Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-04
ECLI:NL:RBROT:2024:14097
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
23,198 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/667441 / HA ZA 23-900
Vonnis van 4 december 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. [eiser 2],
wonende te [plaats 1] ,
3. [eiser 3],
wonende te [plaats 1] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. L.P. Quist te Dordrecht,
tegen
[gedaagde]
, pro se en in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de heer [erflater] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. I.K. Decupere te Elsloo.
Omdat de achternamen van eisers niet onderscheidend zijn, worden zij hierna afzonderlijk aangeduid als respectievelijk ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [eiser 3] ’. Gezamenlijk worden zij ‘ [eisers c.s.] ’ genoemd. Gedaagde wordt hierna ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 oktober 2023, met producties;
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
de akte houdende overlegging producties tevens akte houdende onderbouwing grondslagen tevens conclusie van antwoord in reconventie van [eisers c.s.] , met producties;
de brief van [eisers c.s.] van 18 maart 2024, met producties;
de conclusie na comparitie tevens vermeerdering van eis van [eisers c.s.] , met producties;
de conclusie na comparitie van [gedaagde] , met producties;
de antwoordconclusie van [eisers c.s.] ;
de antwoordconclusie na comparitie tevens reactie op vermeerdering van eis van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024. [eisers c.s.] waren daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. L.P. Quist. [gedaagde] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. I.K. Decupere. Daarnaast waren als toehoorders aanwezig: [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en een kantoorgenoot van mr. I.K. Decupere.
Beoordeling
Achtergrond van het geschil
2.1.
Op [datum] 2022 is in [plaats 3] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater), die zelf een einde aan zijn leven heeft gemaakt. [eisers c.s.] zijn de kinderen van erflater uit een eerder huwelijk. Erflater had sinds 2006 een affectieve relatie met [gedaagde] en woonde vanaf 20 maart 2013 met haar samen. Op 4 oktober 2016 hebben erflater en [gedaagde] een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
Bij testament van eveneens 4 oktober 2016 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarin [eisers c.s.] en [gedaagde] , ieder voor 1/4e gedeelte, tot zijn erfgenamen benoemd. Zij hebben allen de nalatenschap beneficiair aanvaard. [gedaagde] is daarnaast tot executeur benoemd. Zij heeft deze benoeming aanvaard. [notaris] (hierna: de notaris) heeft op 15 mei 2023 een verklaring van erfrecht afgegeven waarin, voor zover hier van belang, staat dat de taak van [gedaagde] als executeur is beëindigd zolang zij geen zogeheten ruimschootsverklaring kan afgeven en dat partijen gezamenlijk als vereffenaars bevoegd zijn te beschikken over de goederen die behoren tot de nalatenschap van erflater.
De vorderingen
2.3.
[eisers c.s.] stellen zich op het standpunt [gedaagde] geen erfgenaam is van erflater, omdat [gedaagde] op 14 oktober 2022, een week voor het overlijden van erflater, de relatie met erflater heeft beëindigd. Hierdoor is volgens [eisers c.s.] sprake van de in het testament onder ‘D. Verval beschikkingen’ bedoelde situatie dat de samenwoning van erflater en [gedaagde] is beëindigd, zodat de beschikkingen die erflater ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt in het testament zijn komen te vervallen.
2.4.
[eisers c.s.] vorderen tegen deze achtergrond dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] geen erfgenaam is van erflater en dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] niet als executeur kan optreden in de nalatenschap van erflater. Daarnaast vorderen [eisers c.s.] , samengevat:
dat [gedaagde] (pro se, althans q.q.) veroordeeld wordt om aan hen te voldoen respectievelijk te verstrekken:
een bedrag van € 11.300,- met wettelijke rente, althans dat [gedaagde] de inboedelgoederen (genoemd onder randnummer 73 van de dagvaarding) retourneert aan [eisers c.s.] , op verbeurte van een dwangsom;
een bedrag van € 13.500,- met wettelijke rente;
de inlogcodes van de gezamenlijke cryptovalutarekening van erflater en [gedaagde] , op verbeurte van een dwangsom;
dat [gedaagde] veroordeeld wordt om rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beleid als executeur, op verbeurte van een dwangsom;
dat [gedaagde] veroordeeld wordt om de door de notaris op 25 oktober 2022 verstrekte verklaring van executele en de op 15 mei 2023 verstrekte verklaring van erfrecht te retourneren met bewijs van ontvangst door de notaris en dit ontvangstbewijs aan [eisers c.s.] (q.q. althans pro se) te verstrekken, op verbeurte van een dwangsom;
dat [gedaagde] veroordeeld wordt in de proceskosten;
dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
2.5.
[gedaagde] betwist dat de relatie was beëindigd en stelt zich op het standpunt dat zij erfgenaam en executeur is. [gedaagde] vordert daarom in reconventie dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat zij erfgenaam is van erflater en dat zij executeur is in de nalatenschap van erflater en de executele (nog) niet is geëindigd, met veroordeling van [eisers c.s.] in de proceskosten.
Eisvermeerdering
2.6.
[eisers c.s.] hebben onder nummer 121 van hun conclusie na comparitie de eis vermeerderd en een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] niet meer optreedt als bewindvoerder ex artikel C van het testament, nu zij daartoe werd benoemd in haar hoedanigheid van partner van erflater.
[gedaagde] heeft tegen deze eisvermeerdering bezwaar gemaakt, omdat deze niet in de juiste vorm en tardief is gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat ook als de eisvermeerdering niet in de juiste vorm is gedaan, uit de conclusie na comparitie voldoende volgt wat de eisvermeerdering inhoudt en wat hieraan ten grondslag wordt gelegd, zodat dat geen reden is om deze niet toe te staan. De eisvermeerdering is evenmin te laat gedaan, omdat op dat moment nog geen eindvonnis was gewezen (artikel 130 lid 1 Rv) en [gedaagde] voldoende in de gelegenheid is geweest om erop te reageren, wat zij ook heeft gedaan, stellend dat dezelfde verweren gelden als tegen de andere twee gevorderde verklaringen voor recht. De eisvermeerdering wordt daarom toegestaan.
Antwoordconclusie van [eisers c.s.]
2.7.
[eisers c.s.] zijn in hun antwoordconclusie na comparitie er ten onrechte van uitgegaan dat zij alleen op de producties die [gedaagde] had overgelegd bij haar conclusie na comparitie mochten reageren. Er is daarom geen aanleiding om de inhoudelijke antwoordconclusie na comparitie van [gedaagde] buiten toepassing te laten, zoals door [eisers c.s.] verzocht. Gelet op wat hierna wordt overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om [eisers c.s.] alsnog in de gelegenheid te stellen inhoudelijk op de volledige conclusie na comparitie van [gedaagde] te reageren. Slechts voor zover een reactie uit oogpunt van hoor en wederhoor nog wel noodzakelijk is, zullen [eisers c.s.] daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.
Gezamenlijke behandeling in conventie en reconventie
2.8.
Omdat de in conventie en in reconventie gevorderde verklaringen voor recht alle zien op dezelfde rechtsvraag, namelijk of de door erflater in zijn testament gemaakte beschikkingen ten behoeve van [gedaagde] zijn komen te vervallen, zullen deze vorderingen hierna als eerste en gezamenlijk worden behandeld.
Het testament
2.9.
In het testament van erflater is, voor zover hierna van belang, het volgende opgenomen:
“I. ALGEMENE BEPALINGEN
(…)
C. Begripsbepaling
In dit testament wordt onder mijn partner verstaan: mevrouw [gedaagde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd tweeëntachtig, met wie ik sinds twintig maart tweeduizend dertien samenwoon en een gemeenschappelijke huishouding voer.
II. LEGATEN EN ERFSTELLINGEN
A. Legaten
Legaat inboedel
a. Ik legateer aan mijn partner, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden, al mijn
inboedelgoederen;
(…)
B. Erfstelling
Indien ik voor mijn hiervoor genoemde partner overlijd, benoem ik mijn partner, met wie ik op heden een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst ben aangegaan, tezamen met mijn kinderen tot mijn erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen.
(…)
D. Verval beschikkingen
De beschikkingen gemaakt ten behoeve van mijn partner vervallen indien mijn partner en
ik ten tijde van mijn overlijden anders dan buiten onze gezamenlijke wil niet meer met elkaar samenwonen.
Als bewijs voor de samenwoning zal gelden een verklaring van de desbetreffende gemeente inhoudende dat mijn partner en ik ten tijde van mijn overlijden op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
E. Huwelijk/geregistreerd partnerschap
1.
Conclusie
2.21.
De rechtbank wil hierbij nog het volgende aantekenen. De ultieme aanleiding – of het ultieme complex aan aanleidingen – voor erflater om zich het leven te benemen, kan door niemand met volstrekte zekerheid gekend worden. Voor zover [gedaagde] naast de zakelijke zorgen die erflater de laatste jaren hebben getekend en hebben doen veranderen, ook een verband vermoedt met de, zoals hiervoor overwogen, aan te nemen verbreking door haar van haar relatie met erflater, is het invoelbaar als zij dat – hoezeer erflater ook aanleiding kan hebben gegeven voor het verbreken van de relatie en hoezeer [eisers c.s.] ook hebben verklaard voor dat verbreken als zodanig begrip te hebben – als een zware last ervaart. Daarmee moeten omgaan kan haar – misschien – ook aanleiding hebben gegeven om de gebeurtenissen en de eigen rol daarin in retrospect anders te beleven, of te willen beleven, of om minstens andere accenten te willen leggen.
Tegelijkertijd is evenzeer invoelbaar dat juist die door [gedaagde] naar voren gebrachte andere beleving of accenten voor [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] de toch al zo verdrietige situatie nog zoveel pijnlijker en verdrietiger maken. Zij hebben immers te kennen gegeven nu niet alleen hun vader kwijt te zijn, maar ook [gedaagde] kwijt te raken, die als een moeder en vriendin voor hen was, met wie zij altijd een goede band hebben gehad en met wie zij die band, eigenlijk, zo graag nog zouden willen hebben. Wanneer zij een verband vermoeden tussen het laatste handelen van hun vader en de verbreking van de relatie met hem door [gedaagde] , komt die andere beleving door [gedaagde] echter neer op een ontkenning van de grond van hun vaders laatste handelen, dat daardoor tot een ultieme en fatale vergissing zou worden gereduceerd.
