.
[eiser] stelt dat de factuur van [advocatenkantoor 1] van 10 juli 2020 voor een deel, namelijk voor de bestede tijd van 24 februari 2020 tot en met 21 juni 2020 (12 uur, 33% van de gehele factuur, door hem onbetwist berekend op € 2.795,10), ziet op de ontslagprocedure van [gedaagde] als executeur en dat de factuur van 26 oktober 2020 (€ 1.324,95) hier volledig op ziet, totaal dus € 4.120,05. Volgens [eiser] komen de kosten die [gedaagde] heeft gemaakt in verband met de ontslagprocedure niet voor rekening van de nalatenschap, omdat deze kosten niet ten goede zijn gekomen aan de nalatenschap.
2.10.
[gedaagde] heeft, onder verwijzing naar een brief van [persoon C 1] van 17 mei 2022, betwist dat de door [persoon C 1] in rekening gebrachte advieswerkzaamheden zagen op de ontslagprocedure. [eiser] heeft er tijdens de zitting echter op gewezen dat uit de tekst van de specificaties bij de facturen anders blijkt, omdat daarin onder andere wordt gesproken over een verweerschrift, pleitaantekeningen en een brief naar de kantonrechter. [gedaagde] heeft daarop erkend dat er geen andere procedure dan de ontslagprocedure was waarop deze werkzaamheden betrekking kunnen hebben gehad en dat [persoon C 1] hem bij de ontslagprocedure wel van advies heeft voorzien.
Dictum
De rechtbank
in conventie
3.1.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat erflater het bedrag van € 150.000,- aan [gedaagde] heeft geschonken ter compensatie van de hogere waarde van het legaat van de woning (rechtsoverweging 2.6.);
3.2.
draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat erflater zijn laptop aan [gedaagde] heeft geschonken (rechtsoverweging 2.22.);
3.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 11 september 2024 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte schriftelijk uit te laten of, en zo ja hoe, hij bewijs wenst te leveren in verband met de twee hiervoor genoemde bewijsopdrachten;
3.4.
bepaalt dat als [gedaagde] schriftelijk bewijs wil leveren, dit bewijs direct bij de akte gevoegd moet worden;
3.5.
bepaalt dat als [gedaagde] getuigen wil laten horen, hij bij zijn akte het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven, alsmede de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden december 2024, januari 2025, februari 2025 en maart 2025; [gedaagde] moet na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen oproepen;
3.6.
bepaalt dat als [gedaagde] op een andere manier bewijs wil leveren, hij in zijn akte moet laten weten hoe hij dat wil doen;
3.7.
verzoekt [gedaagde] zich in de hiervoor genoemde akte ook uit te laten over zijn zoektocht naar en het eventueel aan [eiser] afgegeven hebben van de mobiele telefoon, de permanent resident card en het paspoort van erflater (rechtsoverweging 2.21) alsmede over het eventueel aan [eiser] afgegeven hebben van de laptop (rechtsoverweging 2.22);
3.8.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
3.9.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
3120
Beoordeling
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft weersproken dat de door [persoon C 1] in rekening gebrachte werkzaamheden mede zagen op de ontslagprocedure van [gedaagde] . Nu dit kosten zijn die voor rekening van de executeur zelf moeten komen, aldus ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het al genoemde arrest van 19 februari 2019, heeft [gedaagde] deze kosten ten onrechte ten laste gebracht van de nalatenschap.
2.11.
De rechtbank kan [gedaagde] hierbij niet volgen in zijn standpunt dat sprake was van een ontslag op eigen verzoek en dat de kosten daarom niet voor zijn rekening hoeven te komen. Wat daar immers van zij: [gedaagde] heeft pas op 17 september 2020, nadat de procedure op 24 februari 2020 was aangevangen en er al een mondelinge behandeling had plaatsvonden, berust in het ontslag, zodat niet geoordeeld kan worden dat sprake was van een ontslag op eigen verzoek.
2.12.
[gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende, gespecificeerd welke – pas ter zitting door hem erkend als ten laste van de nalatenschap komende – kosten zagen op de ontslagprocedure of dat dit minder werkzaamheden zijn dan die waarop deze vordering van [eiser] betrekking heeft, berekend vanaf het moment dat [gedaagde] bekend was of kon zijn met het ontslagverzoek, 24 februari 2020. De rechtbank zal daarom, in aanmerking genomen dat partijen ter zitting ermee hebben ingestemd dat de rechtbank op dit punt een knoop doorhakt, het door [eiser] in dit verband gevorderde en onder 2.9 gepreciseerde bedrag van € 4.120,05 toewijzen. De gevorderde en niet weersproken wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dagen dat [gedaagde] bedragen ten onrechte heeft onttrokken aan de nalatenschap van erflater door ze vanaf de bankrekening van erflater te voldoen, omdat [gedaagde] op dat moment in verzuim raakte (artikel 6:83, aanhef en onder b, BW). Dit betekent dat [gedaagde] over een bedrag van € 2.795,10 de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 27 juli 2020 en over een bedrag van € 1.324,95 vanaf 26 oktober 2020, in beide gevallen tot de dag der algehele voldoening.
- factuur van [advocatenkantoor 1] inzake legaat woning
2.13.
[eiser] stelt voorts dat de factuur van [advocatenkantoor 1] van 10 juli 2020 voor een deel ziet op werkzaamheden die verband houden met (de afgifte van) het legaat van de woning (door hem geschat op 7,67 uur en daarmee op 1/3e deel van de resterende 67% van € 8.400,-, zijnde € 1.891,63), zodat deze kosten op grond van het testament voor [gedaagde] komen, althans [gedaagde] deze kosten op grond van de redelijkheid niet ten laste van de nalatenschap had kunnen brengen.
2.14.
[gedaagde] stelt dat hij voor de afgifte van het legaat en hetgeen in dit alles speelde terecht in zijn functie van executeur een beroep heeft gedaan op [persoon C 1] . Volgens [gedaagde] heeft hij zijn medewerking gegeven aan de afgifte van het legaat, maar leverde de waardebepaling grote problemen op aan de zijde van [eiser] . Niet de vermenging van het zijn van executeur en schuldeiser was de oorzaak van het ‘ruziën’, maar de non-coöperatieve houding van [eiser] en zijn adviseur de heer [persoon D] , aldus [gedaagde] . [gedaagde] is daarom van mening dat hij terecht in zijn hoedanigheid van executeur een beroep heeft gedaan op [persoon C 1] voor de afgifte van het legaat en hetgeen in dit alles speelde.
2.15.
De rechtbank is van oordeel dat het gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] op de weg had gelegen van [eiser] om nader te onderbouwen dat de betreffende werkzaamheden zagen op de afgifte van het legaat van de woning en niet in het belang zijn van de nalatenschap. [eiser] heeft gewezen op de specificaties behorende bij de factuur, maar daaruit volgt zonder nadere toelichting onvoldoende dat de werkzaamheden die gefactureerd zijn zagen op de afgifte van het legaat van de woning aan [gedaagde] . [eiser] verwijzingen naar brieven aan [gedaagde] van zijn gemachtigden [persoon E] van 31 januari 2019 en [persoon F] van 21 november 2019 baten hem evenmin, nu die over diverse kwesties lijken te gaan en ten tijde van de tweede brief het legaat zelfs al was afgewikkeld. Nu [eiser] tijdens de zitting heeft verklaard geen aanvullend bewijs te willen leveren, moet daarom geoordeeld worden dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat 7,67 uur van de factuur van 10 juli 2020 zag op werkzaamheden die verband houden met de afgifte van het legaat van de woning aan [gedaagde] waarvan de kosten op grond van het testament voor [gedaagde] moeten komen. Dit betekent dat de uren zullen worden aangemerkt als werkzaamheden ten behoeve van de executele. Dit deel van de vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.
- factuur van [notariskantoor]
2.16.
[eiser] stelt dat de factuur van [notariskantoor] van 26 september 2019 ten bedrage van € 742,94 niet ten laste moet komen van de nalatenschap, omdat de werkzaamheden betrekking hebben op de afgifte van een legaat met betrekking tot een berging aan [gedaagde] . Volgens het testament komen de kosten van de afgifte hiervan voor rekening van [gedaagde] zelf. [gedaagde] stelt echter dat hij dit notariskantoor heeft ingeschakeld als executeur en dat de factuur niet ziet op de kosten van de afgifte van het legaat, maar op voorbereidingen die [gedaagde] als executeur heeft getroffen voor de afgifte van een legaat. Deze stellingname heeft hij naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd, in aanmerking genomen dat op de factuur is vermeld dat de tussentijdse declaratie “wordt opgenomen op de nota van afrekening terzake de levering legaat dossier 123.550” (cursivering rechtbank). Deze vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen tot het gevorderde beloop van € 742,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2019, de dag van de onrechtmatige betaling, tot aan de dag der algehele voldoening.
