Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-25
ECLI:NL:RBROT:2024:13946
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
5,202 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11042628 VV EXPL 24-191
datum uitspraak: 25 juli 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Heineken Nederland B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. J. Verstoep en mr. N.L. Bol,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats 1] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts.
De partijen worden ‘Heineken’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 mei 2024, met 20 bijlagen;
de pleitnotitie van [gedaagde] en 9 bijlagen;
de spreekaantekeningen tevens wijziging van eis van Heineken.
1.2.
Op 12 juli 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
namens Heineken, mevrouw [persoon A] , jurist, en de heer [persoon B] , accountmanager, met de gemachtigden;
[gedaagde] met zijn gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt van Heineken de bedrijfsruimte met bijbehorende woonruimte gelegen te ( [postcode] ) [plaats 2] aan [adres] tegen een huurprijs van
€ 2.654,75 (inclusief btw) per maand. Volgens Heineken is er regelmatig een huurachterstand, wordt er sinds 2018 geen bier afgenomen, is het etablissement al sinds meerdere jaren gesloten en is er geen energieleveringscontract. Daarmee handelt [gedaagde] in strijd met de huurbepalingen. Om die reden wil Heineken dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Daarnaast vordert Heineken € 2.678,41 aan achterstallige contractuele rente en € 5.000,- aan juridische kosten en bij eiswijziging een bedrag van € 6.397,91 aan huurachterstand en overige betalingsachterstanden. [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van Heineken en wil dat deze worden afgewezen.
Het kort geding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Heineken heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Ontruiming
2.3.
Begin 2020 is een eerdere kort geding procedure tussen partijen geweest. Partijen hebben toen in een proces-verbaal afspraken gemaakt, waarbij [gedaagde] heeft toegezegd het gehuurde te zullen exploiteren. Tijdens de zitting in deze procedure heeft [gedaagde] moeten erkennen dat dit grotendeels niet is gelukt. In 2020 en 2021 is hij gedeeltelijk open geweest met twee verschillende concepten. Vervolgens is hij in 2023 drie maanden open geweest met een derde concept. Weliswaar heeft [gedaagde] nu een nieuw concept, waarmee hij op korte termijn wil starten of al is gestart, maar vaststaat dat hij de verplichting om een horecabedrijf in het gehuurde te voeren gedurende lange periodes niet is nagekomen. Ook is uit de stukken en tijdens de zitting gebleken dat hij niet altijd een energieleveringscontract heeft gehad.
2.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij te maken heeft gehad met een verplichte sluiting tijdens de coronapandemie. Echter, juist tijdens die periode is hij nog het langste open geweest met een formule waarbij online kon worden besteld. [gedaagde] stelt enorm veel in het gehuurde te hebben geïnvesteerd, maar een concrete onderbouwing daarvan heeft hij niet gegeven. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij te kampen heeft gehad met persoonlijke omstandigheden. Hoe vervelend ook, deze omstandigheden liggen in zijn risicosfeer en behoren bij het ondernemersrisico.
2.5.
Door Heineken is betoogd dat zij een spoedeisend belang heeft en de uitkomst in de bodemprocedure niet kan afwachten, omdat – kort gezegd – de maat vol is. Met betrekking tot het wisselvallige betalingsgedrag van [gedaagde] en het gebrek aan bestendige exploitatie van het gehuurde is het risico groot dat de situatie op korte termijn niet zal verbeteren. Daar komt bij dat er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geen energiecontract was. Hiertegenover heeft [gedaagde] tijdens de zitting weliswaar uiteengezet dat hij gaat starten met een nieuw concept, waarbij werknemers van een Grieks bedrijf dat werkzaam is in de Botlek op vaste basis in het gehuurde maaltijden afnemen, maar een concrete gedegen onderbouwing van dit plan ontbreekt.
2.6.
Gelet op het feit dat er al zolang nauwelijks exploitatie is geweest in het gehuurde, wordt geoordeeld dat van Heineken niet kan worden verlangd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure tussen partijen afwacht. De tekortkomingen van [gedaagde] bestaan al jaren en hebben al eerder geleid tot een rechtszaak. De afspraken die toen zijn gemaakt, zijn niet nagekomen. De kantonrechter acht het zeer aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen. Dat in aanmerking nemend, weegt het belang van Heineken om zo spoedig mogelijk een huurder te vinden die wel bestendig exploiteert en die wel regelmatig betaalt, zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bedrijfsruimte.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat Heineken financieel geen schade leidt omdat een gelieerd horecabedrijf onverplicht bier en drank bij Heineken inkoopt. Dat was afgesproken met een casemanager. Heineken moet zich als verhuurder echter ook de belangen van de omgeving aantrekken, en het is onweersproken dat de huidige situatie tot klachten leidt. Of de drankafname door het andere bedrijf compensatie oplevert voor de tekortkomingen, is een vraag die in dit kort geding niet kan worden beantwoord. Dit wordt daarom verder niet besproken. Tenslotte is gebleken dat de woonruimte behorende bij de bedrijfsruimte niet wordt bewoond. Het voorgaande betekent dat de eis tot ontruiming wordt toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Huur en contractuele rente
2.7.