Het wil de rechtbank voorkomen dat slechts vanuit begrip, over en weer, voor de aldus voor alle betrokkenen zo moeilijke acceptatie of ten minste verwerking van het laatste handelen van erflater, partijen elkaar weer zouden moeten kunnen vinden, al of niet met professionele, bijvoorbeeld rouwtherapeutische bijstand. Ook [gedaagde] heeft immers ter zitting verklaard het erg te vinden naast erflater een heel gezin kwijt te zijn geraakt en dat het na zestien jaar onnatuurlijk voelt om hen los te laten. Een (eind)vonnis laat voor wie het wil ruimte voor een herhaling van de juridische discussie in hoger beroep, of voor een aanhoudende strijd over de laatste paar duizend euro. De rechtbank geeft partijen, juist vanwege hun vroegere intensieve en, naar het voorkomt, waardevolle band, in overweging in plaats daarvan te kiezen voor een gezamenlijke verwerking van het gedeelde verdriet om het verscheiden van erflater. Iedereen kan daartoe de eerste stap zetten.
Uitleg testament
2.22.
Juridisch bezien staat als volgende stap ter beoordeling of door de beëindiging van de relatie voor het overlijden van erflater sprake is van de in het testament onder D opgenomen situatie dat erflater en [gedaagde] ‘niet meer met elkaar samenwonen’, zoals [eisers c.s.] betogen en [gedaagde] betwist.
Volgens [eisers c.s.] leidt uitleg van het testament ertoe dat [gedaagde] aan het testament geen aanspraken kan ontlenen en dat de uiterste wilsbeschikkingen die ten behoeve van [gedaagde] zijn gemaakt, zijn komen te vervallen.
[gedaagde] stelt echter dat aan uitleg van het testament niet hoeft te worden toegekomen, omdat de bewoordingen in het testament duidelijk zijn en niet in geschil is dat de feitelijke samenwoning tussen haar en erflater nog niet was verbroken en dat [gedaagde] nog op hetzelfde adres als erflater stond ingeschreven.
2.23.
De rechtbank volgt [gedaagde] hier niet in. Hoewel de betreffende testamentaire bepaling in taalkundige zin op het eerste gezicht duidelijk lijkt, moet bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van de uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wil regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 BW, zoals ook vooropgesteld in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:153, waaraan tevens het volgende is ontleend).
Volgens de Hoge Raad kunnen bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling hiervan kan mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.
Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan volgens de Hoge Raad de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.
2.24.
Uit de toelichtingen van partijen leidt de rechtbank af dat de omstandigheden waaronder het testament is opgemaakt de volgende zijn. Erflater had drie kinderen, [eisers c.s.] , uit een eerder huwelijk en hij had al meer dan zestien jaar een affectieve relatie met [gedaagde] en woonde met haar samen. De vermogenspositie van erflater was beter dan die van [gedaagde] en [gedaagde] werkte in het bedrijf van erflater. Volgens [gedaagde] hing het opstellen van het testament samen met de herindeling van de bedrijven van erflater en heeft zij daarom zelf geen testament op laten maken, wat [eisers c.s.] niet betwist hebben. Erflater en [gedaagde] hebben op de dag waarop het testament is opgemaakt ook een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten, volgens [gedaagde] om hun samenzijn formeel vast te leggen.
2.25.
De verhoudingen die erflater met zijn uiterste wil kennelijk wilde regelen waren volgens [eisers c.s.] dat de drie kinderen van erflater en [gedaagde] , als zijn (levens)partner, zijn erfgenamen waren. Het testament voorziet niet expliciet in de situatie – regelt niet de verhouding – dat de relatie over was, maar [gedaagde] feitelijk nog in dezelfde woning als erflater woonde.
[gedaagde] betoogt echter dat erflater ook gewild zou hebben dat zij zou erven als zij nog wel samenwoonden, maar de relatie was verbroken, omdat hij voor die situatie niets anders geregeld heeft.
2.26.
Voor dit standpunt van [gedaagde] ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. Erflater en [gedaagde] hadden ten tijde van het opmaken van het testament al meer dan zestien jaar een affectieve relatie, woonden sinds 2013 samen en hebben gelijktijdig met het testament een samenlevingsovereenkomst opgesteld. Erflater duidt [gedaagde] in zijn testament meerdere keren, ook onder D, aan als “mijn partner” en uit hetgeen onder D is opgenomen, volgt dat de beschikkingen vervallen als het samenwonen buiten hun gezamenlijke wil is beëindigd. Bij gebreke van enige aanwijzing voor iets anders, moet het ervoor gehouden worden dat het samenwonen zijn oorsprong vond in de affectieve relatie.
Dictum
De rechtbank
3.1.
stelt [eisers c.s.] in de gelegenheid om bij akte te reageren op de nrs. 21 en 22 uit de conclusie na comparitie van [gedaagde] met betrekking tot de inboedelgoederen zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.33 en verwijst de zaak daartoe naar de rol van woensdag 15 januari 2025;
3.2.
houdt in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
3120
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/667441 / HA ZA 23-900
Vonnis van 4 december 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. [eiser 2],
wonende te [plaats 1] ,
3. [eiser 3],
wonende te [plaats 1] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. L.P. Quist te Dordrecht,
tegen
[gedaagde]
, pro se en in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de heer [erflater] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. I.K. Decupere te Elsloo.
Omdat de achternamen van eisers niet onderscheidend zijn, worden zij hierna afzonderlijk aangeduid als respectievelijk ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [eiser 3] ’. Gezamenlijk worden zij ‘ [eisers c.s.] ’ genoemd. Gedaagde wordt hierna ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 oktober 2023, met producties;
de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
de akte houdende overlegging producties tevens akte houdende onderbouwing grondslagen tevens conclusie van antwoord in reconventie van [eisers c.s.] , met producties;
de brief van [eisers c.s.] van 18 maart 2024, met producties;
de conclusie na comparitie tevens vermeerdering van eis van [eisers c.s.] , met producties;
de conclusie na comparitie van [gedaagde] , met producties;
de antwoordconclusie van [eisers c.s.] ;
de antwoordconclusie na comparitie tevens reactie op vermeerdering van eis van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024. [eisers c.s.] waren daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. L.P. Quist. [gedaagde] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. I.K. Decupere. Daarnaast waren als toehoorders aanwezig: [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en een kantoorgenoot van mr. I.K. Decupere.
Beoordeling
Achtergrond van het geschil
2.1.
Op [datum] 2022 is in [plaats 3] overleden de heer [erflater] (hierna: erflater), die zelf een einde aan zijn leven heeft gemaakt. [eisers c.s.] zijn de kinderen van erflater uit een eerder huwelijk. Erflater had sinds 2006 een affectieve relatie met [gedaagde] en woonde vanaf 20 maart 2013 met haar samen. Op 4 oktober 2016 hebben erflater en [gedaagde] een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
Bij testament van eveneens 4 oktober 2016 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarin [eisers c.s.] en [gedaagde] , ieder voor 1/4e gedeelte, tot zijn erfgenamen benoemd. Zij hebben allen de nalatenschap beneficiair aanvaard. [gedaagde] is daarnaast tot executeur benoemd. Zij heeft deze benoeming aanvaard. [notaris] (hierna: de notaris) heeft op 15 mei 2023 een verklaring van erfrecht afgegeven waarin, voor zover hier van belang, staat dat de taak van [gedaagde] als executeur is beëindigd zolang zij geen zogeheten ruimschootsverklaring kan afgeven en dat partijen gezamenlijk als vereffenaars bevoegd zijn te beschikken over de goederen die behoren tot de nalatenschap van erflater.
De vorderingen
2.3.
[eisers c.s.] stellen zich op het standpunt [gedaagde] geen erfgenaam is van erflater, omdat [gedaagde] op 14 oktober 2022, een week voor het overlijden van erflater, de relatie met erflater heeft beëindigd. Hierdoor is volgens [eisers c.s.] sprake van de in het testament onder ‘D. Verval beschikkingen’ bedoelde situatie dat de samenwoning van erflater en [gedaagde] is beëindigd, zodat de beschikkingen die erflater ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt in het testament zijn komen te vervallen.
2.4.
[eisers c.s.] vorderen tegen deze achtergrond dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] geen erfgenaam is van erflater en dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] niet als executeur kan optreden in de nalatenschap van erflater. Daarnaast vorderen [eisers c.s.] , samengevat:
dat [gedaagde] (pro se, althans q.q.) veroordeeld wordt om aan hen te voldoen respectievelijk te verstrekken:
een bedrag van € 11.300,- met wettelijke rente, althans dat [gedaagde] de inboedelgoederen (genoemd onder randnummer 73 van de dagvaarding) retourneert aan [eisers c.s.] , op verbeurte van een dwangsom;
een bedrag van € 13.500,- met wettelijke rente;
de inlogcodes van de gezamenlijke cryptovalutarekening van erflater en [gedaagde] , op verbeurte van een dwangsom;
dat [gedaagde] veroordeeld wordt om rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beleid als executeur, op verbeurte van een dwangsom;
dat [gedaagde] veroordeeld wordt om de door de notaris op 25 oktober 2022 verstrekte verklaring van executele en de op 15 mei 2023 verstrekte verklaring van erfrecht te retourneren met bewijs van ontvangst door de notaris en dit ontvangstbewijs aan [eisers c.s.] (q.q. althans pro se) te verstrekken, op verbeurte van een dwangsom;
dat [gedaagde] veroordeeld wordt in de proceskosten;
dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
2.5.
[gedaagde] betwist dat de relatie was beëindigd en stelt zich op het standpunt dat zij erfgenaam en executeur is. [gedaagde] vordert daarom in reconventie dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat zij erfgenaam is van erflater en dat zij executeur is in de nalatenschap van erflater en de executele (nog) niet is geëindigd, met veroordeling van [eisers c.s.] in de proceskosten.
Eisvermeerdering
2.6.
[eisers c.s.] hebben onder nummer 121 van hun conclusie na comparitie de eis vermeerderd en een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] niet meer optreedt als bewindvoerder ex artikel C van het testament, nu zij daartoe werd benoemd in haar hoedanigheid van partner van erflater.
[gedaagde] heeft tegen deze eisvermeerdering bezwaar gemaakt, omdat deze niet in de juiste vorm en tardief is gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat ook als de eisvermeerdering niet in de juiste vorm is gedaan, uit de conclusie na comparitie voldoende volgt wat de eisvermeerdering inhoudt en wat hieraan ten grondslag wordt gelegd, zodat dat geen reden is om deze niet toe te staan. De eisvermeerdering is evenmin te laat gedaan, omdat op dat moment nog geen eindvonnis was gewezen (artikel 130 lid 1 Rv) en [gedaagde] voldoende in de gelegenheid is geweest om erop te reageren, wat zij ook heeft gedaan, stellend dat dezelfde verweren gelden als tegen de andere twee gevorderde verklaringen voor recht. De eisvermeerdering wordt daarom toegestaan.
Antwoordconclusie van [eisers c.s.]
2.7.