- factuur van [advocatenkantoor 2]
2.17.
Als laatste stelt [eiser] dat de facturen van 30 december 2019 van [advocatenkantoor 2] , een [buitenlands] advocatenkantoor, zien op werkzaamheden ter vaststelling van een vordering van die [gedaagde] stelt te hebben op de nalatenschap, omdat hij zou hebben belegd in twee woningen in [plaats 1] ( [land] ). Volgens [eiser] zijn deze twee woningen, waarvan hij de eigenaar is, geen onderdeel van de nalatenschap van erflater, zodat de facturen niet ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. [gedaagde] voert hiertegen aan hij de advocaten heeft ingeschakeld, omdat hij, evenals eerder erflater zelf, vragen had over de belastingplicht van erflater in [land] en het voor hem onduidelijk was wat de status was van de beleggingen in [land] .
2.18.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingname nader te onderbouwen. Een dergelijke onderbouwing volgt onvoldoende uit het rapport van [persoon B] , die zich vooral afvraagt of de kosten in het belang van de nalatenschap zijn gemaakt. [eiser] heeft met zijn verwijzing naar de specificaties behorende bij de factuur evenmin voldoende onderbouwd dat de werkzaamheden geen betrekking hadden op de nalatenschap van erflater. [eiser] heeft tijdens de zitting erop gewezen dat in de specificaties vaak terugkomen de woorden “searches before the real estate” en de tekst: “Analysis and preparation of legal strategy considering the position from [persoon G] and how to react legally and possibly judicially in order for him to disclose all the relevant information including [erflater] 's will and his own Will.” Hieruit volgt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat de werkzaamheden niet zagen op de nalatenschap van erflater.
Beoordeling
De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft weersproken dat de door [persoon C 1] in rekening gebrachte werkzaamheden mede zagen op de ontslagprocedure van [gedaagde] . Nu dit kosten zijn die voor rekening van de executeur zelf moeten komen, aldus ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het al genoemde arrest van 19 februari 2019, heeft [gedaagde] deze kosten ten onrechte ten laste gebracht van de nalatenschap.
2.11.
De rechtbank kan [gedaagde] hierbij niet volgen in zijn standpunt dat sprake was van een ontslag op eigen verzoek en dat de kosten daarom niet voor zijn rekening hoeven te komen. Wat daar immers van zij: [gedaagde] heeft pas op 17 september 2020, nadat de procedure op 24 februari 2020 was aangevangen en er al een mondelinge behandeling had plaatsvonden, berust in het ontslag, zodat niet geoordeeld kan worden dat sprake was van een ontslag op eigen verzoek.
2.12.
[gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende, gespecificeerd welke – pas ter zitting door hem erkend als ten laste van de nalatenschap komende – kosten zagen op de ontslagprocedure of dat dit minder werkzaamheden zijn dan die waarop deze vordering van [eiser] betrekking heeft, berekend vanaf het moment dat [gedaagde] bekend was of kon zijn met het ontslagverzoek, 24 februari 2020. De rechtbank zal daarom, in aanmerking genomen dat partijen ter zitting ermee hebben ingestemd dat de rechtbank op dit punt een knoop doorhakt, het door [eiser] in dit verband gevorderde en onder 2.9 gepreciseerde bedrag van € 4.120,05 toewijzen. De gevorderde en niet weersproken wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dagen dat [gedaagde] bedragen ten onrechte heeft onttrokken aan de nalatenschap van erflater door ze vanaf de bankrekening van erflater te voldoen, omdat [gedaagde] op dat moment in verzuim raakte (artikel 6:83, aanhef en onder b, BW). Dit betekent dat [gedaagde] over een bedrag van € 2.795,10 de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 27 juli 2020 en over een bedrag van € 1.324,95 vanaf 26 oktober 2020, in beide gevallen tot de dag der algehele voldoening.
