Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-21
ECLI:NL:RBROT:2024:13945
Civiel recht
Wraking
2,329 tokens
Dictum
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/10/675381 /HARK 24-220
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster, advocaat mr. J.H. Weermeijer,
strekkende tot de wraking van
mr. D. Haan,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de bestuurszaak met nummer ROT 23/2244. Die zaak betreft een geschil tussen verzoekster en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) als verweerder. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
het wrakingsverzoek van verzoekster van 12 maart 2024;
de aantekeningen van de griffier van de zitting van 12 maart 2024 waarin de gronden van het wrakingsverzoek zijn opgenomen.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 7 mei 2024 zijn verschenen:
verzoekster met haar partner [persoon A] en haar advocaat mr. J.H. Weermeijer; de rechter;
[persoon B] namens wederpartij UWV.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Het was op de zitting van 12 maart 2024 onduidelijk of de rechter het dossier dat ziet op de eerste aanvraag van een Wajong-uitkering zou meenemen in zijn beoordeling, of dat alleen gekeken zou worden naar stukken waarop de tweede aanvraag is gebaseerd. Op die zitting heeft de rechter hierop desgevraagd geen antwoord willen geven.
Verder heeft de rechter verzoekster op die zitting woorden in de mond gelegd. De rechter
heeft aannames als vaststaande feiten aangemerkt zonder zelf onderzoek te hebben gedaan. De woorden van verzoekster werden verdraaid in het voordeel van de verwerende partij. Het was van tevoren al duidelijk hoe de rechter over de zaak dacht.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft ter zitting op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.
3.2.1.
De wrakingskamer stelt voorop dat een proces-verbaal van een zitting een (zakelijke) weergave bevat van het verhandelde ter zitting. Een algehele sfeerbeschrijving wordt daarin niet gegeven. De wrakingskamer heeft in de punten die namens verzoekster naar voren zijn gebracht geen aanknoping gevonden dat het proces verbaal van de zitting op 12 maart 2024 onvolledig of onjuist is. Verzoekster heeft niet concreet aangegeven welke relevante feiten of omstandigheden in het proces-verbaal ontbreken. De wrakingskamer gaat dan ook uit van het verloop van de zitting zoals blijkt uit het proces-verbaal.
3.2.2
Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter aan het begin van de zitting een uitgebreide inleiding heeft gegeven over de zaak, waarbij hij ook heeft voorgehouden welke rechtsvragen in de procedure beantwoord moeten worden. Deze uitleg biedt juist de gelegenheid aan partijen om te reageren op het voorgehouden beoordelingskader en hun visie hierop naar voren te brengen. Wellicht heeft verzoekster- die naar eigen zeggen niet thuis is in de juridische materie - tijdens de zitting een kennisachterstand ervaren ten opzichte van de wederpartij en de rechter. Dat maakt echter niet dat het enkel voorhouden van een juridisch beoordelingskader een aanwijzing oplevert dat er sprake is van een vooringenomenheid van de rechter of objectiveerbare twijfel aan zijn onpartijdigheid. De rechter heeft immers hiermee geen oordeel gegeven over het onderliggende beroepschrift, maar slechts aangegeven welke juridische vragen in de procedure beantwoord moeten worden.
3.3
Het proces-verbaal biedt naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin aanknopingspunten voor de klacht dat de rechter verzoekster woorden in de mond heeft gelegd. Het staat een rechter vrij, zeker tijdens een mondelinge behandeling, om partijen voor te houden wat hij tot dan toe heeft afgeleid uit de processtukken en wat hierover ter zitting is toegelicht. Ook als een rechter een bepaald standpunt van een partij niet goed weergeeft of niet benoemt, betekent dat nog niet dat de rechter daarom vooringenomen is of de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Deze gang van zaken biedt een partij juist de mogelijkheid om aan te geven dat de rechter hem of haar verkeerd heeft begrepen.
3.4
Volgens het proces-verbaal wilde verzoekster ter zitting direct antwoord hebben op haar vraag of het gehele dossier van de eerste aanvraag in de beoordeling zou worden meegenomen of dat alleen het meest recente medische stuk dat bij de tweede aanvraag is overgelegd door de rechter zou worden beoordeeld. Met deze vraag wilde verzoekster de reikwijdte van de uiteindelijke uitspraak van de rechter weten door helder te krijgen welke informatie de rechter bij zijn beoordeling van het voorliggende beroep zou betrekken. De beslissing van de rechter om ter zitting deze vraag niet te beantwoorden, betreft een beslissing van processuele aard, en volgens vaste rechtspraak kunnen dergelijke beslissingen in beginsel geen grond voor wraking opleveren.
De vraag of een procesbeslissing inhoudelijk al dan niet juist is, leent zich niet voor een oordeel van de wrakingskamer. Dit is slechts anders als een procesbeslissing of de motivering daarvan zó onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De beslissing om niet meteen al op de zitting antwoord te geven op de vraag welke stukken de rechter bij zijn uiteindelijke beoordeling zal betrekken is naar het oordeel van de wrakingskamer niet zodanig onbegrijpelijk dat hierdoor blijkt van een vooringenomenheid die het wrakingsverzoek kan doen slagen. Immers, als de rechter ter zitting al had aangegeven welke stukken hij in zijn beoordeling zou betrekken, dan zou hij hiermee mogelijk al zijn vooruitgelopen op zijn eindoordeel, terwijl de rechter ter zitting heeft aangegeven dat hij een schriftelijke beslissing zal geven. De beslissing om daarop niet op de zitting vooruit te lopen getuigt niet van enig oordeel over het beroepschrift van verzoekster en levert dan ook geen aanwijzing voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.
3.5
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster nog aan haar verzoek toegevoegd dat er ook sprake is van partijdigheid van de rechter, gelet op de gehele sfeer ter zitting en de volgens haar vriendschappelijke onderonsjes tussen de rechter en de wederpartij. Deze gronden zijn nieuwe klachten die ingevolge artikel 8:16 lid 3 van de Algemene Wet Bestuursrecht niet in deze procedure beoordeeld kunnen worden. Dit artikel schrijft namelijk voor dat alle feiten of omstandigheden die
leiden tot het verzoek tot wraking tegelijk moeten worden aangevoerd. Nieuwe feiten of omstandigheden kunnen alleen in de beoordeling worden betrokken als deze pas na indiening van het verzoek aan verzoekster bekend zijn geworden. De door verzoekster aangevoerde nadere gronden waren haar echter al vóór indiening van het verzoek bekend.
3.6
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoekster bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van haar vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. M.-Fiege en
mr. M.B. van den Enden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024.
de griffier
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.