[eisers c.s.] zijn in hun antwoordconclusie na comparitie er ten onrechte van uitgegaan dat zij alleen op de producties die [gedaagde] had overgelegd bij haar conclusie na comparitie mochten reageren. Er is daarom geen aanleiding om de inhoudelijke antwoordconclusie na comparitie van [gedaagde] buiten toepassing te laten, zoals door [eisers c.s.] verzocht. Gelet op wat hierna wordt overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om [eisers c.s.] alsnog in de gelegenheid te stellen inhoudelijk op de volledige conclusie na comparitie van [gedaagde] te reageren. Slechts voor zover een reactie uit oogpunt van hoor en wederhoor nog wel noodzakelijk is, zullen [eisers c.s.] daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.
Gezamenlijke behandeling in conventie en reconventie
2.8.
Omdat de in conventie en in reconventie gevorderde verklaringen voor recht alle zien op dezelfde rechtsvraag, namelijk of de door erflater in zijn testament gemaakte beschikkingen ten behoeve van [gedaagde] zijn komen te vervallen, zullen deze vorderingen hierna als eerste en gezamenlijk worden behandeld.
Het testament
2.9.
In het testament van erflater is, voor zover hierna van belang, het volgende opgenomen:
“I. ALGEMENE BEPALINGEN
(…)
C. Begripsbepaling
In dit testament wordt onder mijn partner verstaan: mevrouw [gedaagde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd tweeëntachtig, met wie ik sinds twintig maart tweeduizend dertien samenwoon en een gemeenschappelijke huishouding voer.
II. LEGATEN EN ERFSTELLINGEN
A. Legaten
Legaat inboedel
a. Ik legateer aan mijn partner, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden, al mijn
inboedelgoederen;
(…)
B. Erfstelling
Indien ik voor mijn hiervoor genoemde partner overlijd, benoem ik mijn partner, met wie ik op heden een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst ben aangegaan, tezamen met mijn kinderen tot mijn erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen.
(…)
D. Verval beschikkingen
De beschikkingen gemaakt ten behoeve van mijn partner vervallen indien mijn partner en
ik ten tijde van mijn overlijden anders dan buiten onze gezamenlijke wil niet meer met elkaar samenwonen.
Als bewijs voor de samenwoning zal gelden een verklaring van de desbetreffende gemeente inhoudende dat mijn partner en ik ten tijde van mijn overlijden op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
E. Huwelijk/geregistreerd partnerschap
1.
Conclusie
2.21.
De rechtbank wil hierbij nog het volgende aantekenen. De ultieme aanleiding – of het ultieme complex aan aanleidingen – voor erflater om zich het leven te benemen, kan door niemand met volstrekte zekerheid gekend worden. Voor zover [gedaagde] naast de zakelijke zorgen die erflater de laatste jaren hebben getekend en hebben doen veranderen, ook een verband vermoedt met de, zoals hiervoor overwogen, aan te nemen verbreking door haar van haar relatie met erflater, is het invoelbaar als zij dat – hoezeer erflater ook aanleiding kan hebben gegeven voor het verbreken van de relatie en hoezeer [eisers c.s.] ook hebben verklaard voor dat verbreken als zodanig begrip te hebben – als een zware last ervaart. Daarmee moeten omgaan kan haar – misschien – ook aanleiding hebben gegeven om de gebeurtenissen en de eigen rol daarin in retrospect anders te beleven, of te willen beleven, of om minstens andere accenten te willen leggen.
Tegelijkertijd is evenzeer invoelbaar dat juist die door [gedaagde] naar voren gebrachte andere beleving of accenten voor [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] de toch al zo verdrietige situatie nog zoveel pijnlijker en verdrietiger maken. Zij hebben immers te kennen gegeven nu niet alleen hun vader kwijt te zijn, maar ook [gedaagde] kwijt te raken, die als een moeder en vriendin voor hen was, met wie zij altijd een goede band hebben gehad en met wie zij die band, eigenlijk, zo graag nog zouden willen hebben. Wanneer zij een verband vermoeden tussen het laatste handelen van hun vader en de verbreking van de relatie met hem door [gedaagde] , komt die andere beleving door [gedaagde] echter neer op een ontkenning van de grond van hun vaders laatste handelen, dat daardoor tot een ultieme en fatale vergissing zou worden gereduceerd.
Het wil de rechtbank voorkomen dat slechts vanuit begrip, over en weer, voor de aldus voor alle betrokkenen zo moeilijke acceptatie of ten minste verwerking van het laatste handelen van erflater, partijen elkaar weer zouden moeten kunnen vinden, al of niet met professionele, bijvoorbeeld rouwtherapeutische bijstand. Ook [gedaagde] heeft immers ter zitting verklaard het erg te vinden naast erflater een heel gezin kwijt te zijn geraakt en dat het na zestien jaar onnatuurlijk voelt om hen los te laten. Een (eind)vonnis laat voor wie het wil ruimte voor een herhaling van de juridische discussie in hoger beroep, of voor een aanhoudende strijd over de laatste paar duizend euro. De rechtbank geeft partijen, juist vanwege hun vroegere intensieve en, naar het voorkomt, waardevolle band, in overweging in plaats daarvan te kiezen voor een gezamenlijke verwerking van het gedeelde verdriet om het verscheiden van erflater. Iedereen kan daartoe de eerste stap zetten.
Uitleg testament
2.22.
Juridisch bezien staat als volgende stap ter beoordeling of door de beëindiging van de relatie voor het overlijden van erflater sprake is van de in het testament onder D opgenomen situatie dat erflater en [gedaagde] ‘niet meer met elkaar samenwonen’, zoals [eisers c.s.] betogen en [gedaagde] betwist.
Volgens [eisers c.s.] leidt uitleg van het testament ertoe dat [gedaagde] aan het testament geen aanspraken kan ontlenen en dat de uiterste wilsbeschikkingen die ten behoeve van [gedaagde] zijn gemaakt, zijn komen te vervallen.
[gedaagde] stelt echter dat aan uitleg van het testament niet hoeft te worden toegekomen, omdat de bewoordingen in het testament duidelijk zijn en niet in geschil is dat de feitelijke samenwoning tussen haar en erflater nog niet was verbroken en dat [gedaagde] nog op hetzelfde adres als erflater stond ingeschreven.
2.23.
De rechtbank volgt [gedaagde] hier niet in. Hoewel de betreffende testamentaire bepaling in taalkundige zin op het eerste gezicht duidelijk lijkt, moet bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van de uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wil regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 BW, zoals ook vooropgesteld in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:153, waaraan tevens het volgende is ontleend).
Volgens de Hoge Raad kunnen bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. Voor de vaststelling hiervan kan mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.
Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan volgens de Hoge Raad de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.
2.24.
Uit de toelichtingen van partijen leidt de rechtbank af dat de omstandigheden waaronder het testament is opgemaakt de volgende zijn. Erflater had drie kinderen, [eisers c.s.] , uit een eerder huwelijk en hij had al meer dan zestien jaar een affectieve relatie met [gedaagde] en woonde met haar samen. De vermogenspositie van erflater was beter dan die van [gedaagde] en [gedaagde] werkte in het bedrijf van erflater. Volgens [gedaagde] hing het opstellen van het testament samen met de herindeling van de bedrijven van erflater en heeft zij daarom zelf geen testament op laten maken, wat [eisers c.s.] niet betwist hebben. Erflater en [gedaagde] hebben op de dag waarop het testament is opgemaakt ook een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten, volgens [gedaagde] om hun samenzijn formeel vast te leggen.
2.25.
De verhoudingen die erflater met zijn uiterste wil kennelijk wilde regelen waren volgens [eisers c.s.] dat de drie kinderen van erflater en [gedaagde] , als zijn (levens)partner, zijn erfgenamen waren. Het testament voorziet niet expliciet in de situatie – regelt niet de verhouding – dat de relatie over was, maar [gedaagde] feitelijk nog in dezelfde woning als erflater woonde.
[gedaagde] betoogt echter dat erflater ook gewild zou hebben dat zij zou erven als zij nog wel samenwoonden, maar de relatie was verbroken, omdat hij voor die situatie niets anders geregeld heeft.
2.26.
Voor dit standpunt van [gedaagde] ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. Erflater en [gedaagde] hadden ten tijde van het opmaken van het testament al meer dan zestien jaar een affectieve relatie, woonden sinds 2013 samen en hebben gelijktijdig met het testament een samenlevingsovereenkomst opgesteld. Erflater duidt [gedaagde] in zijn testament meerdere keren, ook onder D, aan als “mijn partner” en uit hetgeen onder D is opgenomen, volgt dat de beschikkingen vervallen als het samenwonen buiten hun gezamenlijke wil is beëindigd. Bij gebreke van enige aanwijzing voor iets anders, moet het ervoor gehouden worden dat het samenwonen zijn oorsprong vond in de affectieve relatie.
Dictum
De rechtbank
3.1.
stelt [eisers c.s.] in de gelegenheid om bij akte te reageren op de nrs. 21 en 22 uit de conclusie na comparitie van [gedaagde] met betrekking tot de inboedelgoederen zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.33 en verwijst de zaak daartoe naar de rol van woensdag 15 januari 2025;
3.2.
houdt in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.
3120
Beoordeling
De in dit testament gemaakte beschikkingen zijn ook van kracht na het aangaan van een geregistreerd partnerschap of na sluiting van een huwelijk met mijn partner. Ik bepaal, dat afdeling 4.3.1 van Boek 4 van het Burgerlijk wetboek geheel buiten toepassing blijft.
2. Indien ik overlijd nadat een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed van mijn partner of ontbinding van het geregistreerd partnerschap met mijn partner is aanhangig gemaakt en geen doorhaling van die procedure heeft plaatsgevonden voor mijn overlijden, komen alle beschikkingen die in dit testament ten behoeve van mijn partner zijn opgenomen te vervallen en sluit ik mijn partner uitdrukkelijk uit als erfgenaam. In die gevallen vervalt tevens de hiervoor sub II.B.2.b gemaakte beschikking.
III. OVERIGE BESCHIKKINGEN
(…)
C. Bewind
Ik stel al hetgeen ieder van mijn afstammelingen die de vijfentwintig (25) jarige leeftijd nog niet heeft bereikt - hierna (elk) aangeduid met "rechthebbende" - uit mijn nalatenschap verkrijgt, alsmede datgene dat ieder door of tengevolge van mijn overlijden krachtens overeenkomst van levensverzekering of krachtens derdenbeding ontvangt, onder bewind.
Ik benoem tot bewindvoerder mijn partner en in geval van haar ontstentenis, defungeren of weigering deze bewindvoering te aanvaarden: de heer [persoon E] , voornoemd.
(…)”
Beëindiging relatie erflater en [gedaagde]
2.10.