Heineken heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 6.397,91 inclusief BTW aan huurachterstand en overige betalingsachterstanden tot en met juli 2024. Vlak voor de zitting heeft [gedaagde] echter nog een bedrag van € 6.130,56 betaald, dat niet in de berekeningen is verwerkt. Daarnaast is er tijdens de zitting een debat ontstaan over een bedrag van € 5.000,- dat door [gedaagde] in oktober 2023 aan Heineken is betaald. Onduidelijk is of deze betaling, waarover [gedaagde] in ieder geval op 12 april 2024 nog eens bij Heineken heeft gereclameerd, in de berekeningen van Heineken is verwerkt. Heineken kon hierover geen uitsluitsel geven. Daardoor kan niet worden vastgesteld of sprake is van een huurachterstand. In het verlengde daarvan kan ook niet worden vastgesteld of de door Heineken gevorderde berekende contractuele rente juist is. Daarom worden deze gevorderde betalingen afgewezen.
Volledige vergoeding juridische kosten / buitengerechtelijke incassokosten
2.8.
De geëiste volledige vergoeding voor de juridische kosten wordt eveneens afgewezen. Slechts in buitengewone omstandigheden als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is er ruimte voor een vergoeding van de volledige kosten. Daarvan is niet gebleken. Het enkele feit dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst niet is nagekomen, is onvoldoende om een vergoeding voor de daadwerkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen. Slechts een bedrag aan proceskosten op basis van het forfaitaire bedrag is toewijsbaar, zoals hierna overwogen onder 2.10.
2.9.
Subsidiair vordert Heineken een bedrag van € 833,19 aan buitengerechtelijke incasso kosten. Gelet op de onduidelijkheid over de betalingen, zoals overwogen onder 2.7, kan in deze procedure niet worden vastgesteld of (de hoogte van) het bedrag terecht gevorderd is. Ook dit bedrag wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
2.10.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij overwegend in het ongelijk is gesteld (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Heineken op € 112,99 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.314,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen nadat dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte met bijbehorende woonruimte gelegen te ( [postcode] ) [plaats 2] aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Heineken te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] aan Heineken te betalen € 2.654,75 (inclusief btw) per maand aan huur met ingang van de maand augustus 2024 tot en met de datum waarop de ontruiming plaatsvindt;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Heineken tot vandaag worden vastgesteld op € 1.314,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
932
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11042628 VV EXPL 24-191
datum uitspraak: 25 juli 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Heineken Nederland B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. J. Verstoep en mr. N.L. Bol,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats 1] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts.
De partijen worden ‘Heineken’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 mei 2024, met 20 bijlagen;
de pleitnotitie van [gedaagde] en 9 bijlagen;
de spreekaantekeningen tevens wijziging van eis van Heineken.
1.2.
Op 12 juli 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
namens Heineken, mevrouw [persoon A] , jurist, en de heer [persoon B] , accountmanager, met de gemachtigden;
[gedaagde] met zijn gemachtigde.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt van Heineken de bedrijfsruimte met bijbehorende woonruimte gelegen te ( [postcode] ) [plaats 2] aan [adres] tegen een huurprijs van
€ 2.654,75 (inclusief btw) per maand. Volgens Heineken is er regelmatig een huurachterstand, wordt er sinds 2018 geen bier afgenomen, is het etablissement al sinds meerdere jaren gesloten en is er geen energieleveringscontract. Daarmee handelt [gedaagde] in strijd met de huurbepalingen. Om die reden wil Heineken dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Daarnaast vordert Heineken € 2.678,41 aan achterstallige contractuele rente en € 5.000,- aan juridische kosten en bij eiswijziging een bedrag van € 6.397,91 aan huurachterstand en overige betalingsachterstanden. [gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van Heineken en wil dat deze worden afgewezen.
Het kort geding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Heineken heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Ontruiming
2.3.
Begin 2020 is een eerdere kort geding procedure tussen partijen geweest. Partijen hebben toen in een proces-verbaal afspraken gemaakt, waarbij [gedaagde] heeft toegezegd het gehuurde te zullen exploiteren. Tijdens de zitting in deze procedure heeft [gedaagde] moeten erkennen dat dit grotendeels niet is gelukt. In 2020 en 2021 is hij gedeeltelijk open geweest met twee verschillende concepten. Vervolgens is hij in 2023 drie maanden open geweest met een derde concept. Weliswaar heeft [gedaagde] nu een nieuw concept, waarmee hij op korte termijn wil starten of al is gestart, maar vaststaat dat hij de verplichting om een horecabedrijf in het gehuurde te voeren gedurende lange periodes niet is nagekomen. Ook is uit de stukken en tijdens de zitting gebleken dat hij niet altijd een energieleveringscontract heeft gehad.