- factuur van [advocatenkantoor 1] inzake legaat woning
2.13.
[eiser] stelt voorts dat de factuur van [advocatenkantoor 1] van 10 juli 2020 voor een deel ziet op werkzaamheden die verband houden met (de afgifte van) het legaat van de woning (door hem geschat op 7,67 uur en daarmee op 1/3e deel van de resterende 67% van € 8.400,-, zijnde € 1.891,63), zodat deze kosten op grond van het testament voor [gedaagde] komen, althans [gedaagde] deze kosten op grond van de redelijkheid niet ten laste van de nalatenschap had kunnen brengen.
2.14.
[gedaagde] stelt dat hij voor de afgifte van het legaat en hetgeen in dit alles speelde terecht in zijn functie van executeur een beroep heeft gedaan op [persoon C 1] . Volgens [gedaagde] heeft hij zijn medewerking gegeven aan de afgifte van het legaat, maar leverde de waardebepaling grote problemen op aan de zijde van [eiser] . Niet de vermenging van het zijn van executeur en schuldeiser was de oorzaak van het ‘ruziën’, maar de non-coöperatieve houding van [eiser] en zijn adviseur de heer [persoon D] , aldus [gedaagde] . [gedaagde] is daarom van mening dat hij terecht in zijn hoedanigheid van executeur een beroep heeft gedaan op [persoon C 1] voor de afgifte van het legaat en hetgeen in dit alles speelde.
2.15.
De rechtbank is van oordeel dat het gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] op de weg had gelegen van [eiser] om nader te onderbouwen dat de betreffende werkzaamheden zagen op de afgifte van het legaat van de woning en niet in het belang zijn van de nalatenschap. [eiser] heeft gewezen op de specificaties behorende bij de factuur, maar daaruit volgt zonder nadere toelichting onvoldoende dat de werkzaamheden die gefactureerd zijn zagen op de afgifte van het legaat van de woning aan [gedaagde] . [eiser] verwijzingen naar brieven aan [gedaagde] van zijn gemachtigden [persoon E] van 31 januari 2019 en [persoon F] van 21 november 2019 baten hem evenmin, nu die over diverse kwesties lijken te gaan en ten tijde van de tweede brief het legaat zelfs al was afgewikkeld. Nu [eiser] tijdens de zitting heeft verklaard geen aanvullend bewijs te willen leveren, moet daarom geoordeeld worden dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat 7,67 uur van de factuur van 10 juli 2020 zag op werkzaamheden die verband houden met de afgifte van het legaat van de woning aan [gedaagde] waarvan de kosten op grond van het testament voor [gedaagde] moeten komen. Dit betekent dat de uren zullen worden aangemerkt als werkzaamheden ten behoeve van de executele. Dit deel van de vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.
- factuur van [notariskantoor]
2.16.
[eiser] stelt dat de factuur van [notariskantoor] van 26 september 2019 ten bedrage van € 742,94 niet ten laste moet komen van de nalatenschap, omdat de werkzaamheden betrekking hebben op de afgifte van een legaat met betrekking tot een berging aan [gedaagde] . Volgens het testament komen de kosten van de afgifte hiervan voor rekening van [gedaagde] zelf. [gedaagde] stelt echter dat hij dit notariskantoor heeft ingeschakeld als executeur en dat de factuur niet ziet op de kosten van de afgifte van het legaat, maar op voorbereidingen die [gedaagde] als executeur heeft getroffen voor de afgifte van een legaat. Deze stellingname heeft hij naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd, in aanmerking genomen dat op de factuur is vermeld dat de tussentijdse declaratie “wordt opgenomen op de nota van afrekening terzake de levering legaat dossier 123.550” (cursivering rechtbank). Deze vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen tot het gevorderde beloop van € 742,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 december 2019, de dag van de onrechtmatige betaling, tot aan de dag der algehele voldoening.
- factuur van [advocatenkantoor 2]
2.17.
