Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-16
ECLI:NL:RBROT:2024:14096
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
19,342 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
zaaknummer C/10/662779 / FA RK 23-5415
Beschikking van 16 augustus 2024 over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning) en de vergoedingsrechten
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Kroonen te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk a/d IJssel.
1De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2024. De rechtbank verwijst naar wat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en vergoedingsrechten is opgenomen in die beschikking.
2De verdere beoordeling
2.1.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
2.1.1.
Partijen hebben op 28 augustus 2003 huwelijkse voorwaarden opgesteld en zijn op
29 augustus 2003 getrouwd. De huwelijkse voorwaarden luiden - voor zover hier van belang - als volgt:
“Algehele uitsluiting
Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
(…)
Vergoedingen
Artikel 3
De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.
Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.
Verrekening van inkomsten
Artikel 8
1 . De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hun overgespaarde inkomsten samen te voegen ter verdeling bij helfte.
2. Onder overgespaarde inkomsten wordt hier verstaan de in artikel 5 gedefinieerde inkomsten verminderd met de door de desbetreffende echtgenoot verrichte uitgaven.
3. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die de echtgenoten tijdens het bestaan van de verrekenplicht hebben verkregen.
De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op inkomsten die moeten worden beschouwd als vruchten van vermogen dat door de echtgenoten ten huwelijk is aangebracht of dat krachtens erfopvolging, making of gift is verkregen of op vruchten die worden verkregen uit voor dat vermogen in de plaats getreden goederen.
(…)
Artikel 10
1. Het recht tot het vorderen van deling vervalt in geval van ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed indien deze niet heeft plaatsgehad of (schriftelijk) gevorderd is binnen een jaar te rekenen vanaf de tijdstippen zoals die in artikel 6 lid 3 zijn vastgesteld.
2. Het rechtsvermogen van artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek dat bij het einde van het huwelijk het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, zulks indien alsdan aan de periodieke verrekenplicht niet is voldaan, is niet van toepassing.
3. Ingeval de echtgenoten die tot verrekening verplicht is een onderneming drijft blijft de verrekening jegens de andere echtgenoot achterwege.
Onder onderneming is tevens begrepen een in de vorm van een besloten vennootschap of andere rechtspersoon gedreven onderneming, waarin de desbetreffende echtgenoot de zeggenschap heeft hetzij direct hetzij indirect.”
2.1.2.
De vrouw verzoekt, na wijzigingen:
Primair:
de verdeling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd vast te stellen, overeenkomstig een door de vrouw op te stellen verdeling, na ontvangst door dat de vrouw op grond van de nog van de man te ontvangen volledige opstelling van alle posten van het huwelijksvermogen (met vermelding van de verschillende posten en voorzien van bewijzen), met als peildatum 11 mei 2023;
subsidiair:
een verklaring voor recht te geven dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn vernietigd of worden vernietigd en te bepalen dat tussen partijen moet worden verdeeld, omdat er een huwelijksgemeenschap tussen partijen was, waartoe de vrouw een voorstel zal indienen nadat zij van de man een volledige opstelling van alle posten van het huwelijksvermogen heeft verkregen (met vermelding van de verschillende posten en voorzien van bewijzen) met als peildatum 11 mei 2023;
meer subsidiair:
een verklaring voor recht te geven dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd of wordt vernietigd, zodat de overgespaarde inkomsten van partijen alsnog moeten worden verrekend over de periode van 29 augustus 2003 tot 1 december 2022.
2.1.3.
De man voert gemotiveerd verweer.
Wijze van procederen in strijd met de eisen van de goede procesorde
2.1.4.
De man voert in zijn bericht van 10 mei 2024 aan dat hij de diverse standpunten van de vrouw niet meer kan volgen. Hij constateert dat de vrouw heel vaak wisselt van standpunt, zij lijkt te schieten op alles wat beweegt in de kennelijke hoop met enig argument doel te treffen of zij maakt de situatie onnodig ingewikkeld, zodat eenieder het overzicht verliest. Hij stelt zich op het standpunt dat deze wijze van procederen van de vrouw in strijd is met de goede procesorde. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar standpunten eensluidend formuleert en, als zij deze wijzigt, zij duidelijk meldt wat deze wijzigingen zijn, waar deze op zijn gestoeld, of zij met deze wijzigingen eerdere standpunten laat varen en wat uiteindelijk de gevolgen voor de door haar voorgelegde verzoeken zijn.
2.1.5.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.1.6.
De rechtbank volgt de man in zijn stelling voor zover dit ziet op de wijze van procederen van de vrouw. Het feit dat de vrouw vaak wisselt van standpunten ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning) en de vergoedingsrechten, maakt dat haar standpunten onoverzichtelijk worden. Echter anders dan de man bepleit, leidt dit er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de wijze van procederen van de vrouw in strijd is met de eisen van de goede procesorde. De verzoeken van de vrouw worden daarom inhoudelijk behandeld.
2.1.7.
De vrouw voert ten aanzien van het aanvullend verzoek van de man dat ziet op de echtelijke woning aan dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat dit aanvullend verzoek niet in zijn verzoekschrift is geformuleerd. Volgens de vrouw is dit in strijd met de eisen van de goede procesorde.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.1.22. tot en met 2.1.25.;
3.2.
veroordeelt de man om binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking een bedrag van € 22.689,01 aan de vrouw te voldoen uit hoofde van een vergoedingsrecht op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Siemons, voorzitter en rechter, mr. M.C. Woudstra en mr. I.J. Pieters, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van
mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 16 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.
HR 21 april 2006, LJN AU8938, NJ 2007/395
Zie Vergoedingen in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, mr. drs. J.H. Lieber, paragraaf 7.12, pagina 286.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
zaaknummer C/10/662779 / FA RK 23-5415
Beschikking van 16 augustus 2024 over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning) en de vergoedingsrechten
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Kroonen te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk a/d IJssel.
1De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de (tussen)beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2024. De rechtbank verwijst naar wat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en vergoedingsrechten is opgenomen in die beschikking.
2De verdere beoordeling
2.1.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
2.1.1.
Partijen hebben op 28 augustus 2003 huwelijkse voorwaarden opgesteld en zijn op
29 augustus 2003 getrouwd. De huwelijkse voorwaarden luiden - voor zover hier van belang - als volgt:
“Algehele uitsluiting
Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
(…)
Vergoedingen
Artikel 3
De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.
Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.