Volgens [eisers c.s.] was de affectieve relatie tussen erflater en [gedaagde] verbroken voor het overlijden van erflater. Daarop baseren zij hun betoog dat de beschikkingen die erflater in zijn testament ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt, zijn komen te vervallen. [gedaagde] betwist echter dat de relatie verbroken was. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of [eisers c.s.] gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat de relatie was verbroken. Als dat immers niet het geval is, vervalt de basis op grond waarvan [eisers c.s.] betogen dat [gedaagde] geen erfgenaam, executeur en bewindvoerder is.
2.11.
[eisers c.s.] leggen aan hun standpunt dat de relatie tussen [gedaagde] en erflater ten tijde van het overlijden van erflater was verbroken het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de relatie met erflater op 14 oktober 2022 verbroken, omdat erflater was vreemdgegaan en [gedaagde] niet meer verder wilde. Dit heeft erflater, in het bijzijn van [gedaagde] , in de avond van 16 oktober 2022 eerst aan [eiser 1] , [eiser 3] en [persoon F] (de toenmalige vriendin van [eiser 3] ) verteld en later op die avond ook aan [eiser 2] en haar toenmalige vriend [persoon G] . Erflater was volgens [eisers c.s.] erg aangedaan door de relatiebreuk en heeft ook andere mensen hiervan op de hoogte gebracht. [eisers c.s.] stellen daarnaast dat [gedaagde] al op zoek was naar een andere woning in de buurt van [plaats 2] , dat erflater antidepressiva gebruikte na de relatiebreuk en dat erflater bij zijn accountant ( [accountant] ) is ingestort op donderdag 20 oktober 2022. De accountant heeft toen geregeld dat erflater de volgende dag (21 oktober 2022) terecht kon bij een traumapsycholoog de heer [psycholoog] . Erflater heeft de dag daarna een einde aan zijn leven heeft gemaakt.
2.12.
[eisers c.s.] hebben ter onderbouwing van hun stellingname meerdere verklaringen en whatsapp-berichten overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat [eisers c.s.] met de door hen overgelegde verklaringen en whatsapp-berichten voldoende hebben onderbouwd dat [gedaagde] de relatie had verbroken. Hieronder wordt dit toegelicht.
2.13.
Zowel [eiser 1] , [eiser 3] , [eiser 2] als [persoon G] (de toenmalige vriend van [eiser 2] ) hebben verklaard dat erflater op 16 oktober 2022 aan hen mededeelde dat [gedaagde] en hij uit elkaar gingen. [eiser 1] heeft daarnaast verklaard dat [gedaagde] later die avond tegen hem het volgende heeft gezegd: “Ze vertelde me dat ze niet hetzelfde mee wilde maken als haar moeder. Te lang bij iemand blijven waarvan je niet meer houdt.” Ook hebben [eisers c.s.] een whatsapp-bericht overgelegd van dezelfde dag waarin [eiser 1] aan zijn vriendin [persoon H] schrijft: “Pa en [gedaagde] gaan uit elkaar”. In whatsapp-berichten van [persoon H] aan [gedaagde] en erflater van 18 oktober 2022 schrijft [persoon H] dat ze het erg verdrietig vindt, voor iedereen, maar ook weet dat zij niet zomaar tot dit besluit zijn gekomen. [gedaagde] antwoordt hier vervolgens op: “Dit besluit heeft heel lang geduurd. Bijna 2 jaar. Graag wil ik jullie vragen op [erflater] te letten. Hij heeft het heel erg moeilijk. Maar we praten veel en we hebben geen ruzie. We gunnen elkaar het aller beste”.
2.14.
Ook derden hebben verklaringen afgelegd over het verbreken van de relatie door [gedaagde] .
[persoon I] , de ex-echtgenote van erflater en de moeder van [eisers c.s.] , heeft verklaard dat [eiser 3] op 16 oktober 2022, na bij erflater te zijn geweest, bij haar thuis kwam en tegen haar had gezegd dat er iets erg is gebeurd, namelijk dat erflater en [gedaagde] uit elkaar gaan.
[persoon J] , een vriend/kennis van erflater, heeft in zijn e-mailbericht van 6 juni 2023 verklaard dat hij erflater op 17 oktober 2022 heeft gesproken en dat erflater een verwilderde en onrustige indruk op hem maakte. Ook heeft hij het volgende verklaard: “Aanvankelijk dacht ik dat het om iets zakelijks ging en probeerde hem wat te kalmeren en vroeg er verder naar. Daarop gaf hij aan dat zijn "relatie over was" dat "hij alles om zeep had geholpen" en dat "het allemaal geen zin meer had" ...” en: “[erflater] vertelde me dat zijn relatie met zijn vriendin "definitief op de klippen was gelopen" en dat "hij het allemaal had verziekt" - exacte woorden weet ik niet zeker, maar hij nam een hoop schuld op zich.”
[persoon K] , een vriendin/kennis van erflater, heeft in september 2023 verklaard dat ze erflater op 17 oktober 2022 aan de telefoon heeft gehad en heeft gezien, en dat erflater tegen haar zei dat [gedaagde] had besloten een einde aan hun relatie te maken. [persoon K] heeft het volgende hierover verklaard: “Haar besluit om de relatie te verbreken kwam dan ook voor [erflater] als een complete verrassing. Zijn [gedaagde] , zijn meisje, wilde niet meer met hem verder en hij kon zich niet indenken hoe hij zonder haar verder moest. Hij gaf zichzelf de schuld voor de ontstane situatie, aangezien hij twee jaar eerder die fout had gemaakt.”
[persoon L] , een goede vriend van erflater, heeft in september 2023 verklaard dat hij erflater op 17 oktober 2022 telefonisch en in persoon heeft gesproken. [persoon L] heeft het volgende hierover verklaard: “[erflater] vertelde dat hij een paar jaar geleden een fout had begaan en dat daardoor [gedaagde] nu de relatie had verbroken.” Ook hebben [eisers c.s.] whatsapp-berichten overgelegd tussen erflater en [persoon L] waarin erflater op 20 oktober 2022 naar hem schrijft: “Ze blijft zeggen dat het nooit meer goed komt” en: “Ze heeft inmiddels geen gevoelens meer voor mij en staat open voor anderen.”
2.15.
De door [eisers c.s.] overgelegde whatsapp-berichten tussen erflater en [gedaagde] van 17 en [datum] 2022 wijzen er ook op dat de affectieve relatie was beëindigd, want [gedaagde] wilde niet praten met een mediator en zegt dat ze beste vrienden blijven:
[17-10-2022 08:46:12] [erflater] : [gedaagde] , laten we wel de mediator
proberen aub.
[17-10-2022 08:46:37] [erflater] : We hoeven niets te zeggen toch
[17-10-2022 08:46:49] [erflater] : Dat houden we voor ons zelf
[17-10-2022 0847:08] [erflater] : Lukt het niet, dan lukt het niet
[17-10-2022 08:47:12] [erflater] : Please
[17-10-2022 08:47:22] [gedaagde] : [erflater] .
Conclusie
Dit blijkt bovendien uit hetgeen hiervoor, onder meer in 2.16, is overwogen omtrent de kennelijke zoektocht van [gedaagde] naar een woning elders in verband met het beëindigen door haar van de relatie.
Uit hetgeen hiervoor onder 2.10-2.20 is overwogen, volgt dat de samenlevingsovereenkomst overeenkomstig het daarin in artikel 13, aanhef en onder a, bepaalde is geëindigd door opzegging door [gedaagde] . [eisers c.s.] hebben er in dit verband op gewezen dat ook erflaters eerdere ex-partner en nota bene de moeder van zijn kinderen, [persoon I] , niet meer door erflater is bedacht in zijn testament en zelfs, onder G, is uitgesloten van het ouderlijk vruchtgenot van hetgeen hun kinderen verkrijgen uit zijn nalatenschap. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat erflater [gedaagde] als ex-partner nog in het testament heeft willen bedenken.
Ook de verval- en uitsluitingsbepalingen onder II.E.2 van het testament met betrekking tot de situatie van een aanhangige echtscheiding – die niet hoeft samen te gaan met een (al) verbroken samenwoning – maken aannemelijk dat erflater de verhouding met [gedaagde] heeft willen regelen voor het geval [gedaagde] zijn partner was en niet voor de situatie dat nog slechts onder één dak werd verkeerd. Niet valt in te zien waarom de voorbereiding van een echtscheiding de beschikkingen ten gunste van [gedaagde] in het testament zou doen vervallen, maar de voorbereiding van de eenzijdige verbreking van het samenwonen, bovendien nog na opzegging van de samenlevingsoverkomst, niet.
Gelet op het voorgaande moet geoordeeld worden dat de beschikkingen die erflater ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt zagen op de situatie dat sprake was van een affectieve relatie met haar. De door [gedaagde] overgelegde verklaringen van [persoon O] , [persoon P] en [persoon Q] maken het voorgaande niet anders. Hieruit volgt immers niet dat erflater gewenst zou hebben dat [gedaagde] zou erven als de affectieve relatie over zou zijn. De stelling van [gedaagde] dat erflater zijn testament had kunnen wijzigen als hij haar na het verbreken van de affectieve relatie niet langer had willen laten erven, acht de rechtbank, gezien de uit de diverse beschikbare verklaringen blijkende kennelijke geestelijke toestand en ontreddering van erflater in de laatste week voor zijn overlijden, te theoretisch om er gevolgen aan te verbinden.
2.27.
Gelet op de hiervoor vermelde verhoudingen die erflater kennelijk wenste te regelen en de omstandigheden ten tijde van het opmaken van het testament, kan niet geoordeeld worden dat de woorden ‘niet meer met elkaar samenwonen’ duidelijk zijn en dat erflater daarmee óók de - op grond van het hiervoor overwogene vaststaande - situatie heeft willen regelen dat hij en [gedaagde] nog samenwoonden, maar de affectieve relatie was verbroken. Op grond van al het hiervoor overwogene moet het testament veeleer zo worden uitgelegd dat de beschikkingen ten aanzien van [gedaagde] alleen golden voor de situatie dat erflater en [gedaagde] niet slechts samenwoonden, maar ook een affectieve relatie hadden ten tijde van het overlijden van erflater. De bepaling in het testament dat als bewijs voor de samenwoning zal gelden een verklaring van een gemeente dat erflater en [gedaagde] ten tijde van zijn overlijden op hetzelfde adres stonden ingeschreven, moet gelet op het voorgaande worden uitgelegd als een bewijsvermoeden dat behulpzaam kan zijn bij het beantwoorden van de vraag of de affectieve relatie is beëindigd, maar hiervoor niet doorslaggevend is. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de vervalbepaling naar haar kennelijk bedoeling niet van toepassing is in het geval partijen overeenkomstig hun gezamenlijke wil niet meer samenwonen.
2.28.