Als laatste stelt [eiser] dat de facturen van 30 december 2019 van [advocatenkantoor 2] , een [buitenlands] advocatenkantoor, zien op werkzaamheden ter vaststelling van een vordering van die [gedaagde] stelt te hebben op de nalatenschap, omdat hij zou hebben belegd in twee woningen in [plaats 1] ( [land] ). Volgens [eiser] zijn deze twee woningen, waarvan hij de eigenaar is, geen onderdeel van de nalatenschap van erflater, zodat de facturen niet ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. [gedaagde] voert hiertegen aan hij de advocaten heeft ingeschakeld, omdat hij, evenals eerder erflater zelf, vragen had over de belastingplicht van erflater in [land] en het voor hem onduidelijk was wat de status was van de beleggingen in [land] .
2.18.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingname nader te onderbouwen. Een dergelijke onderbouwing volgt onvoldoende uit het rapport van [persoon B] , die zich vooral afvraagt of de kosten in het belang van de nalatenschap zijn gemaakt. [eiser] heeft met zijn verwijzing naar de specificaties behorende bij de factuur evenmin voldoende onderbouwd dat de werkzaamheden geen betrekking hadden op de nalatenschap van erflater. [eiser] heeft tijdens de zitting erop gewezen dat in de specificaties vaak terugkomen de woorden “searches before the real estate” en de tekst: “Analysis and preparation of legal strategy considering the position from [persoon G] and how to react legally and possibly judicially in order for him to disclose all the relevant information including [erflater] 's will and his own Will.” Hieruit volgt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat de werkzaamheden niet zagen op de nalatenschap van erflater.
Beoordeling
Volgens [gedaagde] was het hem immers niet duidelijk of de woningen in [plaats 1] eigendom waren van erflater, zodat hij dat nu juist wilde onderzoeken. Dat lag naar het oordeel van de rechtbank als executeur ook op zijn weg, mede ten behoeve van een eventuele andere, in [land] aangewezen erfgenaam dan [eiser] . De rechtbank constateert dat de eerste uren bestede tijd ook waren gericht op het vinden van “ [erflater] ’s inheritance deed.” Geoordeeld moet daarom worden dat [eiser] , die ook op dit punt heeft afgezien van het leveren van nader bewijs, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden op de facturen van [advocatenkantoor 2] niet ten behoeve van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur zijn verricht. Dit betekent dat het door [eiser] in dit verband gevorderde bedrag van € 5.851,93 zal worden afgewezen.
woonlasten van de woning
2.19.
De volgende vordering van [eiser] ziet op de woonlasten van de woning. [eiser] stelt dat de nalatenschap schade heeft geleden doordat het legaat van de woning door [gedaagde] niet binnen de in het testament voor het afgeven van het legaat gestelde termijn van acht maanden, maar pas op 1 oktober 2019 is afgenomen. [eiser] vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 2.214,51 aan hem te betalen. De rechtbank is van oordeel dat, nog daargelaten of uit het testament, waarin wordt gesproken over het afgeven van het legaat, ook volgt dat het legaat binnen acht maanden moest worden afgenomen, het partijen uiteraard vrij stond om tot een latere uitvoering van het legaat te komen. Nu niet is gebleken dat [gedaagde] in gebreke is gesteld om mee te werken aan de afgifte van het legaat, ziet de rechtbank geen rechtsgrond voor de gevorderde vergoeding van de woonlasten. Omdat [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord – genomen bijna zes maanden voor de mondelinge behandeling – al het standpunt heeft ingenomen dat een ingebrekestelling ontbrak, is [eiser] voldoende in de gelegenheid geweest dit voorafgaand aan de zitting uit te zoeken, zodat geen grond bestaat hem hiervoor nog een verzochte nadere termijn te geven en deze vordering van [eiser] zal worden afgewezen.
afgifte persoonlijke eigendommen erflater
2.20.
Volgens [eiser] komen aan hem als enig erfgenaam alle eigendommen van erflater toe die niet bij testament zijn toegewezen aan de legatarissen. Hij vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan hem af te geven de laptop, mobiele telefoon, permanent resident card en paspoort van erflater behorende tot de nalatenschap van erflater, op verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een vervangende schadevergoeding aan hem te betalen van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.21.
Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij niet weet of hij de mobiele telefoon, de permanent resident card en het paspoort van erflater heeft en dat hij dit na moet zoeken. Nu uit de stellingen van [eiser] niet zonder meer volgt dat [gedaagde] over de genoemde zaken beschikt, verzoekt de rechtbank [gedaagde] op korte termijn na te gaan over welke van deze zaken hij beschikt. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat [gedaagde] de gevonden spullen, al of niet door tussenkomst van zijn of [eiser] advocaat, aan [eiser] zal afgeven. De rechtbank verzoekt [gedaagde] zich hierover uit te laten bij de door hem te nemen akte.