Verrekening van inkomsten
Artikel 8
1 . De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hun overgespaarde inkomsten samen te voegen ter verdeling bij helfte.
2. Onder overgespaarde inkomsten wordt hier verstaan de in artikel 5 gedefinieerde inkomsten verminderd met de door de desbetreffende echtgenoot verrichte uitgaven.
3. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die de echtgenoten tijdens het bestaan van de verrekenplicht hebben verkregen.
De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op inkomsten die moeten worden beschouwd als vruchten van vermogen dat door de echtgenoten ten huwelijk is aangebracht of dat krachtens erfopvolging, making of gift is verkregen of op vruchten die worden verkregen uit voor dat vermogen in de plaats getreden goederen.
(…)
Artikel 10
1. Het recht tot het vorderen van deling vervalt in geval van ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed indien deze niet heeft plaatsgehad of (schriftelijk) gevorderd is binnen een jaar te rekenen vanaf de tijdstippen zoals die in artikel 6 lid 3 zijn vastgesteld.
2. Het rechtsvermogen van artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek dat bij het einde van het huwelijk het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, zulks indien alsdan aan de periodieke verrekenplicht niet is voldaan, is niet van toepassing.
3. Ingeval de echtgenoten die tot verrekening verplicht is een onderneming drijft blijft de verrekening jegens de andere echtgenoot achterwege.
Onder onderneming is tevens begrepen een in de vorm van een besloten vennootschap of andere rechtspersoon gedreven onderneming, waarin de desbetreffende echtgenoot de zeggenschap heeft hetzij direct hetzij indirect.”
2.1.2.
De vrouw verzoekt, na wijzigingen:
Primair:
de verdeling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd vast te stellen, overeenkomstig een door de vrouw op te stellen verdeling, na ontvangst door dat de vrouw op grond van de nog van de man te ontvangen volledige opstelling van alle posten van het huwelijksvermogen (met vermelding van de verschillende posten en voorzien van bewijzen), met als peildatum 11 mei 2023;
subsidiair:
een verklaring voor recht te geven dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn vernietigd of worden vernietigd en te bepalen dat tussen partijen moet worden verdeeld, omdat er een huwelijksgemeenschap tussen partijen was, waartoe de vrouw een voorstel zal indienen nadat zij van de man een volledige opstelling van alle posten van het huwelijksvermogen heeft verkregen (met vermelding van de verschillende posten en voorzien van bewijzen) met als peildatum 11 mei 2023;
meer subsidiair:
een verklaring voor recht te geven dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd of wordt vernietigd, zodat de overgespaarde inkomsten van partijen alsnog moeten worden verrekend over de periode van 29 augustus 2003 tot 1 december 2022.
2.1.3.
De man voert gemotiveerd verweer.
Wijze van procederen in strijd met de eisen van de goede procesorde
2.1.4.
De man voert in zijn bericht van 10 mei 2024 aan dat hij de diverse standpunten van de vrouw niet meer kan volgen. Hij constateert dat de vrouw heel vaak wisselt van standpunt, zij lijkt te schieten op alles wat beweegt in de kennelijke hoop met enig argument doel te treffen of zij maakt de situatie onnodig ingewikkeld, zodat eenieder het overzicht verliest. Hij stelt zich op het standpunt dat deze wijze van procederen van de vrouw in strijd is met de goede procesorde. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar standpunten eensluidend formuleert en, als zij deze wijzigt, zij duidelijk meldt wat deze wijzigingen zijn, waar deze op zijn gestoeld, of zij met deze wijzigingen eerdere standpunten laat varen en wat uiteindelijk de gevolgen voor de door haar voorgelegde verzoeken zijn.
2.1.5.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.1.6.
De rechtbank volgt de man in zijn stelling voor zover dit ziet op de wijze van procederen van de vrouw. Het feit dat de vrouw vaak wisselt van standpunten ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime (de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning) en de vergoedingsrechten, maakt dat haar standpunten onoverzichtelijk worden. Echter anders dan de man bepleit, leidt dit er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de wijze van procederen van de vrouw in strijd is met de eisen van de goede procesorde. De verzoeken van de vrouw worden daarom inhoudelijk behandeld.
2.1.7.
De vrouw voert ten aanzien van het aanvullend verzoek van de man dat ziet op de echtelijke woning aan dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat dit aanvullend verzoek niet in zijn verzoekschrift is geformuleerd. Volgens de vrouw is dit in strijd met de eisen van de goede procesorde.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
gelast de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.1.22. tot en met 2.1.25.;
3.2.
veroordeelt de man om binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking een bedrag van € 22.689,01 aan de vrouw te voldoen uit hoofde van een vergoedingsrecht op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Siemons, voorzitter en rechter, mr. M.C. Woudstra en mr. I.J. Pieters, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van
mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 16 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.
HR 21 april 2006, LJN AU8938, NJ 2007/395
Zie Vergoedingen in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, mr. drs. J.H. Lieber, paragraaf 7.12, pagina 286.
Inleiding
2.1.8.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.9.
Gebleken is dat de man op 11 mei 2023 zijn verzoekschrift heeft ingediend en op
15 september 2023 zijn verweerschrift op de zelfstandige verzoeken tevens aanvullend verzoek heeft ingediend. De vrouw heeft bij verweerschrift op aanvullend verzoek van
23 oktober 2023 verweer gevoerd. De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2024 plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw niet onredelijk bemoeilijkt of belemmerd in haar verweer. De rechtbank acht deze wijze van procederen niet in strijd met de goede procesorde. Het aanvullend verzoek van de man wordt daarom inhoudelijk behandeld.
Het primaire verzoek van de vrouw: verdeling gemeenschap van goederen
2.1.10.
De vrouw stelt primair dat partijen hebben samengeleefd alsof er een gemeenschap van goederen tijdens het huwelijk (en de samenwoning van partijen) is geweest en dat daarom de huwelijksgemeenschap moet worden verdeeld. Partijen waren zich niet bewust van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden (“zij waren deze vergeten”) en hebben vanaf dag één van hun huwelijk geleefd en gehandeld alsof er een gemeenschap van goederen was.
2.1.11.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.12.