De slotsom is dat is voldaan aan de voorwaarde onder D van het testament. Dit betekent dat de beschikkingen die erflater ten aanzien van [gedaagde] heeft gemaakt zijn komen te vervallen. Zij is dus geen erfgenaam en ook geen executeur. De door [eisers c.s.] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom in het eindvonnis worden toegewezen. De reconventionele vordering van [gedaagde] c.s. zal dan om dezelfde redenen worden afgewezen.
Bewind
2.29.
Erflater heeft in zijn testament onder “C. Bewind” zijn partner benoemd tot bewindvoerder. Omdat de beschikkingen die erflater ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt zijn komen te vervallen en [gedaagde] op grond van het hiervoor overwogene ook niet meer kan gelden als partner van erflater ten tijde van zijn overlijden, is de rechtbank van oordeel dat het testament zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde] geen bewindvoerder is. De na eisvermeerdering daarop ziende gevorderde verklaring voor recht zal daarom in het eindvonnis worden toegewezen.
Inboedelgoederen
2.30.
[eisers c.s.] stellen dat [gedaagde] diverse, onder punt 73 van de dagvaarding opgesomde inboedelgoederen tot zich heeft genomen waar zij geen recht op had, omdat volgens artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst de gehele inboedel aan erflater toekomt. [eisers c.s.] vorderen daarom dat [gedaagde] veroordeeld wordt om een vergoeding te betalen ter hoogte van de waarde van deze goederen, door hen begroot op € 11.300,-, of om deze goederen aan [eisers c.s.] te retourneren.
2.31.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat, omdat de beschikkingen die erflater heeft gemaakt in zijn testament ten behoeve van [gedaagde] zijn komen te vervallen, [gedaagde] niet meer op grond van het testament aanspraak kan maken op de inboedelgoederen. Voorts heeft [gedaagde] niet toegelicht hoe en waarom haar stelling dat de inboedel voor het merendeel gezamenlijke eigendom was, afbreuk doet aan het genoemde artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat er nooit discussie is geweest over de inboedel en deze door [gedaagde] zelf is aangeschaft. De stelling van [gedaagde] dat de inboedelgoederen deels zijn verdeeld onder partijen en deels zijn weggegeven aan derden acht de rechtbank onvoldoende gespecificeerd om er gevolgen aan te verbinden.
2.32.
Nu het aanwezig zijn (geweest) van de diverse inboedelgoederen zoals vermeld onder punt 73 van de dagvaarding als zodanig door [gedaagde] niet is weersproken, moet van de juistheid van die opgave worden uitgegaan. Wel acht de rechtbank de stelling van [gedaagde] dat de inboedel voor het merendeel circa vijftien jaar oud was en nog een waarde vertegenwoordigt van maximaal € 1.000,- een voldoende gemotiveerde betwisting van de door [eisers c.s.] begrote waarde van € 11.300,-. Deze stelling is door [gedaagde] echter pas ingenomen in de conclusie na comparitie van [gedaagde] . Nu de inboedel bij de mondelinge behandeling onbesproken is gebleven acht de rechtbank dit niet tardief. Maar om dezelfde reden en omdat er bovendien aan het einde van de mondelinge behandeling enig debat is gevoerd over hoe er verder geprocedeerd zou gaan worden, waarover door de rechtbank geen schriftelijk bericht aan partijen is gestuurd, is voorstelbaar dat het voor [eisers c.s.] niet geheel duidelijk was dat partijen in hun antwoordconclusies mochten reageren op de conclusies na comparitie, hetgeen [gedaagde] wel heeft gedaan, maar [eisers c.s.] expliciet niet hebben gedaan, onder verzoek om, wanneer zij de instructie verkeerd hadden begrepen, dat alsnog te mogen doen.
2.33.
Daarom zullen [eisers c.s.] alsnog in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op – uitsluitend – de nrs. 21 en 22 uit de conclusie na comparitie van [gedaagde] . Afhankelijk van die reactie zal over het vervolg van de procedure worden besloten. Bij deze reactie zullen [eisers c.s.] dus moeten onderbouwen welke waarde de onder punt 73 van de dagvaarding vermelde inboedelgoederen ten tijde van erflaters overlijden hadden.
Beoordeling
De in dit testament gemaakte beschikkingen zijn ook van kracht na het aangaan van een geregistreerd partnerschap of na sluiting van een huwelijk met mijn partner. Ik bepaal, dat afdeling 4.3.1 van Boek 4 van het Burgerlijk wetboek geheel buiten toepassing blijft.
2. Indien ik overlijd nadat een procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed van mijn partner of ontbinding van het geregistreerd partnerschap met mijn partner is aanhangig gemaakt en geen doorhaling van die procedure heeft plaatsgevonden voor mijn overlijden, komen alle beschikkingen die in dit testament ten behoeve van mijn partner zijn opgenomen te vervallen en sluit ik mijn partner uitdrukkelijk uit als erfgenaam. In die gevallen vervalt tevens de hiervoor sub II.B.2.b gemaakte beschikking.
III. OVERIGE BESCHIKKINGEN
(…)
C. Bewind
Ik stel al hetgeen ieder van mijn afstammelingen die de vijfentwintig (25) jarige leeftijd nog niet heeft bereikt - hierna (elk) aangeduid met "rechthebbende" - uit mijn nalatenschap verkrijgt, alsmede datgene dat ieder door of tengevolge van mijn overlijden krachtens overeenkomst van levensverzekering of krachtens derdenbeding ontvangt, onder bewind.
Ik benoem tot bewindvoerder mijn partner en in geval van haar ontstentenis, defungeren of weigering deze bewindvoering te aanvaarden: de heer [persoon E] , voornoemd.
(…)”
Beëindiging relatie erflater en [gedaagde]
2.10.
Volgens [eisers c.s.] was de affectieve relatie tussen erflater en [gedaagde] verbroken voor het overlijden van erflater. Daarop baseren zij hun betoog dat de beschikkingen die erflater in zijn testament ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt, zijn komen te vervallen. [gedaagde] betwist echter dat de relatie verbroken was. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of [eisers c.s.] gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat de relatie was verbroken. Als dat immers niet het geval is, vervalt de basis op grond waarvan [eisers c.s.] betogen dat [gedaagde] geen erfgenaam, executeur en bewindvoerder is.
2.11.
[eisers c.s.] leggen aan hun standpunt dat de relatie tussen [gedaagde] en erflater ten tijde van het overlijden van erflater was verbroken het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de relatie met erflater op 14 oktober 2022 verbroken, omdat erflater was vreemdgegaan en [gedaagde] niet meer verder wilde. Dit heeft erflater, in het bijzijn van [gedaagde] , in de avond van 16 oktober 2022 eerst aan [eiser 1] , [eiser 3] en [persoon F] (de toenmalige vriendin van [eiser 3] ) verteld en later op die avond ook aan [eiser 2] en haar toenmalige vriend [persoon G] . Erflater was volgens [eisers c.s.] erg aangedaan door de relatiebreuk en heeft ook andere mensen hiervan op de hoogte gebracht. [eisers c.s.] stellen daarnaast dat [gedaagde] al op zoek was naar een andere woning in de buurt van [plaats 2] , dat erflater antidepressiva gebruikte na de relatiebreuk en dat erflater bij zijn accountant ( [accountant] ) is ingestort op donderdag 20 oktober 2022. De accountant heeft toen geregeld dat erflater de volgende dag (21 oktober 2022) terecht kon bij een traumapsycholoog de heer [psycholoog] . Erflater heeft de dag daarna een einde aan zijn leven heeft gemaakt.
2.12.
[eisers c.s.] hebben ter onderbouwing van hun stellingname meerdere verklaringen en whatsapp-berichten overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat [eisers c.s.] met de door hen overgelegde verklaringen en whatsapp-berichten voldoende hebben onderbouwd dat [gedaagde] de relatie had verbroken. Hieronder wordt dit toegelicht.
2.13.
Zowel [eiser 1] , [eiser 3] , [eiser 2] als [persoon G] (de toenmalige vriend van [eiser 2] ) hebben verklaard dat erflater op 16 oktober 2022 aan hen mededeelde dat [gedaagde] en hij uit elkaar gingen. [eiser 1] heeft daarnaast verklaard dat [gedaagde] later die avond tegen hem het volgende heeft gezegd: “Ze vertelde me dat ze niet hetzelfde mee wilde maken als haar moeder. Te lang bij iemand blijven waarvan je niet meer houdt.” Ook hebben [eisers c.s.] een whatsapp-bericht overgelegd van dezelfde dag waarin [eiser 1] aan zijn vriendin [persoon H] schrijft: “Pa en [gedaagde] gaan uit elkaar”. In whatsapp-berichten van [persoon H] aan [gedaagde] en erflater van 18 oktober 2022 schrijft [persoon H] dat ze het erg verdrietig vindt, voor iedereen, maar ook weet dat zij niet zomaar tot dit besluit zijn gekomen. [gedaagde] antwoordt hier vervolgens op: “Dit besluit heeft heel lang geduurd. Bijna 2 jaar. Graag wil ik jullie vragen op [erflater] te letten. Hij heeft het heel erg moeilijk. Maar we praten veel en we hebben geen ruzie. We gunnen elkaar het aller beste”.
2.14.
Ook derden hebben verklaringen afgelegd over het verbreken van de relatie door [gedaagde] .
[persoon I] , de ex-echtgenote van erflater en de moeder van [eisers c.s.] , heeft verklaard dat [eiser 3] op 16 oktober 2022, na bij erflater te zijn geweest, bij haar thuis kwam en tegen haar had gezegd dat er iets erg is gebeurd, namelijk dat erflater en [gedaagde] uit elkaar gaan.
[persoon J] , een vriend/kennis van erflater, heeft in zijn e-mailbericht van 6 juni 2023 verklaard dat hij erflater op 17 oktober 2022 heeft gesproken en dat erflater een verwilderde en onrustige indruk op hem maakte. Ook heeft hij het volgende verklaard: “Aanvankelijk dacht ik dat het om iets zakelijks ging en probeerde hem wat te kalmeren en vroeg er verder naar. Daarop gaf hij aan dat zijn "relatie over was" dat "hij alles om zeep had geholpen" en dat "het allemaal geen zin meer had" ...” en: “[erflater] vertelde me dat zijn relatie met zijn vriendin "definitief op de klippen was gelopen" en dat "hij het allemaal had verziekt" - exacte woorden weet ik niet zeker, maar hij nam een hoop schuld op zich.”
[persoon K] , een vriendin/kennis van erflater, heeft in september 2023 verklaard dat ze erflater op 17 oktober 2022 aan de telefoon heeft gehad en heeft gezien, en dat erflater tegen haar zei dat [gedaagde] had besloten een einde aan hun relatie te maken. [persoon K] heeft het volgende hierover verklaard: “Haar besluit om de relatie te verbreken kwam dan ook voor [erflater] als een complete verrassing. Zijn [gedaagde] , zijn meisje, wilde niet meer met hem verder en hij kon zich niet indenken hoe hij zonder haar verder moest. Hij gaf zichzelf de schuld voor de ontstane situatie, aangezien hij twee jaar eerder die fout had gemaakt.”