2.22.
Wat betreft de laptop, waarvan afgifte wordt gevorderd, heeft [gedaagde] verklaard dat hij, nadat erflater alle door hem ingescande familiefoto’s daarop had opgeslagen, deze ten geschenke heeft gekregen met de woorden: “hier zit het in, dat is voor jou, goed bewaren”. Erflater heeft volgens [gedaagde] daarom ook het wachtwoord van de computer aan hem gegeven. [gedaagde] heeft hierbij nog verklaard dat hij de laptop inmiddels geheel heeft schoongeveegd. [eiser] betwist dat [gedaagde] de laptop geschonken heeft gekregen. Hoewel bewijslevering, naar valt aan te zien door getuigenbewijs, voor een tweedehands laptop nauwelijks opportuun lijkt, zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om desgewenst op dit punt bewijs te leveren. Hij zal er ook voor kunnen kiezen de laptop, al of niet door tussenkomst van zijn of [eiser] advocaat, aan [eiser] af te geven. [gedaagde] wordt ook hierover verzocht zich uit te laten bij de door hem te nemen akte.
vervolg van de procedure
2.23.
In afwachting van de bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden, teneinde over alle onderdelen in één vonnis te beslissen.
in reconventie
2.24.
Na twee eisverminderingen door [gedaagde] hoeft in reconventie alleen nog te worden beslist op de reconventionele vordering van [gedaagde] om [eiser] te veroordelen een bedrag van € 51.436,12 aan hem te betalen, hetgeen hij nog te vorderen heeft uit de nalatenschap van erflater, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 november 2022. [eiser] erkent dat hij dit bedrag aan [gedaagde] verschuldigd is, maar doet een beroep op verrekening. Hij heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij doelt op de verrekening die [persoon B] in zijn rapport heeft gemaakt, waarbij [persoon B] het bedrag dat [gedaagde] volgens hem verschuldigd is aan de nalatenschap van erflater heeft verrekend met het bedrag dat [gedaagde] nog tegoed heeft. De rechtbank is van oordeel dat het door [gedaagde] gevorderde bedrag toewijsbaar is, omdat niet is gebleken dat het bedrag feitelijk al is verrekend. Afhankelijk van de uitkomst van het geschil in conventie zal in het eindvonnis worden bezien of dit bedrag (alsnog) vatbaar is voor verrekening, zoals door [eiser] bepleit.
2.25.
In afwachting van de bewijslevering in conventie, zal iedere beslissing in reconventie worden aangehouden.
Beoordeling
Volgens [gedaagde] was het hem immers niet duidelijk of de woningen in [plaats 1] eigendom waren van erflater, zodat hij dat nu juist wilde onderzoeken. Dat lag naar het oordeel van de rechtbank als executeur ook op zijn weg, mede ten behoeve van een eventuele andere, in [land] aangewezen erfgenaam dan [eiser] . De rechtbank constateert dat de eerste uren bestede tijd ook waren gericht op het vinden van “ [erflater] ’s inheritance deed.” Geoordeeld moet daarom worden dat [eiser] , die ook op dit punt heeft afgezien van het leveren van nader bewijs, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden op de facturen van [advocatenkantoor 2] niet ten behoeve van [gedaagde] in zijn hoedanigheid van executeur zijn verricht. Dit betekent dat het door [eiser] in dit verband gevorderde bedrag van € 5.851,93 zal worden afgewezen.
woonlasten van de woning
2.19.
