Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-21
ECLI:NL:RBROT:2024:13944
Civiel recht
Wraking
2,218 tokens
Dictum
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/10/676996 / HARK 24-332
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker, advocaat mr. R.F. Nelisse,
strekkende tot de wraking van
mr. M.P. van der Stroom,
rechter in deze rechtbank, team jeugd, hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de jeugdzaken met nummers C/664580/ JE RK 23-2058 en C/674270/ JE RK 24-376. Deze zaken hebben betrekking op de verzoeken van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI) tot machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader met gezag en wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. De dossiers van deze twee zaken zijn ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek van verzoeker van 9 april 2024;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 april 2024 waarin de gronden van het wrakingsverzoek zijn opgenomen;
- de schriftelijke toelichtingen op het wrakingsverzoek van 10 april 2024 van mr. R.F. Nelisse, advocaat van verzoeker in de zaken met de hierboven genoemde nummers;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 2 mei 2024.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 7 mei 2024 zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.F. Nelisse;
- de rechter.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
De rechter heeft ervoor gezorgd dat de GI het verzoek tot uithuisplaatsing heeft ingetrokken. Ook is de rechter doorgegaan met het doen van uitspraak terwijl verzoeker de rechter had gewraakt.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
3.1.1
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. Het middel is toegekend aan een partij die wil voorkomen dat een rechter (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat
doel kan niet meer worden bereikt als de rechter al een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd.
3.1.2
Er zijn twee verzoekenschriften ingediend die vanwege hun samenhang op de zitting van 9 april 2024 tegelijk zijn behandeld door de rechter. In één van die twee zaken is nog geen einduitspraak gedaan. Nu de behandeling van die zaak ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek nog niet was geëindigd, kan verzoeker ontvangen worden in zijn verzoek tot wraking van de rechter.
Inhoudelijk
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid.
3.3.
Het proces-verbaal van de zitting van 9 april 2024 bevat een (zakelijke) weergave van het verhandelde ter zitting. Gesteld noch gebleken is dat de inhoud van dit
proces-verbaal onjuist is. De wrakingskamer gaat dus uit van het verloop van de zitting zoals blijkt uit het proces-verbaal. Uit dit verloop kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden afgeleid dat de rechter ervoor heeft gezorgd dat de GI het verzoek tot uithuisplaatsing ter zitting heeft ingetrokken. Blijkens het proces-verbaal is aan het begin van de zitting (toen verzoeker nog niet aanwezig was) zowel bij de raadsman van verzoeker als bij de rechter verwarring ontstaan over het antwoord van de GI op een vraag van de rechter over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. In het licht van die verwarring is de vraag die de rechter vervolgens heeft gesteld: "Wat bedoelt u daarmee te zeggen? U trekt het verzoek in?" een logische vraag. Het is duidelijk dat de rechter daarmee enkel opheldering wilde krijgen over wat de GI nu precies bedoelde. De GI heeft op de vraag van de rechter geantwoord dat bedoeld is het verzoek om uithuisplaatsing in te trekken. Deze gang van zaken biedt geen objectieve aanknopingspunten voor de grond dat de rechter druk heeft uitgeoefend op de GI om dit verzoek in te trekken. De eerste wrakingsgrond van verzoeker mist dus een feitelijke grondslag.
3.4.1
In de omstandigheid dat de rechter is doorgegaan met het doen van uitspraak terwijl verzoeker mondeling kenbaar had gemaakt dat hij de rechter wilde wraken, kan evenmin een grond voor wraking worden gevonden.
3.4.2
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek en in haar schriftelijke reactie heeft de rechter verklaard dat zij destijds niet heeft gehoord dat verzoeker haar heeft gewraakt. Pas toen de raadsman van verzoeker aan het eind van de dag een mailbericht naar de rechtbank heeft gestuurd, werd het de rechter duidelijk dat verzoeker een wrakingsverzoek had ingediend. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de rechter dat zij het wrakingsverzoek ter zitting niet heeft gehoord. Zoals blijkt uit het proces-verbaal was er kort na de hervatting van de zitting sprake van een rommelige aanvangssituatie waarbij alle procespartijen de zittingszaal binnenkwamen. Dit was het moment waarop verzoeker volgens het
proces-verbaal heeft gezegd: "Ik begreep net van mijn advocaat op de gang dat het uw actie is dat het verzoek machtiging uithuisplaatsing is ingetrokken? Als dat zo is, dan doe ik ·wraking en verlaat ik de zaal". Onder deze omstandigheden is het niet ondenkbaar dat de rechter deze opmerking van verzoeker niet heeft gehoord. Dit geldt te meer nu de advocaat van verzoeker in zijn schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek heeft verklaard dat hij destijds niets heeft meegekregen van het wrakingsverzoek en de bijzitters het wrakingsverzoek kennelijk ook niet hebben opgemerkt. Volgens het proces-verbaal hebben de bijzitters de rechter in ieder geval niet geattendeerd op het wrakingsverzoek.
Gelet hierop levert deze grond evenmin een omstandigheid op waaruit vooringenomenheid of objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter kan blijken.
3.5.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker nog aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter hem op de zitting niet heeft laten uitpraten en hem ''de mond heeft gesnoerd". Echter artikel 37 Rv schrijft voor dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Het doel van dit voorschrift is dat onnodige vertraging wordt voorkomen. Nieuwe feiten en omstandigheden worden alleen in de beoordeling betrokken als die pas na indiening van het verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. De door verzoeker aangevoerde nadere gronden waren hem echter al vóór indiening van het verzoek bekend. Deze later aangevoerde gronden worden daarom niet in de beoordeling betrokken.
3.6.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van hem vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mr. A.J.P. van Essen, mr. M. Fiege en mr. M.B. van den Enden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. N. Jallal en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.