[persoon L] , een goede vriend van erflater, heeft in september 2023 verklaard dat hij erflater op 17 oktober 2022 telefonisch en in persoon heeft gesproken. [persoon L] heeft het volgende hierover verklaard: “[erflater] vertelde dat hij een paar jaar geleden een fout had begaan en dat daardoor [gedaagde] nu de relatie had verbroken.” Ook hebben [eisers c.s.] whatsapp-berichten overgelegd tussen erflater en [persoon L] waarin erflater op 20 oktober 2022 naar hem schrijft: “Ze blijft zeggen dat het nooit meer goed komt” en: “Ze heeft inmiddels geen gevoelens meer voor mij en staat open voor anderen.”
2.15.
De door [eisers c.s.] overgelegde whatsapp-berichten tussen erflater en [gedaagde] van 17 en [datum] 2022 wijzen er ook op dat de affectieve relatie was beëindigd, want [gedaagde] wilde niet praten met een mediator en zegt dat ze beste vrienden blijven:
[17-10-2022 08:46:12] [erflater] : [gedaagde] , laten we wel de mediator
proberen aub.
[17-10-2022 08:46:37] [erflater] : We hoeven niets te zeggen toch
[17-10-2022 08:46:49] [erflater] : Dat houden we voor ons zelf
[17-10-2022 0847:08] [erflater] : Lukt het niet, dan lukt het niet
[17-10-2022 08:47:12] [erflater] : Please
[17-10-2022 08:47:22] [gedaagde] : [erflater] .
Conclusie
Dit blijkt bovendien uit hetgeen hiervoor, onder meer in 2.16, is overwogen omtrent de kennelijke zoektocht van [gedaagde] naar een woning elders in verband met het beëindigen door haar van de relatie.
Uit hetgeen hiervoor onder 2.10-2.20 is overwogen, volgt dat de samenlevingsovereenkomst overeenkomstig het daarin in artikel 13, aanhef en onder a, bepaalde is geëindigd door opzegging door [gedaagde] . [eisers c.s.] hebben er in dit verband op gewezen dat ook erflaters eerdere ex-partner en nota bene de moeder van zijn kinderen, [persoon I] , niet meer door erflater is bedacht in zijn testament en zelfs, onder G, is uitgesloten van het ouderlijk vruchtgenot van hetgeen hun kinderen verkrijgen uit zijn nalatenschap. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat erflater [gedaagde] als ex-partner nog in het testament heeft willen bedenken.
Ook de verval- en uitsluitingsbepalingen onder II.E.2 van het testament met betrekking tot de situatie van een aanhangige echtscheiding – die niet hoeft samen te gaan met een (al) verbroken samenwoning – maken aannemelijk dat erflater de verhouding met [gedaagde] heeft willen regelen voor het geval [gedaagde] zijn partner was en niet voor de situatie dat nog slechts onder één dak werd verkeerd. Niet valt in te zien waarom de voorbereiding van een echtscheiding de beschikkingen ten gunste van [gedaagde] in het testament zou doen vervallen, maar de voorbereiding van de eenzijdige verbreking van het samenwonen, bovendien nog na opzegging van de samenlevingsoverkomst, niet.
Gelet op het voorgaande moet geoordeeld worden dat de beschikkingen die erflater ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt zagen op de situatie dat sprake was van een affectieve relatie met haar. De door [gedaagde] overgelegde verklaringen van [persoon O] , [persoon P] en [persoon Q] maken het voorgaande niet anders. Hieruit volgt immers niet dat erflater gewenst zou hebben dat [gedaagde] zou erven als de affectieve relatie over zou zijn. De stelling van [gedaagde] dat erflater zijn testament had kunnen wijzigen als hij haar na het verbreken van de affectieve relatie niet langer had willen laten erven, acht de rechtbank, gezien de uit de diverse beschikbare verklaringen blijkende kennelijke geestelijke toestand en ontreddering van erflater in de laatste week voor zijn overlijden, te theoretisch om er gevolgen aan te verbinden.
2.27.
Gelet op de hiervoor vermelde verhoudingen die erflater kennelijk wenste te regelen en de omstandigheden ten tijde van het opmaken van het testament, kan niet geoordeeld worden dat de woorden ‘niet meer met elkaar samenwonen’ duidelijk zijn en dat erflater daarmee óók de - op grond van het hiervoor overwogene vaststaande - situatie heeft willen regelen dat hij en [gedaagde] nog samenwoonden, maar de affectieve relatie was verbroken. Op grond van al het hiervoor overwogene moet het testament veeleer zo worden uitgelegd dat de beschikkingen ten aanzien van [gedaagde] alleen golden voor de situatie dat erflater en [gedaagde] niet slechts samenwoonden, maar ook een affectieve relatie hadden ten tijde van het overlijden van erflater. De bepaling in het testament dat als bewijs voor de samenwoning zal gelden een verklaring van een gemeente dat erflater en [gedaagde] ten tijde van zijn overlijden op hetzelfde adres stonden ingeschreven, moet gelet op het voorgaande worden uitgelegd als een bewijsvermoeden dat behulpzaam kan zijn bij het beantwoorden van de vraag of de affectieve relatie is beëindigd, maar hiervoor niet doorslaggevend is. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de vervalbepaling naar haar kennelijk bedoeling niet van toepassing is in het geval partijen overeenkomstig hun gezamenlijke wil niet meer samenwonen.
2.28.
De slotsom is dat is voldaan aan de voorwaarde onder D van het testament. Dit betekent dat de beschikkingen die erflater ten aanzien van [gedaagde] heeft gemaakt zijn komen te vervallen. Zij is dus geen erfgenaam en ook geen executeur. De door [eisers c.s.] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom in het eindvonnis worden toegewezen. De reconventionele vordering van [gedaagde] c.s. zal dan om dezelfde redenen worden afgewezen.
Bewind
2.29.
Erflater heeft in zijn testament onder “C. Bewind” zijn partner benoemd tot bewindvoerder. Omdat de beschikkingen die erflater ten behoeve van [gedaagde] heeft gemaakt zijn komen te vervallen en [gedaagde] op grond van het hiervoor overwogene ook niet meer kan gelden als partner van erflater ten tijde van zijn overlijden, is de rechtbank van oordeel dat het testament zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde] geen bewindvoerder is. De na eisvermeerdering daarop ziende gevorderde verklaring voor recht zal daarom in het eindvonnis worden toegewezen.
Inboedelgoederen
2.30.
[eisers c.s.] stellen dat [gedaagde] diverse, onder punt 73 van de dagvaarding opgesomde inboedelgoederen tot zich heeft genomen waar zij geen recht op had, omdat volgens artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst de gehele inboedel aan erflater toekomt. [eisers c.s.] vorderen daarom dat [gedaagde] veroordeeld wordt om een vergoeding te betalen ter hoogte van de waarde van deze goederen, door hen begroot op € 11.300,-, of om deze goederen aan [eisers c.s.] te retourneren.
2.31.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat, omdat de beschikkingen die erflater heeft gemaakt in zijn testament ten behoeve van [gedaagde] zijn komen te vervallen, [gedaagde] niet meer op grond van het testament aanspraak kan maken op de inboedelgoederen. Voorts heeft [gedaagde] niet toegelicht hoe en waarom haar stelling dat de inboedel voor het merendeel gezamenlijke eigendom was, afbreuk doet aan het genoemde artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat er nooit discussie is geweest over de inboedel en deze door [gedaagde] zelf is aangeschaft. De stelling van [gedaagde] dat de inboedelgoederen deels zijn verdeeld onder partijen en deels zijn weggegeven aan derden acht de rechtbank onvoldoende gespecificeerd om er gevolgen aan te verbinden.
2.32.
Nu het aanwezig zijn (geweest) van de diverse inboedelgoederen zoals vermeld onder punt 73 van de dagvaarding als zodanig door [gedaagde] niet is weersproken, moet van de juistheid van die opgave worden uitgegaan. Wel acht de rechtbank de stelling van [gedaagde] dat de inboedel voor het merendeel circa vijftien jaar oud was en nog een waarde vertegenwoordigt van maximaal € 1.000,- een voldoende gemotiveerde betwisting van de door [eisers c.s.] begrote waarde van € 11.300,-. Deze stelling is door [gedaagde] echter pas ingenomen in de conclusie na comparitie van [gedaagde] . Nu de inboedel bij de mondelinge behandeling onbesproken is gebleven acht de rechtbank dit niet tardief. Maar om dezelfde reden en omdat er bovendien aan het einde van de mondelinge behandeling enig debat is gevoerd over hoe er verder geprocedeerd zou gaan worden, waarover door de rechtbank geen schriftelijk bericht aan partijen is gestuurd, is voorstelbaar dat het voor [eisers c.s.] niet geheel duidelijk was dat partijen in hun antwoordconclusies mochten reageren op de conclusies na comparitie, hetgeen [gedaagde] wel heeft gedaan, maar [eisers c.s.] expliciet niet hebben gedaan, onder verzoek om, wanneer zij de instructie verkeerd hadden begrepen, dat alsnog te mogen doen.
2.33.
Daarom zullen [eisers c.s.] alsnog in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te reageren op – uitsluitend – de nrs. 21 en 22 uit de conclusie na comparitie van [gedaagde] . Afhankelijk van die reactie zal over het vervolg van de procedure worden besloten. Bij deze reactie zullen [eisers c.s.] dus moeten onderbouwen welke waarde de onder punt 73 van de dagvaarding vermelde inboedelgoederen ten tijde van erflaters overlijden hadden.
Beoordeling
Hou op ajb.
[17-10-2022 09:00:43] [erflater] : Sorry
[17-10-2022 09:10.21] [erflater] : Ik zal er over ophouden
(…)
[20-10-2022 09:05:31] [erflater] : Ik wil je juist niet nog meer pijn
doen. En dat doe ik op deze manier wel. Excuus, laten we ajb
de beste vrienden blijven.
Als je wilt help ik je waar ik kan.
Take care
[20-10-2022 17:00:08] [gedaagde] . We blijven beste vrienden
2.16.