De volgende vordering van [eiser] ziet op de woonlasten van de woning. [eiser] stelt dat de nalatenschap schade heeft geleden doordat het legaat van de woning door [gedaagde] niet binnen de in het testament voor het afgeven van het legaat gestelde termijn van acht maanden, maar pas op 1 oktober 2019 is afgenomen. [eiser] vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 2.214,51 aan hem te betalen. De rechtbank is van oordeel dat, nog daargelaten of uit het testament, waarin wordt gesproken over het afgeven van het legaat, ook volgt dat het legaat binnen acht maanden moest worden afgenomen, het partijen uiteraard vrij stond om tot een latere uitvoering van het legaat te komen. Nu niet is gebleken dat [gedaagde] in gebreke is gesteld om mee te werken aan de afgifte van het legaat, ziet de rechtbank geen rechtsgrond voor de gevorderde vergoeding van de woonlasten. Omdat [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord – genomen bijna zes maanden voor de mondelinge behandeling – al het standpunt heeft ingenomen dat een ingebrekestelling ontbrak, is [eiser] voldoende in de gelegenheid geweest dit voorafgaand aan de zitting uit te zoeken, zodat geen grond bestaat hem hiervoor nog een verzochte nadere termijn te geven en deze vordering van [eiser] zal worden afgewezen.
afgifte persoonlijke eigendommen erflater
2.20.
Volgens [eiser] komen aan hem als enig erfgenaam alle eigendommen van erflater toe die niet bij testament zijn toegewezen aan de legatarissen. Hij vordert daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan hem af te geven de laptop, mobiele telefoon, permanent resident card en paspoort van erflater behorende tot de nalatenschap van erflater, op verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een vervangende schadevergoeding aan hem te betalen van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.21.
Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij niet weet of hij de mobiele telefoon, de permanent resident card en het paspoort van erflater heeft en dat hij dit na moet zoeken. Nu uit de stellingen van [eiser] niet zonder meer volgt dat [gedaagde] over de genoemde zaken beschikt, verzoekt de rechtbank [gedaagde] op korte termijn na te gaan over welke van deze zaken hij beschikt. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat [gedaagde] de gevonden spullen, al of niet door tussenkomst van zijn of [eiser] advocaat, aan [eiser] zal afgeven. De rechtbank verzoekt [gedaagde] zich hierover uit te laten bij de door hem te nemen akte.
2.22.
Wat betreft de laptop, waarvan afgifte wordt gevorderd, heeft [gedaagde] verklaard dat hij, nadat erflater alle door hem ingescande familiefoto’s daarop had opgeslagen, deze ten geschenke heeft gekregen met de woorden: “hier zit het in, dat is voor jou, goed bewaren”. Erflater heeft volgens [gedaagde] daarom ook het wachtwoord van de computer aan hem gegeven. [gedaagde] heeft hierbij nog verklaard dat hij de laptop inmiddels geheel heeft schoongeveegd. [eiser] betwist dat [gedaagde] de laptop geschonken heeft gekregen. Hoewel bewijslevering, naar valt aan te zien door getuigenbewijs, voor een tweedehands laptop nauwelijks opportuun lijkt, zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om desgewenst op dit punt bewijs te leveren. Hij zal er ook voor kunnen kiezen de laptop, al of niet door tussenkomst van zijn of [eiser] advocaat, aan [eiser] af te geven. [gedaagde] wordt ook hierover verzocht zich uit te laten bij de door hem te nemen akte.
vervolg van de procedure
2.23.
In afwachting van de bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden, teneinde over alle onderdelen in één vonnis te beslissen.
in reconventie
2.24.
Na twee eisverminderingen door [gedaagde] hoeft in reconventie alleen nog te worden beslist op de reconventionele vordering van [gedaagde] om [eiser] te veroordelen een bedrag van € 51.436,12 aan hem te betalen, hetgeen hij nog te vorderen heeft uit de nalatenschap van erflater, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 november 2022. [eiser] erkent dat hij dit bedrag aan [gedaagde] verschuldigd is, maar doet een beroep op verrekening. Hij heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij doelt op de verrekening die [persoon B] in zijn rapport heeft gemaakt, waarbij [persoon B] het bedrag dat [gedaagde] volgens hem verschuldigd is aan de nalatenschap van erflater heeft verrekend met het bedrag dat [gedaagde] nog tegoed heeft. De rechtbank is van oordeel dat het door [gedaagde] gevorderde bedrag toewijsbaar is, omdat niet is gebleken dat het bedrag feitelijk al is verrekend. Afhankelijk van de uitkomst van het geschil in conventie zal in het eindvonnis worden bezien of dit bedrag (alsnog) vatbaar is voor verrekening, zoals door [eiser] bepleit.
2.25.
In afwachting van de bewijslevering in conventie, zal iedere beslissing in reconventie worden aangehouden.