De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde gronden niet leiden tot het door haar gewenste rechtsgevolg, te weten dat de huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing moeten worden gelaten en er sprake is van een huwelijksgemeenschap die moet worden verdeeld. Wanneer tussen partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, kan een andersluidende partijbedoeling, die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen de echtgenoten zou inhouden niet in de plaats treden van die voorwaarden zonder dat deze in een notariële akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd. Een dergelijke gemeenschappelijke partijbedoeling die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen echtgenoten inhoudt, moet ook worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarden in de zin van artikel 1:114 BW. Wel kunnen partijen hetzij in die huwelijkse voorwaarden, hetzij bij echtscheidingsconvenant en dus in onderling overleg, overeenkomen dat zij bij ontbinding van het huwelijk zullen afrekenen alsof tussen hen een gemeenschap van goederen bestond. Dat laatste is niet gesteld en gebleken. Ook kan het zo zijn dat een – als gevolg van tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden – geldende regel buiten toepassing moet blijven wanneer toepassing van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, waarbij de rechtbank de nodige terughoudendheid moet betrachten. Daarbij kan betekenis toekomen aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, dat afweek van de huwelijkse voorwaarden. Op diegene die zich beroept op het buiten toepassing laten van een of meerdere regels die zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden rust de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast. De stelling van de vrouw dat partijen zich niet bewust zijn geweest van de huwelijkse voorwaarden en dat zij vanaf dag één van hun huwelijk hebben geleefd en gehandeld alsof er een gemeenschap van goederen was, is na betwisting hiervan door de man, onvoldoende voor het oordeel dat toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het primaire verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.
Het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vrouw: een verklaring voor recht dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd respectievelijk worden vernietigd of een verklaring voor recht dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd respectievelijk wordt vernietigd
2.1.13.
De vrouw stelt subsidiair dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of worden vernietigd, omdat artikel 8 en artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden onderling tegenstrijdig zijn. Zij stelt meer subsidiair dat de man er niet op mocht vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het rechtsgevolg van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, zodat dit artikel is vernietigd of wordt vernietigd en alsnog de overgespaarde inkomsten moeten worden verrekend.
2.1.14.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.15.
De rechtbank oordeelt eerst over het gedeelte van het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de zinssnede dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd. Het lijkt erop dat de vrouw hiermee bedoelt te stellen dat de huwelijkse voorwaarden al zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden al is vernietigd. Een rechtshandeling kan onder andere vernietigd worden buiten de rechtbank om door een buitengerechtelijke vernietiging op grond van artikel 3:50 BW. Een buitengerechtelijke verklaring die strekt tot vernietiging van een rechtshandeling heeft slechts het daarmee beoogde rechtsgevolg wanneer voldaan is aan de eisen die voor de ingeroepen vernietigingsgrond gelden. Niet gesteld en gebleken is dat de vrouw de huwelijkse voorwaarden buitengerechtelijk heeft vernietigd en op welke rechtsgrond(en) zij dit dan zou hebben gedaan. De verzoeken van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd, zal dus worden afgewezen.
2.1.16.
Vervolgens oordeelt de rechtbank over het gedeelte van het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de zinssnede dat de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd. De vrouw neemt in haar processtukken veel stellingen in die door de man worden betwist. Zo stelt de vrouw dat bij de uitleg van de huwelijke voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden het Haviltex-criterium moet worden toegepast. Wat hier ook van zij, zoals de vrouw al stelt, het Haviltex-criterium ziet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het opstellen van deze voorwaarden. Daarop ziet dit verzoek van de vrouw niet. Zij heeft geen grond(en) voor de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden of vernietiging van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden gesteld. Het had op de weg van de vrouw gelegen om in haar vele stellingen een rechtsgrond in te nemen. De rechtbank ziet in de gestelde feiten geen rechtsgrond die kan leiden tot een vernietiging. De verzoeken van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd zodat de overgespaarde inkomsten van partijen alsnog moeten worden verrekend, worden afgewezen. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan een bewijsopdracht.
De verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning
2.1.17.
De rechtbank constateert dat partijen in artikel 1 van hun huwelijkse voorwaarden elke huwelijksgoederengemeenschap hebben uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen uitsluitend een eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning bestaat waarop titel 7 van boek 3 BW van toepassing is.
2.1.18.
De man verzoekt:
I.
Inleiding
2.1.8.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.9.
Gebleken is dat de man op 11 mei 2023 zijn verzoekschrift heeft ingediend en op
15 september 2023 zijn verweerschrift op de zelfstandige verzoeken tevens aanvullend verzoek heeft ingediend. De vrouw heeft bij verweerschrift op aanvullend verzoek van
23 oktober 2023 verweer gevoerd. De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2024 plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrouw niet onredelijk bemoeilijkt of belemmerd in haar verweer. De rechtbank acht deze wijze van procederen niet in strijd met de goede procesorde. Het aanvullend verzoek van de man wordt daarom inhoudelijk behandeld.
Het primaire verzoek van de vrouw: verdeling gemeenschap van goederen
2.1.10.
De vrouw stelt primair dat partijen hebben samengeleefd alsof er een gemeenschap van goederen tijdens het huwelijk (en de samenwoning van partijen) is geweest en dat daarom de huwelijksgemeenschap moet worden verdeeld. Partijen waren zich niet bewust van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden (“zij waren deze vergeten”) en hebben vanaf dag één van hun huwelijk geleefd en gehandeld alsof er een gemeenschap van goederen was.
2.1.11.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.12.
De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde gronden niet leiden tot het door haar gewenste rechtsgevolg, te weten dat de huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing moeten worden gelaten en er sprake is van een huwelijksgemeenschap die moet worden verdeeld. Wanneer tussen partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, kan een andersluidende partijbedoeling, die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen de echtgenoten zou inhouden niet in de plaats treden van die voorwaarden zonder dat deze in een notariële akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd. Een dergelijke gemeenschappelijke partijbedoeling die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen echtgenoten inhoudt, moet ook worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarden in de zin van artikel 1:114 BW. Wel kunnen partijen hetzij in die huwelijkse voorwaarden, hetzij bij echtscheidingsconvenant en dus in onderling overleg, overeenkomen dat zij bij ontbinding van het huwelijk zullen afrekenen alsof tussen hen een gemeenschap van goederen bestond. Dat laatste is niet gesteld en gebleken. Ook kan het zo zijn dat een – als gevolg van tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden – geldende regel buiten toepassing moet blijven wanneer toepassing van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, waarbij de rechtbank de nodige terughoudendheid moet betrachten. Daarbij kan betekenis toekomen aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, dat afweek van de huwelijkse voorwaarden. Op diegene die zich beroept op het buiten toepassing laten van een of meerdere regels die zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden rust de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast. De stelling van de vrouw dat partijen zich niet bewust zijn geweest van de huwelijkse voorwaarden en dat zij vanaf dag één van hun huwelijk hebben geleefd en gehandeld alsof er een gemeenschap van goederen was, is na betwisting hiervan door de man, onvoldoende voor het oordeel dat toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het primaire verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.