Volgens [eisers c.s.] was [gedaagde] in de week voor het overlijden van erflater op zoek naar een woning in de buurt van [plaats 2] . [gedaagde] betwist dit niet, maar volgens [gedaagde] blijkt hieruit niet dat de relatie was verbroken, omdat zij en erflater wel vaker naar huizen en grond keken. [eisers c.s.] en ook derden hebben echter verklaard dat [gedaagde] keek naar een woning voor haarzelf in [plaats 2] . Zo heeft [persoon M] (echtgenote van een goede vriend van [eiser 1] ) verklaard dat [gedaagde] haar na het overlijden van erflater heeft verteld dat zij een huis op het oog had in [plaats 2] waar ze naartoe wilde verhuizen. De daarbij volgens [persoon M] ook aanwezige [persoon N] (naar de rechtbank begrijpt eveneens behorend tot de vriendenkring van [eiser 1] ) heeft verklaard dat [gedaagde] haar na het overlijden van erflater heeft verteld dat ze de week voor het overlijden van erflater contact had met een makelaar om een huis te zoeken in [plaats 2] of omgeving, omdat ze niet meer samen met erflater zou wonen. De enkele ontkenning van dit alles door [gedaagde] , die daarbij – anders dan [persoon M] en [persoon N] – een direct eigenbelang heeft, legt hiertegenover naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal.
2.17.
Dat [gedaagde] en erflater nog een afspraak hadden gemaakt bij een relatietherapeut op 26 oktober 2022 en dat die de afspraak heeft geboekt als “intake relatietherapie traject”, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan te nemen dat de relatie nog niet beëindigd was, nu verder niets daarop wijst en de afspraak ook kan zijn ingepland om op een goede manier uit elkaar te gaan. Dat laatste past ook in het beeld dat oprijst uit de stukken, waaronder de onweersproken gebleven e-mail van [persoon A] aan [gedaagde] van 14 februari 2023 – “Ik begreep van [erflater] dat jullie nog wel over relatietherapie gesproken hebben, maar dat het voortzetten van de relatie met [erflater] voor jou niet meer bespreekbaar was.” – en uit [persoon A] verklaring uit september 2023: “Ook gaf hij aan dat [gedaagde] , best in therapie wilde maar dit uitsluitend voor het herstel van [erflater] zou doen. Het besluit dat de relatie gestopt was stond voor [gedaagde] vast.”
Het volgt ook uit de whatsapp-berichten van [gedaagde] zelf. De afspraak was op 18 oktober 2022 gemaakt, terwijl [gedaagde] op 20 oktober 2022 per whatsapp aan erflater schreef dat ze ‘beste vrienden’ zouden blijven. Dat rijmt niet met de stelling van [gedaagde] dat de relatie nog niet over was, maar wel met op een goede manier uit elkaar willen gaan. Voorts hebben [eisers c.s.] hierover een e-mail van 23 maart 2023 aan [gedaagde] geschreven: “Nadat jij het met papa had uitgemaakt was papa vooral heel verdrietig en boos. Verdrietig omdat jij hem ging verlaten en boos omdat hij je plotselinge besluit niet begreep. De weken voorafgaand aan je besluit was er immers geen vuiltje aan de lucht in jullie relatie. Dat jullie een afspraak met een therapeut zouden hebben, was op papa zijn verzoek. Naar jouw zeggen was dit alleen bedoeld om papa te helpen. Je hebt in de laatste week van papa’s leven immers meerdere keren aangegeven dat je niet verder wilde in de relatie met papa.” Dit heeft [gedaagde] in haar reactie van 5 april 2023 niet weersproken, ofschoon dat alleszins in de rede zou hebben gelegen als de relatie juist niet beëindigd was, zoals [gedaagde] thans betoogt. Ten slotte is moeilijk voorstelbaar dat wanneer [gedaagde] , zoals zij nog heeft verklaard, in gesprekken met erflater na 16 oktober 2022 alsnog zou hebben besloten om te trachten de relatie nieuw leven in te blazen met de relatietherapie waarvoor op 18 oktober 2022 een afspraak is gemaakt, erflater, die blijkens het voorgaande in die dagen naar velen open over zijn gevoelens communiceerde, niet ook over die nieuwe en dan reële kans zou hebben gecommuniceerd. Daarvan is echter niets gebleken.
2.18.
[eisers c.s.] hebben voorts nog aangevoerd dat het niet logisch is dat erflater een einde aan zijn leven zou maken als de relatie nog niet definitief over was. [gedaagde] heeft hier ook geen verklaring voor kunnen geven.
2.19.
Gelet op al het voorgaande, in onderling verband beschouwd, kan [gedaagde] niet gevolgd worden in haar - niet langer voldoende gemotiveerde - stelling dat erflater tegen zijn kinderen en later tegen derden alleen maar heeft gezegd dat hij bang was dat de relatie zou eindigen. [gedaagde] kan om dezelfde reden evenmin gevolgd worden in haar stelling dat ze alleen hadden medegedeeld dat ze relatieproblemen hadden en gesprekken voerden over de toekomst van hun relatie. Dit volgt immers niet uit het voorgaande en evenmin uit de door [gedaagde] overgelegde verklaringen van [persoon O] (uitbater van de stamkroeg van erflater en [gedaagde] ), [persoon P] (nicht van erflater) en [persoon Q] (neef van erflater). Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde] dat erflater en zij nu juist aan hun relatie wilden werken en een relatiebreuk wilden voorkomen. Dat de notaris [gedaagde] als erfgenaam heeft aangemerkt in de verklaring van erfrecht van 15 mei 2023 doet aan het voorgaande uiteraard evenmin af, nu de discussie over het erfgenaamschap van [gedaagde] niet voor hem gevoerd is, de notaris zich daarover geen oordeel heeft hoeven vormen en de bewijskracht van de notariële akte daarop niet ziet.
2.20.
Conclusie
De rechtbank kan zich evenwel voorstellen dat partijen, gelet op hetgeen overigens in dit vonnis en in het bijzonder onder 2.21 is overwogen en geoordeeld, in plaats daarvan de gegeven periode benutten om in onderling overleg tot een finale afronding te komen, zodat verdere behandeling en een nader tussen- of eindvonnis niet nodig zijn. In dat geval kunnen zij de rechtbank daarover gezamenlijk berichten op de in het dictum te noemen roldatum.
Ontvangen bedrag uit de nalatenschap van € 13.500,-
2.34.
[eisers c.s.] stellen dat [gedaagde] op 19 november 2022 een bedrag uit de nalatenschap heeft ontvangen van € 13.500,- en dat dit – kennelijk is bedoeld: door de nalatenschap – onverschuldigd aan haar is betaald. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de ontvangst van dit bedrag onvoldoende heeft weersproken, want zij stelt in haar conclusie van antwoord dat zij het saldo van de privérekening destijds eerlijk tussen de kinderen en zichzelf heeft verdeeld, waarbij elk van de kinderen – en de rechtbank begrijpt: ook [gedaagde] zelf – een bedrag van € 13.500,- heeft ontvangen. Omdat [gedaagde] gelet op wat hiervoor is overwogen geen erfgenaam is van erflater, is dit bedrag door de nalatenschap onverschuldigd aan haar betaald. Dit betekent dat [gedaagde] bij eindvonnis veroordeeld zal worden om een bedrag van € 13.500,- aan de erven, [eisers c.s.] , te betalen. De hierover gevorderde wettelijke rente zal daarbij als onbetwist en overeenkomstig de wet worden toegewezen vanaf 19 november 2022.
Cryptovalutarekening
2.35.
De vordering tot het verstrekken van de inlogcodes van de volgens [eisers c.s.] gezamenlijke cryptovalutarekening van erflater en [gedaagde] zal de rechtbank afwijzen, nu niet betwist is dat de rekening slechts gekoppeld is en is geweest aan een privérekening van [gedaagde] en er geen grond bestaat om [eisers c.s.] in staat te stellen het beheer van de cryptovaluta over te nemen. Dat [eisers c.s.] vanwege de inleg door erflater wel gerechtigd zijn tot de helft van de waarde van de cryptovaluta op de datum van overlijden van erflater, zoals [eisers c.s.] deze vordering in hun antwoordconclusie van 15 mei 2024 preciseren, is door [gedaagde] niet bestreden. Dit is echter geen reden om [gedaagde] te veroordelen om de inloggegevens van haar rekening te verstrekken – net zoals wanneer iemands goudstaven in de kluis van een ander liggen, die iemand wel recht heeft op afgifte van die goudstaven, maar niet op de sleutel van de kluis – zodat deze vordering bij eindvonnis zal worden afgewezen.
Rekening en verantwoording
2.36.
[eisers c.s.] vorderen dat [gedaagde] wordt veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beleid als executeur, op verbeurte van een dwangsom. Omdat de taak van [gedaagde] als executeur is geëindigd, moet zij inderdaad rekening en verantwoording afleggen over het door haar gevoerde beleid, zodat zij daartoe bij eindvonnis veroordeeld zal worden. De rechtbank ziet geen reden om hieraan een dwangsom te verbinden, omdat [gedaagde] heeft verklaard hier vrijwillig aan te willen meewerken en de rechtbank geen reden heeft om aan de nakoming van die toezegging te twijfelen.
Verklaring van executele en verklaring van erfrecht retourneren
2.37.
[eisers c.s.] vorderen dat [gedaagde] veroordeeld wordt om op verbeurte van dwangsommen de op 25 oktober 2022 verstrekte verklaring van executele en de op 15 mei 2023 verstrekte verklaring van erfrecht aan de notaris te retourneren met bewijs van ontvangst door de notaris en om dit ontvangstbewijs aan [eisers c.s.] te verstrekken. [eisers c.s.] leggen hieraan ten grondslag dat [gedaagde] geen belang meer heeft bij deze verklaringen, omdat zij geen erfgenaam en executeur is, zodat zij deze verklaringen moet teruggeven. De rechtbank is van oordeel dat een juridische grondslag op grond waarvan [gedaagde] gehouden is de verklaringen te retourneren ontbreekt. [eisers c.s.] kunnen bovendien met het eindvonnis een nieuwe verklaring van erfrecht laten opmaken door een notaris en uit de verklaring van erfrecht van 15 mei 2023 volgt al dat de verklaring van executele van 25 oktober 2022 geen effect meer heeft. Het door [eisers c.s.] aan deze vordering ten grondslag gelegde artikel 3:296 BW ten slotte schept zelf geen verplichtingen. Deze vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
Vervolg procedure
2.38.
De rechtbank zal [eisers c.s.] in de gelegenheid stellen om bij akte te reageren op het standpunt van [gedaagde] met betrekking tot de inboedelgoederen zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.33. Afhankelijk van die reactie zal over het vervolg van de procedure worden besloten.
Beoordeling
Hou op ajb.
[17-10-2022 09:00:43] [erflater] : Sorry
[17-10-2022 09:10.21] [erflater] : Ik zal er over ophouden
(…)
[20-10-2022 09:05:31] [erflater] : Ik wil je juist niet nog meer pijn
doen. En dat doe ik op deze manier wel. Excuus, laten we ajb
de beste vrienden blijven.
Als je wilt help ik je waar ik kan.
Take care
[20-10-2022 17:00:08] [gedaagde] . We blijven beste vrienden
2.16.