2.4.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij te maken heeft gehad met een verplichte sluiting tijdens de coronapandemie. Echter, juist tijdens die periode is hij nog het langste open geweest met een formule waarbij online kon worden besteld. [gedaagde] stelt enorm veel in het gehuurde te hebben geïnvesteerd, maar een concrete onderbouwing daarvan heeft hij niet gegeven. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij te kampen heeft gehad met persoonlijke omstandigheden. Hoe vervelend ook, deze omstandigheden liggen in zijn risicosfeer en behoren bij het ondernemersrisico.
2.5.
Door Heineken is betoogd dat zij een spoedeisend belang heeft en de uitkomst in de bodemprocedure niet kan afwachten, omdat – kort gezegd – de maat vol is. Met betrekking tot het wisselvallige betalingsgedrag van [gedaagde] en het gebrek aan bestendige exploitatie van het gehuurde is het risico groot dat de situatie op korte termijn niet zal verbeteren. Daar komt bij dat er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geen energiecontract was. Hiertegenover heeft [gedaagde] tijdens de zitting weliswaar uiteengezet dat hij gaat starten met een nieuw concept, waarbij werknemers van een Grieks bedrijf dat werkzaam is in de Botlek op vaste basis in het gehuurde maaltijden afnemen, maar een concrete gedegen onderbouwing van dit plan ontbreekt.
2.6.
Gelet op het feit dat er al zolang nauwelijks exploitatie is geweest in het gehuurde, wordt geoordeeld dat van Heineken niet kan worden verlangd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure tussen partijen afwacht. De tekortkomingen van [gedaagde] bestaan al jaren en hebben al eerder geleid tot een rechtszaak. De afspraken die toen zijn gemaakt, zijn niet nagekomen. De kantonrechter acht het zeer aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat de tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen. Dat in aanmerking nemend, weegt het belang van Heineken om zo spoedig mogelijk een huurder te vinden die wel bestendig exploiteert en die wel regelmatig betaalt, zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bedrijfsruimte.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat Heineken financieel geen schade leidt omdat een gelieerd horecabedrijf onverplicht bier en drank bij Heineken inkoopt. Dat was afgesproken met een casemanager. Heineken moet zich als verhuurder echter ook de belangen van de omgeving aantrekken, en het is onweersproken dat de huidige situatie tot klachten leidt. Of de drankafname door het andere bedrijf compensatie oplevert voor de tekortkomingen, is een vraag die in dit kort geding niet kan worden beantwoord. Dit wordt daarom verder niet besproken. Tenslotte is gebleken dat de woonruimte behorende bij de bedrijfsruimte niet wordt bewoond. Het voorgaande betekent dat de eis tot ontruiming wordt toegewezen. De ontruimingstermijn wordt bepaald op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Huur en contractuele rente
2.7.
Heineken heeft betaling gevorderd van een bedrag van € 6.397,91 inclusief BTW aan huurachterstand en overige betalingsachterstanden tot en met juli 2024. Vlak voor de zitting heeft [gedaagde] echter nog een bedrag van € 6.130,56 betaald, dat niet in de berekeningen is verwerkt. Daarnaast is er tijdens de zitting een debat ontstaan over een bedrag van € 5.000,- dat door [gedaagde] in oktober 2023 aan Heineken is betaald. Onduidelijk is of deze betaling, waarover [gedaagde] in ieder geval op 12 april 2024 nog eens bij Heineken heeft gereclameerd, in de berekeningen van Heineken is verwerkt. Heineken kon hierover geen uitsluitsel geven. Daardoor kan niet worden vastgesteld of sprake is van een huurachterstand. In het verlengde daarvan kan ook niet worden vastgesteld of de door Heineken gevorderde berekende contractuele rente juist is. Daarom worden deze gevorderde betalingen afgewezen.
Volledige vergoeding juridische kosten / buitengerechtelijke incassokosten
2.8.
De geëiste volledige vergoeding voor de juridische kosten wordt eveneens afgewezen. Slechts in buitengewone omstandigheden als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is er ruimte voor een vergoeding van de volledige kosten. Daarvan is niet gebleken. Het enkele feit dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst niet is nagekomen, is onvoldoende om een vergoeding voor de daadwerkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen. Slechts een bedrag aan proceskosten op basis van het forfaitaire bedrag is toewijsbaar, zoals hierna overwogen onder 2.10.
2.9.
Subsidiair vordert Heineken een bedrag van € 833,19 aan buitengerechtelijke incasso kosten. Gelet op de onduidelijkheid over de betalingen, zoals overwogen onder 2.7, kan in deze procedure niet worden vastgesteld of (de hoogte van) het bedrag terecht gevorderd is. Ook dit bedrag wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
2.10.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij overwegend in het ongelijk is gesteld (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Heineken op € 112,99 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.314,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen nadat dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte met bijbehorende woonruimte gelegen te ( [postcode] ) [plaats 2] aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Heineken te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] aan Heineken te betalen € 2.654,75 (inclusief btw) per maand aan huur met ingang van de maand augustus 2024 tot en met de datum waarop de ontruiming plaatsvindt;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Heineken tot vandaag worden vastgesteld op € 1.314,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
932