Het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de vrouw: een verklaring voor recht dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd respectievelijk worden vernietigd of een verklaring voor recht dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd respectievelijk wordt vernietigd
2.1.13.
De vrouw stelt subsidiair dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of worden vernietigd, omdat artikel 8 en artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden onderling tegenstrijdig zijn. Zij stelt meer subsidiair dat de man er niet op mocht vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het rechtsgevolg van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, zodat dit artikel is vernietigd of wordt vernietigd en alsnog de overgespaarde inkomsten moeten worden verrekend.
2.1.14.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.15.
De rechtbank oordeelt eerst over het gedeelte van het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de zinssnede dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd. Het lijkt erop dat de vrouw hiermee bedoelt te stellen dat de huwelijkse voorwaarden al zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden al is vernietigd. Een rechtshandeling kan onder andere vernietigd worden buiten de rechtbank om door een buitengerechtelijke vernietiging op grond van artikel 3:50 BW. Een buitengerechtelijke verklaring die strekt tot vernietiging van een rechtshandeling heeft slechts het daarmee beoogde rechtsgevolg wanneer voldaan is aan de eisen die voor de ingeroepen vernietigingsgrond gelden. Niet gesteld en gebleken is dat de vrouw de huwelijkse voorwaarden buitengerechtelijk heeft vernietigd en op welke rechtsgrond(en) zij dit dan zou hebben gedaan. De verzoeken van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd, zal dus worden afgewezen.
2.1.16.
Vervolgens oordeelt de rechtbank over het gedeelte van het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de zinssnede dat de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd. De vrouw neemt in haar processtukken veel stellingen in die door de man worden betwist. Zo stelt de vrouw dat bij de uitleg van de huwelijke voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden het Haviltex-criterium moet worden toegepast. Wat hier ook van zij, zoals de vrouw al stelt, het Haviltex-criterium ziet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het opstellen van deze voorwaarden. Daarop ziet dit verzoek van de vrouw niet. Zij heeft geen grond(en) voor de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden of vernietiging van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden gesteld. Het had op de weg van de vrouw gelegen om in haar vele stellingen een rechtsgrond in te nemen. De rechtbank ziet in de gestelde feiten geen rechtsgrond die kan leiden tot een vernietiging. De verzoeken van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd zodat de overgespaarde inkomsten van partijen alsnog moeten worden verrekend, worden afgewezen. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan een bewijsopdracht.
De verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning
2.1.17.
De rechtbank constateert dat partijen in artikel 1 van hun huwelijkse voorwaarden elke huwelijksgoederengemeenschap hebben uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen uitsluitend een eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning bestaat waarop titel 7 van boek 3 BW van toepassing is.
2.1.18.
De man verzoekt:
I.
Inleiding
de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na datum van de te geven beschikking de verkoopopdracht ten aanzien van de woning aan [adres 1] te verstrekken aan [makelaar 1] of [makelaar 2] beide te Bergschenhoek of aan [makelaar 3] te Berkel en Rodenrijs met de bepaling dat als partijen niet binnen deze periode tot overeenstemming komen over de verkopend makelaar, de man gemachtigd zal zijn om de verkoopdracht aan een van deze kantoren te verstrekken;
II. te bepalen dat de vrouw haar medewerking zal moeten verlenen aan verkoop van de woning, door te gehengen en te gedogen al hetgeen de door de man aan te stellen makelaar noodzakelijk acht voor een juiste verkoop, waaronder het ter hand stellen van een sleutel van de woning aan de makelaar of het makelaarskantoor en het voor het maken van foto's en bezichtigingen gereed maken van de woning, zulks onder het dragen van de helft van de daarmee gemoeide kosten;
III. te bepalen dat wanneer de vrouw haar medewerking weigert aan het ondertekenen van een akte, althans een verkoopopdracht en/of een verkoopovereenkomst deze te geven beschikking dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de vrouw van de verkoopopdracht en/of verkoopovereenkomst, althans dat deze te geven beschikking in de plaats van de handtekening van de vrouw zal treden;
IV. te bepalen dat wanneer de vrouw haar medewerking weigert aan het passeren van een akte strekkende tot levering van voornoemde woning, deze te geven beschikking dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de vrouw van de akte, althans dat deze te geven beschikking in plaats van de handtekening van de vrouw zal treden;
IV. te bepalen dat de vrouw de uiterlijk één week voor de dag dat de akte tot levering zal worden gepasseerd de woning met al de haren zal moeten verlaten en ontruimen, en ontruimd zal moeten houden.
2.1.19.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.1.20.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank te kennen gegeven dat de verzoeken van de man gezien kunnen worden als een verzoek de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning te verdelen. Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van deze eenvoudige gemeenschap. De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten, rekening houdend naar billijkheid met zowel de belangen van partijen als het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
2.1.21.
De peildatum van de omvang en waardering van de eenvoudige gemeenschap is in beginsel de datum van feitelijke verdeling. Uit hetgeen door partijen is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat van deze datum wordt afgeweken, maar hiervan is niet gebleken.
2.1.22.
Bij beschikking van 5 juli 2024 heeft de vrouw voor de duur van zes maanden het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gekregen. Partijen krijgen aan de hand van deze beschikking duidelijkheid over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. De vrouw kan op grond van de wet nog maximaal zes maanden (te rekenen van de datum van voornoemde beschikking) of mogelijk negen maanden (als de echtscheidingsbeschikking niet eerder wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand) in de echtelijke woning verblijven. De vrouw kan dus in de aankomende periode onderzoeken of zij de toedeling van de echtelijke woning kan financieren. In dit stadium van de procedure acht de rechtbank toewijzing van de verzoeken van de man zoals genoemd onder I., III., IV. en V. ten aanzien van de verkoop van de woning nog niet aan de orde. Niet is gebleken dat de vrouw haar medewerking niet verleent aan de handelingen die nodig zijn bij de verkoop van de echtelijke woning wanneer blijkt dat zij de toedeling van de echtelijke woning niet kan financieren. Ten aanzien van het verzoek van de man onder II. geeft de rechtbank partijen in rechtsoverweging 2.1.23. en 2.1.24. een spoorboekje mee om verdere geschillen over de toedeling van de woning aan de vrouw of de verkoop van de woning aan een derde te voorkomen. De rechtbank acht het in het belang van partijen dat over zes of negen maanden duidelijk is of de woning aan de vrouw toegedeeld kan worden of de woning aan een derde verkocht moet worden. Van de man kan na die periode niet langer verwacht worden om in een onverdeeldheid te blijven.