Volgens [eisers c.s.] was [gedaagde] in de week voor het overlijden van erflater op zoek naar een woning in de buurt van [plaats 2] . [gedaagde] betwist dit niet, maar volgens [gedaagde] blijkt hieruit niet dat de relatie was verbroken, omdat zij en erflater wel vaker naar huizen en grond keken. [eisers c.s.] en ook derden hebben echter verklaard dat [gedaagde] keek naar een woning voor haarzelf in [plaats 2] . Zo heeft [persoon M] (echtgenote van een goede vriend van [eiser 1] ) verklaard dat [gedaagde] haar na het overlijden van erflater heeft verteld dat zij een huis op het oog had in [plaats 2] waar ze naartoe wilde verhuizen. De daarbij volgens [persoon M] ook aanwezige [persoon N] (naar de rechtbank begrijpt eveneens behorend tot de vriendenkring van [eiser 1] ) heeft verklaard dat [gedaagde] haar na het overlijden van erflater heeft verteld dat ze de week voor het overlijden van erflater contact had met een makelaar om een huis te zoeken in [plaats 2] of omgeving, omdat ze niet meer samen met erflater zou wonen. De enkele ontkenning van dit alles door [gedaagde] , die daarbij – anders dan [persoon M] en [persoon N] – een direct eigenbelang heeft, legt hiertegenover naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal.
2.17.
Dat [gedaagde] en erflater nog een afspraak hadden gemaakt bij een relatietherapeut op 26 oktober 2022 en dat die de afspraak heeft geboekt als “intake relatietherapie traject”, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan te nemen dat de relatie nog niet beëindigd was, nu verder niets daarop wijst en de afspraak ook kan zijn ingepland om op een goede manier uit elkaar te gaan. Dat laatste past ook in het beeld dat oprijst uit de stukken, waaronder de onweersproken gebleven e-mail van [persoon A] aan [gedaagde] van 14 februari 2023 – “Ik begreep van [erflater] dat jullie nog wel over relatietherapie gesproken hebben, maar dat het voortzetten van de relatie met [erflater] voor jou niet meer bespreekbaar was.” – en uit [persoon A] verklaring uit september 2023: “Ook gaf hij aan dat [gedaagde] , best in therapie wilde maar dit uitsluitend voor het herstel van [erflater] zou doen. Het besluit dat de relatie gestopt was stond voor [gedaagde] vast.”
Het volgt ook uit de whatsapp-berichten van [gedaagde] zelf. De afspraak was op 18 oktober 2022 gemaakt, terwijl [gedaagde] op 20 oktober 2022 per whatsapp aan erflater schreef dat ze ‘beste vrienden’ zouden blijven. Dat rijmt niet met de stelling van [gedaagde] dat de relatie nog niet over was, maar wel met op een goede manier uit elkaar willen gaan. Voorts hebben [eisers c.s.] hierover een e-mail van 23 maart 2023 aan [gedaagde] geschreven: “Nadat jij het met papa had uitgemaakt was papa vooral heel verdrietig en boos. Verdrietig omdat jij hem ging verlaten en boos omdat hij je plotselinge besluit niet begreep. De weken voorafgaand aan je besluit was er immers geen vuiltje aan de lucht in jullie relatie. Dat jullie een afspraak met een therapeut zouden hebben, was op papa zijn verzoek. Naar jouw zeggen was dit alleen bedoeld om papa te helpen. Je hebt in de laatste week van papa’s leven immers meerdere keren aangegeven dat je niet verder wilde in de relatie met papa.” Dit heeft [gedaagde] in haar reactie van 5 april 2023 niet weersproken, ofschoon dat alleszins in de rede zou hebben gelegen als de relatie juist niet beëindigd was, zoals [gedaagde] thans betoogt. Ten slotte is moeilijk voorstelbaar dat wanneer [gedaagde] , zoals zij nog heeft verklaard, in gesprekken met erflater na 16 oktober 2022 alsnog zou hebben besloten om te trachten de relatie nieuw leven in te blazen met de relatietherapie waarvoor op 18 oktober 2022 een afspraak is gemaakt, erflater, die blijkens het voorgaande in die dagen naar velen open over zijn gevoelens communiceerde, niet ook over die nieuwe en dan reële kans zou hebben gecommuniceerd. Daarvan is echter niets gebleken.
2.18.
[eisers c.s.] hebben voorts nog aangevoerd dat het niet logisch is dat erflater een einde aan zijn leven zou maken als de relatie nog niet definitief over was. [gedaagde] heeft hier ook geen verklaring voor kunnen geven.
2.19.
Gelet op al het voorgaande, in onderling verband beschouwd, kan [gedaagde] niet gevolgd worden in haar - niet langer voldoende gemotiveerde - stelling dat erflater tegen zijn kinderen en later tegen derden alleen maar heeft gezegd dat hij bang was dat de relatie zou eindigen. [gedaagde] kan om dezelfde reden evenmin gevolgd worden in haar stelling dat ze alleen hadden medegedeeld dat ze relatieproblemen hadden en gesprekken voerden over de toekomst van hun relatie. Dit volgt immers niet uit het voorgaande en evenmin uit de door [gedaagde] overgelegde verklaringen van [persoon O] (uitbater van de stamkroeg van erflater en [gedaagde] ), [persoon P] (nicht van erflater) en [persoon Q] (neef van erflater). Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde] dat erflater en zij nu juist aan hun relatie wilden werken en een relatiebreuk wilden voorkomen. Dat de notaris [gedaagde] als erfgenaam heeft aangemerkt in de verklaring van erfrecht van 15 mei 2023 doet aan het voorgaande uiteraard evenmin af, nu de discussie over het erfgenaamschap van [gedaagde] niet voor hem gevoerd is, de notaris zich daarover geen oordeel heeft hoeven vormen en de bewijskracht van de notariële akte daarop niet ziet.
2.20.
Conclusie
De rechtbank kan zich evenwel voorstellen dat partijen, gelet op hetgeen overigens in dit vonnis en in het bijzonder onder 2.21 is overwogen en geoordeeld, in plaats daarvan de gegeven periode benutten om in onderling overleg tot een finale afronding te komen, zodat verdere behandeling en een nader tussen- of eindvonnis niet nodig zijn. In dat geval kunnen zij de rechtbank daarover gezamenlijk berichten op de in het dictum te noemen roldatum.
Ontvangen bedrag uit de nalatenschap van € 13.500,-
2.34.
[eisers c.s.] stellen dat [gedaagde] op 19 november 2022 een bedrag uit de nalatenschap heeft ontvangen van € 13.500,- en dat dit – kennelijk is bedoeld: door de nalatenschap – onverschuldigd aan haar is betaald. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de ontvangst van dit bedrag onvoldoende heeft weersproken, want zij stelt in haar conclusie van antwoord dat zij het saldo van de privérekening destijds eerlijk tussen de kinderen en zichzelf heeft verdeeld, waarbij elk van de kinderen – en de rechtbank begrijpt: ook [gedaagde] zelf – een bedrag van € 13.500,- heeft ontvangen. Omdat [gedaagde] gelet op wat hiervoor is overwogen geen erfgenaam is van erflater, is dit bedrag door de nalatenschap onverschuldigd aan haar betaald. Dit betekent dat [gedaagde] bij eindvonnis veroordeeld zal worden om een bedrag van € 13.500,- aan de erven, [eisers c.s.] , te betalen. De hierover gevorderde wettelijke rente zal daarbij als onbetwist en overeenkomstig de wet worden toegewezen vanaf 19 november 2022.
Cryptovalutarekening
2.35.
De vordering tot het verstrekken van de inlogcodes van de volgens [eisers c.s.] gezamenlijke cryptovalutarekening van erflater en [gedaagde] zal de rechtbank afwijzen, nu niet betwist is dat de rekening slechts gekoppeld is en is geweest aan een privérekening van [gedaagde] en er geen grond bestaat om [eisers c.s.] in staat te stellen het beheer van de cryptovaluta over te nemen. Dat [eisers c.s.] vanwege de inleg door erflater wel gerechtigd zijn tot de helft van de waarde van de cryptovaluta op de datum van overlijden van erflater, zoals [eisers c.s.] deze vordering in hun antwoordconclusie van 15 mei 2024 preciseren, is door [gedaagde] niet bestreden. Dit is echter geen reden om [gedaagde] te veroordelen om de inloggegevens van haar rekening te verstrekken – net zoals wanneer iemands goudstaven in de kluis van een ander liggen, die iemand wel recht heeft op afgifte van die goudstaven, maar niet op de sleutel van de kluis – zodat deze vordering bij eindvonnis zal worden afgewezen.
Rekening en verantwoording
2.36.
[eisers c.s.] vorderen dat [gedaagde] wordt veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde beleid als executeur, op verbeurte van een dwangsom. Omdat de taak van [gedaagde] als executeur is geëindigd, moet zij inderdaad rekening en verantwoording afleggen over het door haar gevoerde beleid, zodat zij daartoe bij eindvonnis veroordeeld zal worden. De rechtbank ziet geen reden om hieraan een dwangsom te verbinden, omdat [gedaagde] heeft verklaard hier vrijwillig aan te willen meewerken en de rechtbank geen reden heeft om aan de nakoming van die toezegging te twijfelen.
Verklaring van executele en verklaring van erfrecht retourneren
2.37.
[eisers c.s.] vorderen dat [gedaagde] veroordeeld wordt om op verbeurte van dwangsommen de op 25 oktober 2022 verstrekte verklaring van executele en de op 15 mei 2023 verstrekte verklaring van erfrecht aan de notaris te retourneren met bewijs van ontvangst door de notaris en om dit ontvangstbewijs aan [eisers c.s.] te verstrekken. [eisers c.s.] leggen hieraan ten grondslag dat [gedaagde] geen belang meer heeft bij deze verklaringen, omdat zij geen erfgenaam en executeur is, zodat zij deze verklaringen moet teruggeven. De rechtbank is van oordeel dat een juridische grondslag op grond waarvan [gedaagde] gehouden is de verklaringen te retourneren ontbreekt. [eisers c.s.] kunnen bovendien met het eindvonnis een nieuwe verklaring van erfrecht laten opmaken door een notaris en uit de verklaring van erfrecht van 15 mei 2023 volgt al dat de verklaring van executele van 25 oktober 2022 geen effect meer heeft. Het door [eisers c.s.] aan deze vordering ten grondslag gelegde artikel 3:296 BW ten slotte schept zelf geen verplichtingen. Deze vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
Vervolg procedure
2.38.
De rechtbank zal [eisers c.s.] in de gelegenheid stellen om bij akte te reageren op het standpunt van [gedaagde] met betrekking tot de inboedelgoederen zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.33. Afhankelijk van die reactie zal over het vervolg van de procedure worden besloten.