Spoorboekje voor toedeling van de woning aan de vrouw of verkoop van de woning aan een derde
2.1.23.
De vrouw krijgt eerst de mogelijkheid om te onderzoeken of zij de financiering van de echtelijke woning rond kan krijgen. Hiervoor moet eerst de waarde van de echtelijke woning tussen partijen onderling worden vastgesteld. Wanneer partijen het niet eens worden over de waarde waartegen de echtelijke woning aan de vrouw kan worden toegedeeld, moet de woning eerst getaxeerd worden. Partijen moeten zich in dat geval gezamenlijk tot een makelaar wenden. Wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen taxatiemakelaar van de woning, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de taxerende makelaar. Vervolgens deelt de vrouw binnen twee weken na de taxatie, of zij de woning toegedeeld wil krijgen tegen de getaxeerde waarde. Wanneer de vrouw dat wil, zal de woning voor die waarde worden toegedeeld aan haar, onder de voorwaarde dat zij binnen vier maanden (na de termijn van de mededeling of zij de woning toegedeeld wil krijgen) de financiering rond heeft, zodanig dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
2.1.24.
Wanneer het de vrouw niet lukt om de financiering binnen vier maanden (na de termijn van de mededeling of zij de woning toegedeeld wil krijgen) rond te krijgen, dan zal de woning verkocht worden. De rechtbank bepaalt dat de verkoop geschiedt op de volgende manier. Binnen twee weken na de mededeling van de vrouw dat zij de financiering niet rond krijgt, selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan geplande bezichtigingen,
zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
het tekenen van de koopovereenkomst,
het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
Inleiding
de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na datum van de te geven beschikking de verkoopopdracht ten aanzien van de woning aan [adres 1] te verstrekken aan [makelaar 1] of [makelaar 2] beide te Bergschenhoek of aan [makelaar 3] te Berkel en Rodenrijs met de bepaling dat als partijen niet binnen deze periode tot overeenstemming komen over de verkopend makelaar, de man gemachtigd zal zijn om de verkoopdracht aan een van deze kantoren te verstrekken;
II. te bepalen dat de vrouw haar medewerking zal moeten verlenen aan verkoop van de woning, door te gehengen en te gedogen al hetgeen de door de man aan te stellen makelaar noodzakelijk acht voor een juiste verkoop, waaronder het ter hand stellen van een sleutel van de woning aan de makelaar of het makelaarskantoor en het voor het maken van foto's en bezichtigingen gereed maken van de woning, zulks onder het dragen van de helft van de daarmee gemoeide kosten;
III. te bepalen dat wanneer de vrouw haar medewerking weigert aan het ondertekenen van een akte, althans een verkoopopdracht en/of een verkoopovereenkomst deze te geven beschikking dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de vrouw van de verkoopopdracht en/of verkoopovereenkomst, althans dat deze te geven beschikking in de plaats van de handtekening van de vrouw zal treden;
IV. te bepalen dat wanneer de vrouw haar medewerking weigert aan het passeren van een akte strekkende tot levering van voornoemde woning, deze te geven beschikking dezelfde kracht heeft als de ondertekening door de vrouw van de akte, althans dat deze te geven beschikking in plaats van de handtekening van de vrouw zal treden;
IV. te bepalen dat de vrouw de uiterlijk één week voor de dag dat de akte tot levering zal worden gepasseerd de woning met al de haren zal moeten verlaten en ontruimen, en ontruimd zal moeten houden.
2.1.19.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.1.20.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank te kennen gegeven dat de verzoeken van de man gezien kunnen worden als een verzoek de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning te verdelen. Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van deze eenvoudige gemeenschap. De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten, rekening houdend naar billijkheid met zowel de belangen van partijen als het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
2.1.21.
De peildatum van de omvang en waardering van de eenvoudige gemeenschap is in beginsel de datum van feitelijke verdeling. Uit hetgeen door partijen is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat van deze datum wordt afgeweken, maar hiervan is niet gebleken.
2.1.22.
Bij beschikking van 5 juli 2024 heeft de vrouw voor de duur van zes maanden het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gekregen. Partijen krijgen aan de hand van deze beschikking duidelijkheid over de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. De vrouw kan op grond van de wet nog maximaal zes maanden (te rekenen van de datum van voornoemde beschikking) of mogelijk negen maanden (als de echtscheidingsbeschikking niet eerder wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand) in de echtelijke woning verblijven. De vrouw kan dus in de aankomende periode onderzoeken of zij de toedeling van de echtelijke woning kan financieren. In dit stadium van de procedure acht de rechtbank toewijzing van de verzoeken van de man zoals genoemd onder I., III., IV. en V. ten aanzien van de verkoop van de woning nog niet aan de orde. Niet is gebleken dat de vrouw haar medewerking niet verleent aan de handelingen die nodig zijn bij de verkoop van de echtelijke woning wanneer blijkt dat zij de toedeling van de echtelijke woning niet kan financieren. Ten aanzien van het verzoek van de man onder II. geeft de rechtbank partijen in rechtsoverweging 2.1.23. en 2.1.24. een spoorboekje mee om verdere geschillen over de toedeling van de woning aan de vrouw of de verkoop van de woning aan een derde te voorkomen. De rechtbank acht het in het belang van partijen dat over zes of negen maanden duidelijk is of de woning aan de vrouw toegedeeld kan worden of de woning aan een derde verkocht moet worden. Van de man kan na die periode niet langer verwacht worden om in een onverdeeldheid te blijven.
Spoorboekje voor toedeling van de woning aan de vrouw of verkoop van de woning aan een derde
2.1.23.
De vrouw krijgt eerst de mogelijkheid om te onderzoeken of zij de financiering van de echtelijke woning rond kan krijgen. Hiervoor moet eerst de waarde van de echtelijke woning tussen partijen onderling worden vastgesteld. Wanneer partijen het niet eens worden over de waarde waartegen de echtelijke woning aan de vrouw kan worden toegedeeld, moet de woning eerst getaxeerd worden. Partijen moeten zich in dat geval gezamenlijk tot een makelaar wenden. Wanneer partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aan te stellen taxatiemakelaar van de woning, bepaalt de rechtbank dat dit geschiedt op de volgende manier: binnen twee weken na deze beschikking selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de taxerende makelaar. Vervolgens deelt de vrouw binnen twee weken na de taxatie, of zij de woning toegedeeld wil krijgen tegen de getaxeerde waarde. Wanneer de vrouw dat wil, zal de woning voor die waarde worden toegedeeld aan haar, onder de voorwaarde dat zij binnen vier maanden (na de termijn van de mededeling of zij de woning toegedeeld wil krijgen) de financiering rond heeft, zodanig dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
2.1.24.
Wanneer het de vrouw niet lukt om de financiering binnen vier maanden (na de termijn van de mededeling of zij de woning toegedeeld wil krijgen) rond te krijgen, dan zal de woning verkocht worden. De rechtbank bepaalt dat de verkoop geschiedt op de volgende manier. Binnen twee weken na de mededeling van de vrouw dat zij de financiering niet rond krijgt, selecteert de vrouw drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen:
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan geplande bezichtigingen,
zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
het tekenen van de koopovereenkomst,
het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
Inleiding
Bij dit alles geldt nog het volgende:
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte (ook de kosten van de notaris),
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.
2.1.25.
Op grond van artikel 3:166 lid 2 BW zijn de aandelen van de deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen van hen in de echtelijke woning gelijk zijn. Ook is de rechtbank niet gebleken dat tussen partijen in geschil is dat ieder van hen recht heeft op de helft van de waarde op het moment van verdeling. De vrouw stelt alleen dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft, omdat zij met privégeld afgelost heeft op een gezamenlijke schuld van een voormalige echtelijke woning. De rechtbank zal over dit geschilpunt bij de vergoedingsrechten oordelen. In het kader van de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning oordeelt de rechtbank dat de overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning minus (verkoop)kosten) tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld.
2.1.26.
De rechtbank gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning zoals hierboven is geoordeeld. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
2.2.
Vergoedingsrechten
Verzoek van de vrouw: vergoedingsrecht van € 22.000,-
2.2.1.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om binnen één maand na het geven van deze beschikking aan haar te betalen een bedrag van € 22.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2024 tot aan de datum van voldoening. Zij stelt dat zij in december 2007 en in december 2013 schenkingen van haar vader onder uitsluitingsclausule heeft gekregen, en dat de gelden van die schenking door de man zijn aangewend ter volstorting van de aandelen van zijn net opgerichte persoonlijke holding, [bedrijf] . Tot op heden zijn die gelden door de man niet aan de vrouw terugbetaald. Daarmee is een vergoedingsrecht voor de vrouw ontstaan op grond van het bepaalde in artikel 1:87 BW.
2.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.2.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw gelden van haar vader geschonken heeft gekregen. Of de vrouw de schenkingen wel of niet onder uitsluitingsclausule geschonken heeft gekregen doet er niet toe, omdat partijen onder het maken van huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. Gelet op het verweer van de man is uit verifieerbare bescheiden echter niet gebleken dat de geschonken gelden zijn aangewend ter volstorting van de aandelen van de door de man opgerichte holding. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de vrouw op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsrecht heeft op de man. Voor zover de vrouw heeft willen stellen dat de aandelen zijn volgestort met overgespaard inkomen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Immers, de huwelijkse voorwaarden zijn of worden niet vernietigd en verrekening van overgespaard inkomen wordt op grond van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden uitgesloten. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Verzoek van de vrouw: vergoedingsrecht van € 187.000,-
2.2.4.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om binnen één maand na het geven van deze beschikking aan haar te betalen een bedrag van € 187.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2024 tot aan de datum van voldoening.
Op 1 oktober 2001 heeft de vader van de vrouw een hypothecaire geldlening van
fl. 100.000,- aan partijen verstrekt ter aanschaf van de voormalige woning van partijen. Op 24 december 2013 heeft de vader van de vrouw onder uitsluitingsclausule een bedrag van
€ 45.378,02 aan haar geschonken. Daarmee heeft de vrouw de hypothecaire geldlening van partijen bij de vader van de vrouw afgelost. Gelet op de datum van die schenking
(na 1 januari 2012) moet dat bedrag op grond van artikel 1:87 BW naar rato van de waarde van de huidige echtelijke woning worden berekend. Ten tijde van de schenking
(24 december 2013) is het bedrag gaan behoren tot de waarde van de woning aan [adres 2] . Deze woning had op 1 januari 2014 een WOZ-waarde € 209.000,-. Volgens de vrouw bedraagt de door gedane aflossing met privégeld een percentage van 22% in die waarde. De investering van de vrouw is meegegaan naar de financiering van de huidige echtelijke woning. De waarde van de huidige echtelijke woning aan de [adres 1] is te stellen op € 850.000,-. De vrouw stelt dat de man € 187.000,- (22% van € 850.000,-) aan haar moet voldoen.
2.2.5.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een geldlening bij de vader van de vrouw zijn aangegaan ter aanschaf van de voormalige woning, dat de vrouw in december 2013 een schenking onder uitsluitingsclausule van € 45.378,02 van haar vader heeft ontvangen en dat deze is aangewend om de lening van partijen bij de vader van de vrouw tot datzelfde bedrag af te lossen. In geschil is echter of artikel 1:87 BW op deze vermogensverschuiving van toepassing is.
2.2.7.
Partijen hebben in 2003 huwelijkse voorwaarden opgesteld. Tot 2012 gaf de wet geen rechtstreeks antwoord op de vraag of in deze gevallen een recht op een vergoedingsrecht ontstaat en hoe groot die vergoeding is; de rechtspraak wel. Met ingang van 2012 is deze rechtspraak voor een deel gecodificeerd in artikel 1:87 BW. In dit artikel is een regeling opgenomen voor vergoedingsrechten die zien op vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld. De rechtbank stelt voorop dat naast de in artikel 1:87 BW genoemde situaties (meestal: echtgenotenzijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap en echtgenoot A verkrijgt een registergoed met privégelden van echtgenoot B) de Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook een vergoedingsrecht kan ontstaan in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door de echtgenoten van een gemeenschappelijk goed (in de vorm van een eenvoudige gemeenschap) en een echtgenoot met zijn privévermogen een groter deel van de tegenprestatie heeft voldaan dan correspondeert met zijn aandeel in dat goed.
Inleiding
Bij dit alles geldt nog het volgende:
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
partijen dragen de aan de verkoop verbonden kosten ieder bij helfte (ook de kosten van de notaris),
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers,
met de verkoopopbrengst van de woning en de opbrengst van de polissen die zijn gekoppeld aan de hypothecaire lening wordt de hypothecaire lening afgelost. Als na aflossing een hypothecaire schuld resteert, dragen partijen deze gelijkelijk. Als na aflossing een overwaarde resteert, verdelen partijen deze gelijkelijk.
2.1.25.
Op grond van artikel 3:166 lid 2 BW zijn de aandelen van de deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen van hen in de echtelijke woning gelijk zijn. Ook is de rechtbank niet gebleken dat tussen partijen in geschil is dat ieder van hen recht heeft op de helft van de waarde op het moment van verdeling. De vrouw stelt alleen dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft, omdat zij met privégeld afgelost heeft op een gezamenlijke schuld van een voormalige echtelijke woning. De rechtbank zal over dit geschilpunt bij de vergoedingsrechten oordelen. In het kader van de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning oordeelt de rechtbank dat de overwaarde (getaxeerde waarde of verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning minus (verkoop)kosten) tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld.
2.1.26.
De rechtbank gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning zoals hierboven is geoordeeld. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
2.2.
Vergoedingsrechten
Verzoek van de vrouw: vergoedingsrecht van € 22.000,-
2.2.1.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om binnen één maand na het geven van deze beschikking aan haar te betalen een bedrag van € 22.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2024 tot aan de datum van voldoening. Zij stelt dat zij in december 2007 en in december 2013 schenkingen van haar vader onder uitsluitingsclausule heeft gekregen, en dat de gelden van die schenking door de man zijn aangewend ter volstorting van de aandelen van zijn net opgerichte persoonlijke holding, [bedrijf] . Tot op heden zijn die gelden door de man niet aan de vrouw terugbetaald. Daarmee is een vergoedingsrecht voor de vrouw ontstaan op grond van het bepaalde in artikel 1:87 BW.
2.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.2.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw gelden van haar vader geschonken heeft gekregen. Of de vrouw de schenkingen wel of niet onder uitsluitingsclausule geschonken heeft gekregen doet er niet toe, omdat partijen onder het maken van huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. Gelet op het verweer van de man is uit verifieerbare bescheiden echter niet gebleken dat de geschonken gelden zijn aangewend ter volstorting van de aandelen van de door de man opgerichte holding. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de vrouw op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsrecht heeft op de man. Voor zover de vrouw heeft willen stellen dat de aandelen zijn volgestort met overgespaard inkomen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Immers, de huwelijkse voorwaarden zijn of worden niet vernietigd en verrekening van overgespaard inkomen wordt op grond van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden uitgesloten. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Verzoek van de vrouw: vergoedingsrecht van € 187.000,-
2.2.4.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen om binnen één maand na het geven van deze beschikking aan haar te betalen een bedrag van € 187.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 mei 2024 tot aan de datum van voldoening.
Op 1 oktober 2001 heeft de vader van de vrouw een hypothecaire geldlening van
fl. 100.000,- aan partijen verstrekt ter aanschaf van de voormalige woning van partijen. Op 24 december 2013 heeft de vader van de vrouw onder uitsluitingsclausule een bedrag van
€ 45.378,02 aan haar geschonken. Daarmee heeft de vrouw de hypothecaire geldlening van partijen bij de vader van de vrouw afgelost. Gelet op de datum van die schenking
(na 1 januari 2012) moet dat bedrag op grond van artikel 1:87 BW naar rato van de waarde van de huidige echtelijke woning worden berekend. Ten tijde van de schenking
(24 december 2013) is het bedrag gaan behoren tot de waarde van de woning aan [adres 2] . Deze woning had op 1 januari 2014 een WOZ-waarde € 209.000,-. Volgens de vrouw bedraagt de door gedane aflossing met privégeld een percentage van 22% in die waarde. De investering van de vrouw is meegegaan naar de financiering van de huidige echtelijke woning. De waarde van de huidige echtelijke woning aan de [adres 1] is te stellen op € 850.000,-. De vrouw stelt dat de man € 187.000,- (22% van € 850.000,-) aan haar moet voldoen.
2.2.5.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een geldlening bij de vader van de vrouw zijn aangegaan ter aanschaf van de voormalige woning, dat de vrouw in december 2013 een schenking onder uitsluitingsclausule van € 45.378,02 van haar vader heeft ontvangen en dat deze is aangewend om de lening van partijen bij de vader van de vrouw tot datzelfde bedrag af te lossen. In geschil is echter of artikel 1:87 BW op deze vermogensverschuiving van toepassing is.
2.2.7.
Partijen hebben in 2003 huwelijkse voorwaarden opgesteld. Tot 2012 gaf de wet geen rechtstreeks antwoord op de vraag of in deze gevallen een recht op een vergoedingsrecht ontstaat en hoe groot die vergoeding is; de rechtspraak wel. Met ingang van 2012 is deze rechtspraak voor een deel gecodificeerd in artikel 1:87 BW. In dit artikel is een regeling opgenomen voor vergoedingsrechten die zien op vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld. De rechtbank stelt voorop dat naast de in artikel 1:87 BW genoemde situaties (meestal: echtgenotenzijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap en echtgenoot A verkrijgt een registergoed met privégelden van echtgenoot B) de Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook een vergoedingsrecht kan ontstaan in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door de echtgenoten van een gemeenschappelijk goed (in de vorm van een eenvoudige gemeenschap) en een echtgenoot met zijn privévermogen een groter deel van de tegenprestatie heeft voldaan dan correspondeert met zijn aandeel in dat goed.
Inleiding
2.2.8.
Artikel 1:87 BW kan dus ook van toepassing zijn op deze eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning. In artikel 1:87 lid 4 BW is echter opgenomen dat echtgenoten bij overeenkomst kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste lid tot en met het derde lid van dit artikel. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden afspraken gemaakt over vergoedingen bij vermogensverschuivingen. Dat betekent dat artikel 1:87 BW (dat van regelend recht is) hier niet van toepassing is. De vermogensverschuiving houdt in dat de vrouw een schuld heeft betaald die de man voor de helft moet dragen. Toepassing van artikel 3 huwelijkse voorwaarden houdt in dat “aan het vermogen van de vrouw een bedrag van de helft van die schuld (€ 45.378,02 : 2 = € 22.689,01) is onttrokken ten bate van de man en het bedrag van die onttrekking ‘ten dage van de onttrekking’ € 22.689,01 was”. Niet gesteld en gebleken is dat partijen in de huwelijkse voorwaarden bewust hebben willen afwijken van de regels over vergoedingsrechten die per 2012 gelden of slechts hebben willen bevestigen wat gold op het moment van het maken van de huwelijkse voorwaarden. Concluderend heeft de vrouw een vergoedingsrecht op de man van € 22.689,01. In artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat de vergoeding terstond opeisbaar is. De rechtbank is, gelet op de verzoeken van partijen en de wijze waarop deze verzoeken ook afzonderlijk worden behandeld, van oordeel dat het vergoedingsrecht los staat van de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning. Omdat de rechtbank in deze beschikking oordeelt over de afwikkeling van de huwelijksvermogensregime van partijen, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is dat het vergoedingsrecht met ingang van de datum van deze beschikking opeisbaar is met in acht name van een redelijke betalingstermijn van veertien dagen na het geven van deze beschikking.
2.2.9.
De vrouw verzoekt het aan de man op te leggen vergoedingsrecht vanaf 2 mei 2024 tot aan de voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente. Over de vergoeding is tot de datum van deze beschikking geen rente verschuldigd, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. In artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden hebben partijen geen afspraken over de wettelijke rente gemaakt. Het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de periode vanaf 2 mei 2024 tot de datum van deze beschikking heeft dus geen rechtsgrond en zal worden afgewezen. De man is op grond van artikel 6:119 BW en artikel 6:83 BW de wettelijke rente verschuldigd, zolang hij in verzuim is de vergoeding te betalen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verschuldigdheid van rente vanaf het moment dat de man na de datum van deze beschikking en na in acht name van een redelijke betalingstermijn van veertien dagen, in verzuim is geraakt.
Verzoek van de man: vergoedingsrecht van € 130.000,-
2.2.10.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen om aan hem bij de overdracht van de echtelijke woning een bedrag ter grootte van 10,50% van de verkoopprijs te voldoen. De man stelt dat hij uitvoerige verbouwingen aan de echtelijke woning en/of
woningverbeteringen heeft gefinancierd die zijn opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 130.000,-. De man legt als bijlage 39 een Excel-overzicht over, vergezeld door diverse facturen van de aannemer, van de uitgaven die door hem met privégelden zijn voldaan.
2.2.11.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.2.12.
Tussen partijen is in geschil of de man privégelden in de woning heeft geïnvesteerd ter verbouwing en/of verbetering van de echtelijke woning. Het door de man overgelegde Excel-overzicht vergezeld met facturen onderbouwt zijn stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
2.3.
Proceskosten
2.3.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Inleiding
2.2.8.
Artikel 1:87 BW kan dus ook van toepassing zijn op deze eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning. In artikel 1:87 lid 4 BW is echter opgenomen dat echtgenoten bij overeenkomst kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste lid tot en met het derde lid van dit artikel. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden afspraken gemaakt over vergoedingen bij vermogensverschuivingen. Dat betekent dat artikel 1:87 BW (dat van regelend recht is) hier niet van toepassing is. De vermogensverschuiving houdt in dat de vrouw een schuld heeft betaald die de man voor de helft moet dragen. Toepassing van artikel 3 huwelijkse voorwaarden houdt in dat “aan het vermogen van de vrouw een bedrag van de helft van die schuld (€ 45.378,02 : 2 = € 22.689,01) is onttrokken ten bate van de man en het bedrag van die onttrekking ‘ten dage van de onttrekking’ € 22.689,01 was”. Niet gesteld en gebleken is dat partijen in de huwelijkse voorwaarden bewust hebben willen afwijken van de regels over vergoedingsrechten die per 2012 gelden of slechts hebben willen bevestigen wat gold op het moment van het maken van de huwelijkse voorwaarden. Concluderend heeft de vrouw een vergoedingsrecht op de man van € 22.689,01. In artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat de vergoeding terstond opeisbaar is. De rechtbank is, gelet op de verzoeken van partijen en de wijze waarop deze verzoeken ook afzonderlijk worden behandeld, van oordeel dat het vergoedingsrecht los staat van de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning. Omdat de rechtbank in deze beschikking oordeelt over de afwikkeling van de huwelijksvermogensregime van partijen, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is dat het vergoedingsrecht met ingang van de datum van deze beschikking opeisbaar is met in acht name van een redelijke betalingstermijn van veertien dagen na het geven van deze beschikking.
2.2.9.
De vrouw verzoekt het aan de man op te leggen vergoedingsrecht vanaf 2 mei 2024 tot aan de voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente. Over de vergoeding is tot de datum van deze beschikking geen rente verschuldigd, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. In artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden hebben partijen geen afspraken over de wettelijke rente gemaakt. Het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de periode vanaf 2 mei 2024 tot de datum van deze beschikking heeft dus geen rechtsgrond en zal worden afgewezen. De man is op grond van artikel 6:119 BW en artikel 6:83 BW de wettelijke rente verschuldigd, zolang hij in verzuim is de vergoeding te betalen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van verschuldigdheid van rente vanaf het moment dat de man na de datum van deze beschikking en na in acht name van een redelijke betalingstermijn van veertien dagen, in verzuim is geraakt.
Verzoek van de man: vergoedingsrecht van € 130.000,-
2.2.10.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen om aan hem bij de overdracht van de echtelijke woning een bedrag ter grootte van 10,50% van de verkoopprijs te voldoen. De man stelt dat hij uitvoerige verbouwingen aan de echtelijke woning en/of
woningverbeteringen heeft gefinancierd die zijn opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 130.000,-. De man legt als bijlage 39 een Excel-overzicht over, vergezeld door diverse facturen van de aannemer, van de uitgaven die door hem met privégelden zijn voldaan.
2.2.11.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.2.12.
Tussen partijen is in geschil of de man privégelden in de woning heeft geïnvesteerd ter verbouwing en/of verbetering van de echtelijke woning. Het door de man overgelegde Excel-overzicht vergezeld met facturen onderbouwt zijn stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
2.3.
Proceskosten
2.3.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.